ECLI:NL:TAHVD:2026:300 Hof van Discipline 's Gravenhage 260393
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:300 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 21-09-2026 |
| Datum publicatie: | 21-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260393 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Om te beoordelen of de door klager gewenste hoger beroepsprocedure kans van slagen heeft, is het – in het licht van de overwegingen van de rechtbank (zoals opgenomen in randnummer 2.4) – begrijpelijk dat de deken aan klager heeft gevraagd zijn vorderingen te onderbouwen met documenten. Op die wijze kon de deken beoordelen of het instellen van hoger beroep een redelijke kans van slagen had. Het hof stelt vast dat klager dat niet heeft gedaan ondanks een herhaalde uitnodiging daartoe van de deken. Zoals volgt uit de door deken aangehaalde uitspraak van het hof (HvD 24 augustus 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:276), dient de aanvrager van een aanwijzingsverzoek de informatie aan te leveren die nodig is om op het verzoek te kunnen beslissen. Deze verplichting houdt in dat er niet alleen aan de deken informatie verstrekt dient te worden, maar dat die informatie ook geordend moet zijn en van een duidelijke uitleg moet zijn voorzien. Hiermee wordt de deken in staat gesteld een goede afweging te maken en gemotiveerd te beslissen. De stukken die klager in de beklagprocedure heeft overgelegd (en wat klager in dat kader daarover heeft aangevoerd) geven onvoldoende duidelijkheid of klager in hoger beroep wel aan zijn stelplicht zal kunnen voldoen. Of een hoger beroepsprocedure een redelijke kans van slagen heeft, blijft daardoor niet toetsbaar. |
Beslissing van 21 september 2026
in de zaak 260393
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
mr. I. Aardoom-Fuchs
advocaat en deken van de Orde van Advocaten Den Haag
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat
als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 20 augustus 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat door klager niet is onderbouwd dat de door klager gewenste procedure kans van slagen heeft.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 2 september 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken
ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken
- de repliek
- de dupliek
1.5 Het hof heeft het verzoek behandeld op basis van de stukken in het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klager heeft op 29 juli 2026 via het daartoe bestemde webformulier bij de deken Rotterdam een verzoek om aanwijzing van een advocaat ingediend. De deken Rotterdam heeft het aanwijzingsverzoek op 31 juli 2026 doorgezonden naar de deken.
2.2 Klager wenst hoger beroep in te stellen tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 juni 2026 (hierna: het vonnis) waarin de vorderingen van klager tegen de gemeente Rotterdam (hierna: de Gemeente) en de stichting Centrum voor Vrijwillige en Professionele Maatschappelijke Dienstverlening te Rotterdam (hierna: CvD) zijn afgewezen.
2.3 Klager is gevlucht en heeft zich in 2003 in Nederland gevestigd. In 2006 is klager bij het CvD terechtgekomen. Het CvD zou klager helpen bij zijn integratie in de maatschappij (onder meer via begeleiding bij het regelen van huisvesting en financiën). Klager stelt zich op het standpunt dat hij onvoldoende hulp heeft gekregen van de Gemeente en het CvD. Klager heeft een procedure gevoerd waarin klager - kort gezegd - stelt dat de Gemeente en het CvD toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van overeengekomen plannen ten gevolge waarvan klager (emotionele) schade stelt te hebben geleden. Subsidiair grondt klager zijn vordering op onrechtmatige daad waartoe klager stelt dat de Gemeente en het CvD in strijd met ‘de overeenkomst’ en in strijd met het ongeschreven recht hebben gehandeld. Meer subsidiair heeft klager aangevoerd dat het CvD zich ongerechtvaardigd heeft verrijkt ten koste van klager omdat het CvD een budget heeft gekregen voor de hulpverlening aan klager maar geen hulp heeft verleend.
2.4 De vorderingen van klager zijn afgewezen omdat klager niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. De rechtbank heeft in dat verband in het vonnis overwogen:
‘(..) 5.2 [klager] stelt dat gedaagden toerekenbaar zijn tekortgeschoten danwel
onrechtmatig
jegens hem hebben gehandeld. Op hem rust de stelplicht. Dat houdt in dat hij alle
feitelijke
elementen moet stellen die benodigd zijn voor het intreden van de door hem beoogde
rechtsgevolgen. Die stellingen moet hij in voldoende mate concretiseren. Anders
gezegd: het
is aan [klager] om concreet te onderbouwen wat gedaagden verkeerd zouden hebben
gedaan.
Dat geldt temeer nu het gaat om vermeende tekortkomingen dan wel onrechtmatige daden
uit
een inmiddels vrij ver verleden. Dat brengt immers mee dat het voor de Gemeente
en CvD
uitermate lastig is om de relevante feiten te achterhalen.
5.3 [Klager] heeft niet aan zijn stelplicht voldaan. De voorbeelden die hij heeft
genoemd zijn niet concreet genoeg. Zo blijkt nergens uit op wie van gedaagden welke
specifieke contractuele
verplichting rustte en waarom die gedaagde ten aanzien van die verplichting
is tekortgeschoten.
[Klager] lijkt ervan uit te gaan dat ieder probleem waarop hij bij zijn inburgering
is gestuit opgelost had moeten worden door de Gemeente en CvD en dat waar dergelijke
problemen niet of niet snel genoegd zijn opgelost dat per definitie een toerekenbare
tekortkoming van de Gemeente en CvD oplevert. Hij heeft echter niet inzichtelijk gemaakt
welke concrete contractuele verplichtingen van welke van gedaagden een dergelijk vergaande
verantwoordelijkheid meebrengen. Hij heeft ook anderszins niet aangetoond welke (afspra(a)k(en)
gedaagden toerekenbaar zouden hebben geschonden. Ook blijft onduidelijk waar de vermeende
onrechtmatigde da(a)d(en) uit zou(den) hebben bestaan. Het had op de weg van [klager]
gelegen om duidelijk te maken wat hij gedaagden precies verwijt. (..). Gedaagden hebben
dus terecht gesteld dat [klager] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan.
Meer subsidiaire grondslag: de juridische redenering is ondeugdelijk
5.4 De vordering kan ook niet worden gegrond op ongerechtvaardigde verrijking zoals beschreven in artikel 6:212 BW. Daarvoor is immers onder meer vereist dat sprake is van verarming van [klager]. Als CvD ten onrechte budget van de Gemeente niet zou hebben gebruikt voor hulpverlening aan [klager] (zoals [klager] stelt), dan is er geen sprake van verarming van [klager] in juridisch relevante zin. [Klager] heeft immers niet betaald voor de hulpverlening. Voor de stelling dat de Gemeente ongerechtvaardigd is verrijkt heeft [klager] in het geheel niets aangevoerd.
5.5 (…) Dat het leven van [klager] na zijn vestiging in Nederland niet is gelopen zoals hij had gewild, betekent niet dat hij schade heeft geleden waarvoor gedaagden uit wanprestatie of onrechtmatige daad aansprakelijk zijn.
5.7 (…) Nu [klager] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, zal de rechtbank echter niet inhoudelijk ingaan op wat partijen verder over en weer hebben aangevoerd.
2.5 Omdat uit het vonnis volgt dat klager niet heeft voldaan aan zijn stelplicht
heeft de stafjurist per e-mail op 5 augustus en 13 augustus 2026 klager gevraagd om
informatie en stukken teneinde de kans van slagen in hoger beroep te kunnen beoordelen.
Klager heeft daarop gereageerd op
6 augustus 2026:
‘(...)we hebben drie big shoppers met diverse dossiers en documentatie, 23 jaar aan
zorg
geschiedenis van [klager], ten dienste gesteld van mw. [E], de advocaat van [naam
advocatenkantoor]. Echter de advocaat heeft niet voldoende gebruik gemaakt van die
documentatie. Hoe wilt u dat wij dit aanpakken? Foto's, scans of het benoemen van
de aard van de documenten? Daar is 14 dagen niet voldoende tijd voor. We brengen het
van harte naar u toe, ter beoordeling’.
2.6 Op 6 augustus 2026 heeft klager bij mr. E de documenten opgehaald.
2.7 Op 13 augustus 2026 heeft de stafjurist klager bericht dat er geen taak voor de deken ligt om de hiervoor genoemde documenten door te nemen om te bezien of klager aan de stelplicht kunt voldoen. Het verzoek om de gevraagde informatie en stukken aan te leveren is door de stafjurist herhaald in een e-mailbericht van 13 augustus 2026. Ook heeft de stafjurist op die datum telefonisch contact opgenomen met mr. E. die liet weten dat zij een hoger beroepsprocedure kansloos acht.
2.8 Klager heeft in reactie op het bericht van de stafjurist van 13 augustus 2026 op 18 augustus 2026 laten weten dat er volgens hem voldoende bewijs is maar dat mr. E. daarvan niet voldoende heeft ingebracht.
2.9 Op 20 augustus 2026 heeft de deken het aanwijzingsverzoek van klager afgewezen.
3. BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt (samengevat) dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen
omdat uit het oordeel van de rechtbank, dat klager niet heeft voldaan aan zijn stelplicht,
niet zonder meer volgt dat hoger beroep geen redelijke kans van slagen heeft. Klager
vindt het verder een onredelijke verwachting van de deken om van hem te verlangen
juridisch houdbare grieven en een volledige proceskansenanalyse op te stellen. Volgens
klager had de deken – toen klager geen stukken instuurde – moeten vragen om een chronologie,
concrete verwijten en een beperkte kernselectie. Klager heeft als bijlage bij zijn
beklag onder andere een bewijs- en stellingenoverzicht meegestuurd. Daaruit volgt
volgens klager een reële beoordelingsvraag voor het hoger beroep. Ook heeft klager
een advies van een jurist (mr. A) meegestuurd. De mededeling van de voormalig advocaat
van klager (mr. E) aan de deken dat hoger beroep kansloos is, is volgens klager een
niet-inzichtelijke, telefonische mededeling die een te smalle basis vormt voor de
afwijzing van zijn verzoek.
Verweer
3.2 De deken heeft aangevoerd dat uit jurisprudentie van het hof volgt dat op klager
een informatieplicht rust. Klager heeft, ondanks herhaald verzoek, geen nadere stukken
toegestuurd waardoor zijn verzoek niet kon worden beoordeeld. De toetsing door het
hof van het beklag dient volgens de deken te gebeuren op basis van de stukken waarover
de deken de beschikking had toen zij haar beslissing nam. Klager heeft ook in de beklagprocedure
geen stukken ingediend maar alleen een opsomming van stukken met de aantekening wat
het ondersteunt en wat de beperkingen zijn. Volgens de deken hoefde klager geen procesanalyse
op te stellen maar van klager mocht wel worden verwacht dat hij de informatie waarom
de deken had verzocht op overzichtelijke wijze zou aanleveren en zijn stellingen (o.a.
dat mr. E onvoldoende gebruik heeft gemaakt van de beschikbare documentatie) te onderbouwen.
Tenslotte had de deken geen reden om te twijfelen aan de mededeling van mr. E, de
voormalig advocaat van klager, dat hoger beroep kansloos was omdat mr. E de beschikking
had over alle stukken.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Beoordeling
4.2 Uit het vonnis van de rechtbank Rotterdam volgt dat de vorderingen van klager zijn afgewezen omdat klager niet heeft voldaan aan zijn stelplicht. Om te beoordelen of de door klager gewenste hoger beroepsprocedure kans van slagen heeft, is het – in het licht van de overwegingen van de rechtbank (zoals opgenomen in randnummer 2.4) – begrijpelijk dat de deken aan klager heeft gevraagd zijn vorderingen te onderbouwen met documenten. Op die wijze kon de deken beoordelen of het instellen van hoger beroep een redelijke kans van slagen had. Het hof stelt vast dat klager dat niet heeft gedaan ondanks een herhaalde uitnodiging daartoe van de deken. Zoals volgt uit de door deken aangehaalde uitspraak van het hof (HvD 24 augustus 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:276), dient de aanvrager van een aanwijzingsverzoek de informatie aan te leveren die nodig is om op het verzoek te kunnen beslissen. Deze verplichting houdt in dat er niet alleen aan de deken informatie verstrekt dient te worden, maar dat die informatie ook geordend moet zijn en van een duidelijke uitleg moet zijn voorzien. Hiermee wordt de deken in staat gesteld een goede afweging te maken en gemotiveerd te beslissen. De stukken die klager in de beklagprocedure heeft overgelegd (en wat klager in dat kader daarover heeft aangevoerd) geven onvoldoende duidelijkheid of klager in hoger beroep wel aan zijn stelplicht zal kunnen voldoen. Of een hoger beroepsprocedure een redelijke kans van slagen heeft, blijft daardoor niet toetsbaar. De deken mocht verder afgaan op de bevindingen van mr. E dat hoger beroep kansloos was omdat mr. E bekend was met de stukken die klager op haar kantoor had afgegeven en zij klager in eerste aanleg heeft bijgestaan. Klager heeft zijn stelling dat mr. E de haar beschikbare stukken onvoldoende heeft gebruikt niet nader onderbouwd.
4.3 Het voorgaande betekent dat de deken op juiste gronden tot een afwijzing van het aanwijzingsverzoek van klager heeft kunnen komen. Hetgeen klager verder heeft aangevoerd en ingebracht in de beklagprocedure leidt niet tot een ander oordeel. Het hof zal het beklag van klager daarom ongegrond verklaren.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 20 augustus 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter, mr. drs. P. Fortuin en mr. G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 21 september 2026.