ECLI:NL:TAHVD:2026:299 Hof van Discipline 's Gravenhage 260150
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:299 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-09-2026 |
| Datum publicatie: | 18-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260150 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 Advocatenwet. Ongegrond. De deken kan alleen overgaan tot aanwijzing van een advocaat als de verzoeker de deken voldoende informatie geeft om te kunnen beoordelen wat voor procedure gevoerd moet worden en of zo’n procedure voldoende kans van slagen heeft. Dat betekent dat het op de weg van klager ligt om concreet, aan de hand van feiten, aan te geven wat de procedure is die hij wil voeren en de aanvullende informatie ter onderbouwing van die procedure, waar de deken om heeft verzocht, in te dienen. Dat heeft klager, ondanks dat de deken hem daartoe meerdere malen de gelegenheid heeft gegeven, onvoldoende met feitelijke gegevens concreet gemaakt. Hierdoor heeft de deken niet kunnen beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 13 Advocatenwet is voldaan, zodat de deken gegronde redenen had om het verzoek af te wijzen. |
Beslissing van 18 september 2026
in de zaak 260150
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
mr. I. Aardoom-Fuchs
deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Den Haag
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klaagster heeft op 26 januari 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot
aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 19 februari 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klager zijn aanwijzingsverzoek onvoldoende heeft onderbouwd, waardoor de deken niet kan beoordelen of de procedure die klager wil starten voldoende kans van slagen heeft en evenmin of klager daarbij bijstand van een advocaat nodig heeft.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 24 februari 2026 een beklag, met bijlagen, tegen de beslissing
van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- een e-mail, met bijlagen, van klager van 28 april 2026;
- een e-mail van het hof aan klager van 28 april 2026;
- een e-mail van het hof aan klager van 22 mei 2026;
- een e-mail van het hof aan klager van 26 mei 2026, met bijlage (de ontvangstbevestiging
van het hof);
- het verweer van de deken van 3 juni 2026, met bijlagen;
- de repliek, met bijlagen, van klager van 19 juni 2026;
- de dupliek van de deken van 25 juni 2026, inhoudende dat de deken blijft bij
het standpunt zoals verwoord in het verweer en dat de repliek van klager voor de deken
geen aanleiding is nader inhoudelijk te reageren;
- een e-mail van het hof aan klager van 3 juli 2026.
1.5 Naast bovengenoemde stukken heeft klager nog meerdere malen e-mails met bijlagen aan het hof gezonden. Daarover merkt het hof het volgende op. In reactie op de e-mail met bijlagen van klager van 28 april 2026, is door het hof bij e-mail van diezelfde datum aan klager meegedeeld dat hij geen stukken meer kon indienen en dat klager zo snel mogelijk bericht zou ontvangen over de voortgang van het dossier. De e-mails met bijlagen die klager na 28 april 2026 aan het hof heeft gestuurd zijn door het hof dan ook niet toegevoegd aan het dossier. Dat is door het hof op 22 mei 2026 nogmaals aan klager meegedeeld. Vervolgens is aan klager op 26 mei 2026 per e-mail de ontvangstbevestiging van het beklag gestuurd. In de ontvangstbevestiging zijn aan klager respectievelijk de deken termijnen gegeven voor het indienen van een verweerschrift en re- en dupliek. Daarbij is aan klager meegedeeld dat na uitwisseling van die stukken het onderzoek is gesloten en ingediende e-mails/brieven met stukken niet meer zullen worden beantwoord en ook niet in het dossier zullen worden gevoegd. De e-mails met bijlagen die klager daarna nog (veelal in cc) aan het hof heeft gestuurd, zijn door het hof dan ook niet toegevoegd aan het dossier. Op 9 juni 2026 heeft het hof via de deken een e-mail van klager van 9 juni 2026, met bijlage, ontvangen, wat door de deken is opgevat als de repliek van klager. Op 15 juni 2026 heeft het hof ook van klager een e-mail ontvangen met als bijlage een document dat klagers repliek zou betreffen. Vervolgens is door de griffier van het hof telefonisch contact met klager opgenomen. Toen is gebleken dat de op 15 juni 2026 van klager ontvangen repliek een incompleet bestand betrof. Klager is daarop in de gelegenheid gesteld alsnog zijn complete repliek in te dienen. Die heeft het hof op 19 juni 2025 van klager ontvangen en aan de deken doorgestuurd. De deken heeft daar op 25 juni 2026 op gedupliceerd. Zoals ook in de ontvangstbevestiging van het beklag aan klager is meegedeeld, was de repliek voor klager de laatste mogelijkheid om stukken in te dienen. Dat is door het hof bij e-mail van 3 juli 2026 nogmaals aan klager meegedeeld. De e-mails die het hof nadien nog van klager heeft ontvangen zijn dan ook evenmin aan het beklagdossier toegevoegd.
1.6 Het hof heeft een beslissing genomen op basis van de hiervoor onder 1.3 en 1.4 genoemde schriftelijke stukken uit het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Bij webformulier van 26 januari 2026 heeft klager bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat.
2.2 Bij e-mail van 27 januari 2026 aan de deken heeft klager zijn verzoek aangevuld als volgt:
“Ik zoek een advocaat , die, voor mij, [naam tandarts][hof: klagers tandarts, hierna:
de tandarts] aansprakelijk stelt voor ALLE geleden schade en liefst op een zo kort
mogelijke termijn.
(…)
Het gaat allang niet meer over het letsel, dat hij heeft aangericht.
(…)
Door deze hele affaire ben ik na 20 jaar de liefde van mijn leven kwijt geraakt (zie
bijlage) en een gebit met gebreken. Daarom zet ik deze zaak ook door, tot het bittere
einde. !!
(…)
En dat heeft mij de lieve duit van € 325.000,= gekost en dus kon ik mijn dochter niet
helpen met het financieren van haar huis.
Zoals ik al geschreven heb, dat [de tandarts] door zijn vele leugens en hulp bij het
CTG , [dhr B], aan zijn berisping oid ontsnapt. [De tandarts] heeft slechts 1 maal
de waarheid gesproken.
M.a.w. liegen loont. Hij heeft een verschrikkelijk dikke duim. !!!
En dat mag niet gebeuren. Never nooit.”
2.3 Naar aanleiding hiervan heeft een stafjurist van de deken klager bij brief van 29 januari 2026 het volgende bericht:
“(…)
Voordat de deken uw verzoek kan beoordelen hebben wij nog aanvullende informatie
van u nodig.
Graag ontvang ik een gespecificeerde onderbouwing van deze claim, het moet de deken
duidelijk zijn hoe tot dit concrete bedrag wordt/is gekomen.
Pas als u de bovengenoemde informatie aan mij heeft toegestuurd, kan de deken uw
verzoek beoordelen. Dat betekent dus niet dat u automatisch een advocaat krijgt toegewezen
wanneer u ons deze informatie toestuurt, maar dat uw verzoek om aanwijzing van een
advocaat dan zal worden beoordeeld.
(…)”
2.4 In reactie hierop heeft klager op 5 februari 2026 stukken van in totaal 144 pagina’s aan de deken gestuurd. In de begeleidende e-mail heeft klager geschreven: “Bijgaand de documenten, die ik voor mijn zaak wil aanvoeren. Ik wens U heel veel succes met de zoektocht.”
2.5 Daarop heeft de stafjurist op 5 februari 2026 per e-mail aan klager bericht dat het niet aan de deken is om een door klager gestelde claim uit een dossier te destilleren. Klager heeft twee weken de tijd gekregen om zijn claim van € 325.000,- met bijvoorbeeld facturen te onderbouwen. In de e-mail bericht de strafjurist aan klager:
“(…) Het moet de deken duidelijk zijn hoe tot dit concrete bedrag wordt gekomen alvorens
zij uw verzoek kan beoordelen.
Vandaag ontving ik in reactie op bovenstaand verzoek uw reactie bestaande uit een
lijvig dossier met daarbij de opmerking 'Ik wens U heel veel succes met de zoektocht'.
Het moge duidelijk zijn dat het niet aan de deken is om een door u gestelde claim
uit een dossier te destilleren.
Daarom verzoek ik u vriendelijk om binnen twee weken na heden uw claim van EUR 325.000,- met facturen/nota's/etc. te onderbouwen. (…)”
2.6 Klager heeft vervolgens verwezen naar de productie 2 bij het door hem bij de deken ingediende document: “berekening overbedeling door scheiding”.
2.7 Op 10 februari 2026 heeft de stafjurist in reactie daarop aan klager meegedeeld dat totaal onduidelijk is hoe de deken uit deze productie de door klager gestelde vordering van € 325.000,- kan afleiden, en dat een deugdelijke onderbouwing van de claim nog steeds ontbreekt. De stafjurist heeft klager vervolgens nog twee weken de tijd gegeven om duidelijk te onderbouwen waarom klager meent [de tandarts] aansprakelijk te kunnen stellen voor een bedrag van € 325.000,-.
2.8 Klager heeft hier ook weer op gereageerd en vervolgens heeft er ook nog telefonisch contact tussen klager en de stafjurist plaatsgevonden, waarbij klager nogmaals te kennen is gegeven dat hij zijn vordering zal moeten onderbouwen.
2.9 Uiteindelijk heeft klager op 14 februari 2026 nogmaals een pakket stukken aan de deken gestuurd van 75 pagina’s.
2.10 Op 23 juni 2020 heeft klager een klacht over de tandarts ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Den Haag (hierna: het RTG). Klager verwijt de tandarts - kort gezegd - dat hij fouten heeft gemaakt bij het plaatsen van een kroon in het gebit van klager, wat heeft geleid tot pijnklachten en een verschuiving in het gebit van klager, waardoor boven- en ondergebit niet meer goed op elkaar passen. Bij beslissing van 25 november 2020 heeft het RTG de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Het RTG heeft geoordeeld dat de tandarts bij de behandeling van het gebit van klager binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven, oftewel voldoende zorgvuldig en deskundig heeft gehandeld met de kennis die hij toen had of behoorde te hebben. Het RTG heeft niet kunnen vaststellen dat het de behandeling van klager door de tandarts is geweest die tot het verschuiven van tanden en het niet meer goed op elkaar passen van het gebit heeft geleid. Klager heeft tegen de beslissing beroep ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: het CTG). Bij beslissing van 13 augustus 2021 heeft het CTG het beroep verworpen.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klager
voert daartoe aan dat hij zijn vordering op de tandarts met voldoende bewijs heeft
onderbouwd, op basis waarvan een advocaat voor klager moet worden aangewezen.
Verweer
3.2 De deken heeft aangevoerd dat zij alleen tot aanwijzing van een advocaat
kan overgaan als een verzoeker voldoende informatie geeft om (onder meer) te kunnen
beoordelen of een procedure voldoende kans van slagen heeft. De deken heeft erop gewezen
dat het aan klager was om aan te tonen dat hij schade heeft geleden, dat de schade
uitsluitend door de tandarts is veroorzaakt (geen andere oorzaak kan hebben) en hoe
hoog die schade is, en dat klager onvoldoende overzichtelijke informatie heeft aangeleverd
waaruit kan worden afgeleid of een procedure tegen de tandarts redelijke kans van
slagen heeft en het bovendien een procedure betreft die qua schadebedrag boven de
kantongrens van € 25.000,- uit stijgt. Door dit gebrek aan onderbouwing heeft de deken
niet kunnen beoordelen of de door klager gewenste procedure (voldoende) kans van slagen
heeft en evenmin of het zou gaan om een procedure waarvoor bijstand door een advocaat
noodzakelijk of vereist is. Op basis hiervan is het standpunt van de deken dat het
verzoek van klager om aanwijzing van een advocaat op gegronde redenen is afgewezen.
De deken concludeert dan ook tot afwijzing van het beklag.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Ten aanzien van het verzoek van klager
4.2 De deken kan alleen overgaan tot aanwijzing van een advocaat als de verzoeker de deken voldoende informatie geeft om te kunnen beoordelen wat voor procedure gevoerd moet worden en of zo’n procedure voldoende kans van slagen heeft. Dat betekent dat het op de weg van klager ligt om concreet, aan de hand van feiten, aan te geven wat de procedure is die hij wil voeren en de aanvullende informatie ter onderbouwing van die procedure, waar de deken om heeft verzocht, in te dienen. Uit de zeer grote hoeveelheid documenten die klager heeft ingediend, begrijpt het hof dat klager de tandarts verantwoordelijk houdt voor het eindigen van zijn huwelijk, wat het gevolg zou zijn van de volgens klager door de tandarts veroorzaakte gebitsproblemen van klager, en de financiële schade die klager in verband met zijn echtscheiding stelt te hebben geleden. Klager heeft echter, ondanks dat de deken hem daartoe meerdere malen de gelegenheid heeft gegeven, onvoldoende met feitelijke gegevens concreet gemaakt dat de door hem gesteld geleden schade (uitsluitend) door de tandarts is veroorzaakt en aan de tandarts kan worden toegerekend. Ook heeft klager onvoldoende gepreciseerd hoe hoog de aan de tandarts toe te rekenen schade is, en daarmee evenmin concreet gemaakt of een procedure tegen de tandarts een redelijke kans van slagen heeft en of het zou gaan om een procedure waarvoor bijstand door een advocaat noodzakelijk of vereist is. Hierdoor heeft de deken niet kunnen beoordelen of aan de voorwaarden van artikel 13 Advocatenwet is voldaan, zodat de deken gegronde redenen had om het verzoek af te wijzen.
4.3 Het beklag is op grond van het voorgaande dan ook ongegrond.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 19 februari 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. V. Wolting en
A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 18 september 2026.