ECLI:NL:TAHVD:2026:296 Hof van Discipline 's Gravenhage 260112V
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:296 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-09-2026 |
| Datum publicatie: | 18-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260112V |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet tegen niet-verwijzing. Ongegrond. Klaagster heeft de mogelijkheid gehad om bij de raad haar standpunt over het handelen van de deken naar voren te brengen. Deze mogelijkheid is door klaagster echter niet benut, doordat zij er kennelijk voor heeft gekozen het griffierecht niet te betalen. Klaagster kan nu niet alsnog haar bezwaren over het handelen van de deken aan de orde kan stellen door middel van een klacht over de deken. Daar is het klachtrecht niet voor bedoeld. |
Beslissing van 18 september 2026
in de zaak 260112V
naar aanleiding van het verzet
tegen de beslissing van de voorzitter van het hof
van 7 mei 2026 in de klacht van:
klaagster
over:
mr. E.J.M. van Rijckevorsel-Teeuwen
advocaat en deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam
de deken
1 DE PROCEDURE
1.1 Met de beslissing van 7 mei 2026 heeft de voorzitter van het hof het verzoek van klaagster tot verwijzing van de klacht over de deken afgewezen. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TAHVD:2026:142 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
1.2 Het verzet van klaagster tegen de beslissing van de voorzitter is op eveneens 7 mei 2026 ontvangen door de griffie van het hof. Behalve het verzetschrift bevat het dossier de stukken die in verband met het verwijzingsverzoek aan het hof zijn verstrekt. Het dossier bevat daarnaast:
- het verweerschrift van de deken van 22 juni 2026;
- de repliek van klaagster van 24 juni 2026;
- de dupliek van de deken van 3 juli 2026.
1.3 Het hof heeft het verzet behandeld in raadkamer.
2 HET VERZET
De gronden van verzet
2.1 Klaagster heeft aan het verzet het volgende ten grondslag gelegd - samengevat
en zakelijk weergegeven -:
- artikel 46c lid 5 Advocatenwet is geschonden, aangezien de wet geen ruimte laat
voor afwijzing;
- de deken heeft het ne bis in idem-beginsel onjuist toegepast;
- de deken verwaarloost de wettelijke taak van de deken door zonder gegronde redenen
onderzoek te weigeren en hiervoor diverse malen om betaling van het griffierecht te
verzoeken;
- de eis van de deken tot betaling van het griffierecht is in strijd met het recht
op een eerlijke procedure als niet eerst een deugdelijk dekenaal onderzoek is verricht;
- als klaagster het griffierecht wel betaalt, kan de klacht van klaagster zonder
bewijs van onderzoek door de tuchtrechter worden afgewezen en derhalve zonder dat
de tuchtrechter zich heeft kunnen vergewissen van de werkelijke feiten. Dat is in
strijd met de goede procesorde;
- het blokkeren van de toegang tot een onafhankelijke rechter is een fundamentele
schending van het recht op een eerlijk proces;
- er is sprake van een concreet aanwijsbare procedurele tekortkoming van de deken
en klaagster verzoekt om toetsing daarvan;
- er is sprake van schending van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten
van de EU.
2.2 In repliek beschuldigt klaagster de deken van liegen, het verdraaien van feiten en het achterhouden van bewijsmateriaal in deze procedure, alsmede van strafbare feiten.
Het verweer
2.3 De deken heeft het hof verzocht het verzet van klaagster ongegrond te verklaren.
De deken stelt zich op het standpunt dat het hof het verzoek van klaagster op juiste
gronden heeft afgewezen, omdat er geen sprake is geweest van een weigering door de
deken om onderzoek te doen naar de klacht van klaagster. In het verweerschrift heeft
de deken hierover uitgelegd dat de klacht die klaagster over haar heeft ingediend
rechtstreeks verband houdt met een al in december 2022 door haar tegen een advocaat
van het UWV ingediende klacht. Die klacht is door de voorzitter van de Raad van Discipline
in het ressort Amsterdam bij beslissing van 17 april 2023 kennelijk ongegrond verklaard,
waarna het door klaagster tegen die beslissing ingestelde verzet bij beslissing van
voornoemde Raad van Discipline van 11 december 2023 ongegrond is verklaard. Het tegen
die beslissing door klaagster ingestelde hoger beroep is bij beslissing van het hof
van 16 februari 2024 niet-ontvankelijk verklaard. Op 18 februari 2026 heeft klaagster
opnieuw een klacht over de betreffende advocaat van het UWV ingediend. De deken heeft
klaagster in reactie op die klacht medegedeeld dat hoogstwaarschijnlijk het ne bis
in idem-beginsel van toepassing zou zijn vanwege het verband met de eerder ingediende
klacht. Daarbij heeft de deken klaagster gewezen op de vervaltermijn van artikel 46g
Advocatenwet waarbinnen een klacht over een advocaat kan worden ingediend. Gelet daarop
heeft de deken klaagster in overweging gegeven haar klacht niet door te zetten. Klaagster
wenste haar klacht echter te handhaven. Klaagster is daarom in de gelegenheid gesteld
om het griffierecht ex artikel 46e Advocatenwet te voldoen, waarna de deken de raad
zou verzoeken om te beoordelen of klaagster ontvankelijk was in haar klacht. In het
geval dat de raad tot het oordeel zou komen dat klaagster ontvankelijk was in haar
klacht, zou de klacht (kunnen) worden teruggewezen naar de deken om inhoudelijk onderzoek
te verrichten. In het geval de raad tot het oordeel zou komen dat klaagster niet-ontvankelijk
was in haar klacht (in verband met het ne bis in idem-beginsel, althans het verstrijken
van de vervaltermijn) dan zou de deken geen inhoudelijk onderzoek naar de klacht verrichten.
Doordat klaagster het griffierecht niet heeft betaald, is de klacht echter niet ter
kennis van de raad gebracht.
2.4 In dupliek heeft de deken haar standpunt gehandhaafd en verwezen naar het verweerschrift.
3 BEOORDELING
Verzet mogelijk?
3.1 De beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is ingesteld, ziet
op de situatie als bedoeld in artikel 46c lid 5 Advocatenwet. In dit artikel is bepaald
dat de voorzitter klachten over dekens verwijst naar een deken van een andere orde
om de klacht te laten onderzoeken en af te handelen.
3.2 De wet voorziet niet in de mogelijkheid van afwijzing van het verzoek en ook niet in een bijbehorend rechtsmiddel tegen die afwijzing. Het hof is echter van oordeel dat verzet mogelijk moet zijn als de voorzitter het verwijzingsverzoek afwijst. Om die reden heeft het hof de mogelijkheid van verzet tegen afgewezen verwijzingsverzoeken vastgelegd in artikel 13 van het procesreglement.
Maatstaf
3.3 Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of
de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de
voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
Beoordeling van het onderhavige verzet
3.4 Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot
een andere beoordeling van de klacht te komen dan de voorzitter. Het hof sluit zich
aan bij de beoordeling van de voorzitter en neemt die over. Klaagster heeft de mogelijkheid
gehad om bij de raad haar standpunt over het handelen van de deken naar voren te brengen.
Zoals ook door de voorzitter in de voorzittersbeslissing is overwogen, heeft de deken
daarbij voor wat betreft de heffing van het griffierecht in overeenstemming met de
Advocatenwet gehandeld. De raad had dan ook een oordeel over de ontvankelijkheid van
de klacht van klaagster over de advocaat van het UWV kunnen geven, afhankelijk van
welk oordeel de deken alsnog een inhoudelijk onderzoek naar de klacht had kunnen verrichten.
Deze mogelijkheid is door klaagster echter niet benut, doordat zij er kennelijk voor
heeft gekozen het griffierecht niet te betalen. Klaagster kan nu niet alsnog haar
bezwaren over het handelen van de deken aan de orde kan stellen door middel van een
klacht over de deken. Daar is het klachtrecht niet voor bedoeld. Wat in verzet overigens
verder nog naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. Het hof verklaart
daarom het verzet van klaagster ongegrond.
4 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
verklaart het verzet ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. V. Wolting
en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 18 september 2026.