ECLI:NL:TAHVD:2026:30 Hof van Discipline 's Gravenhage 250317

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:30
Datum uitspraak: 30-01-2026
Datum publicatie: 30-01-2026
Zaaknummer(s): 250317
Onderwerp: Tuchtprocesrecht
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Verzet na afwijzende verwijzing ongegrond. Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de voorzitter. Deze heeft de juiste maatstaf gehanteerd en niet is gebleken dat hij van onjuiste of onvolledige feiten is uitgegaan. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de voorzitter en neemt die over. Het hof is niet gebleken dat verweerder zich in de behandeling van de klacht van klager over de deken heeft uitgelaten of gedragen op de wijze zoals klager in zijn verzet aanvoert. Verweerder heeft de klacht onderzocht en daarover een dekenstandpunt gegeven, waarna klager zijn klacht ter beslissing heeft laten voorleggen aan de raad van discipline ’s-Hertogenbosch waar nog een verzetprocedure loopt. In die procedure kan klager ook ingaan op het dekenstandpunt van verweerder en wat daarin volgens klager niet juist is.

Beslissing van 30 januari 2026

in de zaak 250317

naar aanleiding van het verzet

tegen de beslissing van de voorzitter van het hof

van 2 oktober 2025 in de klacht van:

klager

tegen:

verweerder

1 DE PROCEDURE

1.1 Met de beslissing van 2 oktober 2025 heeft de voorzitter van het hof het verzoek van klager tot verwijzing van de klacht tegen verweerder afgewezen. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TAHVD:2025:186 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

1.2 Het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter is op 14 oktober 2025 ontvangen door de griffie van het hof. Behalve het verzetschrift bevat het dossier de stukken die in verband met het verwijzingsverzoek aan het hof zijn verstrekt. Daarnaast bevat het dossier:

- het verweerschrift  

- repliek

- dupliek.

1.3 Het hof heeft het verzet behandeld in raadkamer.

FEITEN

2.1 Op 25 november 2024 heeft klager een klacht ingediend over de deken in het arrondissement Den Haag (hierna: de deken Den Haag). Deze klacht is door de voorzitter van het hof voor verder onderzoek en afhandeling verwezen naar verweerder.

2.2 Op 16 september 2025 heeft klager een klacht ingediend tegen verweerder welke is gericht tegen de manier waarop verweerder zijn klacht over de deken Den Haag heeft onderzocht en beoordeeld.

2.3 Anders dan klager heeft gesteld in zijn klachtbrief van 16 september 2025, is de klacht over de deken Den Haag niet verwezen naar verweerder voor het doen van nader onderzoek naar de klacht over mr. D. Verweerder diende alleen onderzoek te doen naar de klacht over de deken Den Haag en niet naar de onderliggende klacht van klager over mr. D.

2.4 Klager klaagt er daarom ten onrechte over dat verweerder weigert onafhankelijk onderzoek te doen naar zijn klacht over mr. D. want dat was niet de opdracht aan verweerder. Nu klager verder over verweerder soortgelijke klachten indient als over de deken Den Haag, die betrekking hebben op het onderzoek naar zijn klacht over mr. D, beschouwt het hof zijn klacht tegen verweerder als misbruik van het klachtrecht.

2.5  Voor zover klager klaagt over het standpunt van verweerder ten aanzien van de klacht over de deken Den Haag, zoals verwoord in de brief van 30 juli 2025 van verweerder, wijst de voorzitter erop dat het klachtrecht daarvoor niet is bedoeld. Een klacht tegen een deken is geen middel om de inhoud van een dekenvisie over een klacht tegen een andere deken ter discussie te stellen. Die klacht dient dan te worden doorgestuurd naar de raad van discipline voor verdere beoordeling en afdoening.

2.6 Om deze redenen heeft de voorzitter de klacht tegen de deken niet verwezen.

3 VERZET EN VERWEER

Gronden van verzet

3.1 Klager heeft aan het verzet tegen de voorzittersbeslissing van 2 oktober 2025 – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat verweerder hem het recht op onafhankelijke klachtbehandeling en waarheidsvinding heeft ontnomen zonder dat daarvoor een grond bestaat.

Het verweer

3.2 Verweerder heeft tegen het verzet aangevoerd dat in zijn visie de plaatsvervangend voorzitter van het hof op juiste gronden de klacht van klager over verweerder niet heeft verwezen. Verweerder heeft verder nog opgemerkt dat de klager zijn klacht over de deken Den Haag ter beslissing heeft voorgelegd aan de Raad van Discipline Den Bosch (hierna: de raad). De voorzitter van de raad heeft deze klacht met toepassing van artikel 46j Advocatenwet kennelijk ongegrond verklaard. Klager heeft tegen deze voorzittersbeslissing verzet ingesteld. 

4 BEOORDELING

Verzet mogelijk?

4.1 De beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is ingesteld, ziet op de situatie als bedoeld in artikel 46c lid 5 Advocatenwet. In dit artikel is bepaald dat de voorzitter klachten tegen dekens verwijst naar een deken van een andere orde om de klacht te laten onderzoeken en af te handelen. De wet voorziet niet in de mogelijkheid van afwijzing van het verzoek en ook niet in een bijbehorend rechtsmiddel tegen die afwijzing. Het hof is echter van oordeel dat verzet mogelijk moet zijn als de voorzitter het verwijzingsverzoek afwijst. Om die reden heeft het hof de mogelijkheid van verzet tegen afgewezen verwijzingsverzoeken vastgelegd in artikel 13 van het procesreglement.

Maatstaf

4.2 Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

4.3 Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan die van de voorzitter. Deze heeft de juiste maatstaf gehanteerd en niet is gebleken dat hij van onjuiste of onvolledige feiten is uitgegaan. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de voorzitter en neemt die over. Het hof is niet gebleken dat verweerder zich in de behandeling van de klacht van klager over de deken Den Haag heeft uitgelaten of gedragen op de wijze zoals klager in zijn verzet aanvoert. Verweerder heeft de klacht van klager over de deken Den Haag onderzocht en daarover een dekenstandpunt gegeven, waarna klager zijn klacht ter beslissing heeft laten voorleggen aan de raad van discipline ’s-Hertogenbosch waar thans nog een verzetprocedure loopt. In die procedure kan klager ook ingaan op het dekenstandpunt van verweerder en wat daarin volgens klager niet juist is.

4.4 Voor het overige richt klager zich in zijn verzet in algemene bewoordingen tegen vele instanties en personen hetgeen buiten het bereik van deze verzetprocedure valt. Ten slotte is het verzet niet bedoeld om de onderliggende klacht van klager over mr. D. te laten toetsen door het hof.

4.5 Het hof verklaart daarom het verzet van klager ongegrond.

5 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het verzet van klager ongegrond.

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. V. Wolting en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026.

griffier                                                                                                              voorzitter             

De beslissing is verzonden op 30 januari 2026 .