ECLI:NL:TAHVD:2026:297 Hof van Discipline 's Gravenhage 260169

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:297
Datum uitspraak: 18-09-2026
Datum publicatie: 18-09-2026
Zaaknummer(s): 260169
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Appelverbod. Hoger beroep niet-ontvankelijk. Hoewel klager een beroep doet op schending van fundamentele rechtsbeginselen, heeft wat klager ter onderbouwing daarvan aanvoert naar het oordeel van het hof geen betrekking op een dergelijke schending, maar ziet dat op de behandeling van de onderliggende klachtzaak tegen de deken. Klager wil in feite een herbeoordeling van de onderliggende klachtzaak. Dat levert naar vaste jurisprudentie geen grond op voor het aannemen van schending van fundamentele rechtsbeginselen en daarmee voor doorbreking van het appelverbod. 

Beslissing van 18 september 2026
in de zaak 260169

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klager

gemachtigde: [naam gemachtigde]

tegen:

mr. F.A. ten Berge
advocaat en deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland

de deken 


1    DE PROCEDURE 

Bij de Raad van Discipline

1.1     Het hof verwijst naar de beslissing van 15 oktober 2025 (met zaaknummer 25-570/DH/RO) van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad). In deze beslissing is de klacht van klager over verweerster, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaard (hierna: de voorzittersbeslissing). Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:200 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

1.2    Klager heeft tegen deze beslissing verzet ingesteld. Bij beslissing van 6 april 2026 heeft de raad het verzet van klager ongegrond verklaard (hierna: de beslissing op verzet). De beslissing op verzet is onder ECLI:NL:TADRSGR:2026:75 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het Hof van Discipline

1.3    Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 24 april 2026 ontvangen door de griffie van het hof. 

1.4    Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- een e-mail van de gemachtigde van klager van 10 april 2026, waarin de gemachtigde van klager het hof heeft verzocht de beroepstermijn te doen laten ingaan na datum van ontvangst van een afschrift van het proces-verbaal van de zitting bij de raad;
- een e-mail van de gemachtigde van klager van 11 april 2026;
- een e-mail van het hof aan de gemachtigde van klager van 22 april 2026, waarbij aan de gemachtigde is meegedeeld dat hoger beroep kan worden ingesteld tot uiterlijk dertig dagen na verzending van de beslissing bij met redenen omklede memorie en dat uitstel van die termijn niet mogelijk is;
- een e-mail van de gemachtigde van klager van 22 april 2026;
- een e-mail van het hof aan de gemachtigde van klager van 28 april 2026, waarin is meegedeeld dat het proces-verbaal van de zitting bij de raad kan worden opgevraagd bij de raad en dat de omstandigheid dat het proces-verbaal door de raad nog niet is verstrekt geen reden is voor uitstel van de appeltermijn.
- een e-mail van de gemachtigde van klager van 6 mei 2026;
- een e-mail van het hof aan de gemachtigde van klager van 6 mei 2026, waarbij aan de gemachtigde is doorgegeven dat door de griffie van het hof navraag is gedaan bij de raad en dat de gemachtigde op korte termijn bericht van de raad zou ontvangen over het proces-verbaal.
  
1.5    Het hof heeft de zaak op basis van de stukken schriftelijk beslist. 

1.6    Nadat aan klager bij brief van 21 mei 2026 de ontvangst van het hoger beroep was bevestigd en aan klager was meegedeeld dat het hof eerst op basis van de schriftelijke stukken zou beoordelen of het hoger beroep, gelet op het appelverbod, in behandeling kan worden genomen, alsmede de samenstelling van de behandelend kamer en de uitspraakdatum waren doorgegeven, heeft klager op 26 mei 2026 een wrakingsverzoek ingediend gericht tegen mrs. Streefkerk en Wolting. 

1.7    De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek bij beslissing van 17 augustus 2026 ongegrond verklaard en bepaald dat de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.


2    BEROEPSGRONDEN EN ONTVANKELIJKHEID

2.1    Uit het beroepschrift blijkt dat het hoger beroep van klager is gericht tegen zowel de voorzittersbeslissing, als tegen de beslissing op verzet. Zoals ook onderaan de voorzittersbeslissing staat vermeld, staat tegen die beslissing op grond van artikel 46j (lid 4) jo. artikel 46h Advocatenwet alleen het rechtsmiddel van verzet open. Tegen de voorzittersbeslissing kan geen hoger beroep worden ingesteld. In zoverre is het hoger beroep dan ook zonder meer niet-ontvankelijk. Het hof gaat hierna eerst in op de beroepsgronden die zien op de beslissing op verzet, en daarna komt het hof toe aan de beoordeling van de ontvankelijkheid van het tegen de beslissing op verzet ingestelde hoger beroep. 

2.2    Ten aanzien van de beslissing op verzet voert klager het volgende aan. Klager stelt dat de beslissing niet tot stand is gekomen overeenkomstig de fundamentele rechtsbeginselen zoals  - onder meer - vervat in de Nederlandse Grondwet en de door Nederland geratificeerde verdragen EVRM, IVBPR, alsmede het Verdrag vanTromsø en het Handvest. Klager voert daarnaast andere beroepsgronden aan die volgens klager tot doorbreking van het appelverbod dienen te leiden. Daarbij wijst klager er allereerst op dat het op de weg van de raad had gelegen om de rechtsgronden aan te vullen dan wel een ambtshalve toetsing te verrichten, gelet op de gezondheidssituatie van klager die zowel bij de deken Midden-Nederland als bij de deken Rotterdam bekend was en op grond waarvan volgens klager - naar het hof begrijpt - voor de raad een verplichting was ontstaan om gevolgen te verbinden aan de door klager gestelde schending van de waarheidsplicht door de deken. Verder stelt klager dat de beslissing op verzet niet in het openbaar is uitgesproken, waardoor er sprake is van geheime rechtspraak. Daarmee wordt volgens klager verbloemd dat de deken voorbij is gegaan aan het feit dat klager volledig en loyaal heeft meegewerkt aan het onderzoek door de deken en haar medewerkers. Daarnaast heeft de deken volgens klager niet alle relevante stukken in het geding gebracht en dat ook toegegeven, waardoor de beslissing op verzet op onjuiste en onvolledige feiten is gebaseerd, en zijn verder prangende vragen van klager om broncodes van het door de deken en het dekenberaad gebruikte ICT- softwaresysteem Amadeus onbeantwoord gebleven. In het beroepschrift heeft klager vervolgens een aantal grieven geformuleerd, die                    - samengevat – inhouden dat de klacht in de beslissing op verzet onvolledig is weergegeven en voorts dat de rechtsoverwegingen 1.6, 1.7, 4.1, 4.2, 4.3 en 4.4 uit de beslissing op verzet onjuist en/of onvolledig en/of onbegrijpelijk zijn. De raad heeft volgens klager een onjuiste maatstaf toegepast. Op grond van het vorenstaande moet het appelverbod volgens klager worden doorbroken en dient het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te worden verklaard. Bovendien heeft klager het hof verzocht prejudiciële vragen te stellen op grond van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU), omdat beantwoording daarvan volgens klager van belang is voor de beslissing in hoger beroep. 


3    BEOORDELING

3.1    Artikel 46h Advocatenwet maakt verzet mogelijk tegen een voorzittersbeslissing zoals in deze zaak. Op grond van lid 7 van dit artikel staat tegen de beslissing op verzet geen rechtsmiddel open. Dat betekent dat geen hoger beroep mogelijk is tegen een beslissing van de raad waarbij het verzet ongegrond is verklaard. Er geldt een zogenoemd appelverbod. Er kan een uitzondering op deze regel worden gemaakt, als de procedure bij de raad geen eerlijk proces betrof doordat bij de behandeling van het verzet door de raad een fundamenteel rechtsbeginsel (zoals het recht op hoor en wederhoor) is geschonden. Het appelverbod kan dan worden doorbroken. Het hof zal onderzoeken of daarvan in deze zaak sprake kan zijn.

3.2    Hoewel (de gemachtigde van) klager een beroep doet op schending van fundamentele rechtsbeginselen, heeft wat klager ter onderbouwing daarvan aanvoert naar het oordeel van het hof geen betrekking op een dergelijke schending, maar ziet dat op de behandeling van de onderliggende klachtzaak tegen de deken. Uit het beroepschrift blijkt dat klager het oneens is met de voorzittersbeslissing van de raad en dat hij in feite een herbeoordeling van de onderliggende klachtzaak wil. Dat levert naar vaste jurisprudentie geen grond op voor het aannemen van schending van fundamentele rechtsbeginselen en daarmee voor doorbreking van het appelverbod. Het hof is op basis van het voorliggende dossier van oordeel dat ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken, waaruit zou volgen dat de raad bij de behandeling van het verzet een fundamenteel rechtsbeginsel heeft geschonden, waardoor de raad de zaak niet eerlijk en onpartijdig zou hebben behandeld. 

3.3    Ten aanzien van het verzoek van klager om prejudiciële vragen te stellen op grond van artikel 267 VWEU, ziet het hof - net als de raad – daartoe geen aanleiding, omdat er geen rechtsvraag voorligt die uitleg van het Unierecht vereist in de zin van dit artikel. 

3.4    Het hof concludeert dat het appelverbod niet kan worden doorbroken.

4    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het hoger beroep van klager niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. V. Wolting en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 18 september 2026.