ECLI:NL:TAHVD:2026:295 Hof van Discipline 's Gravenhage 260242

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:295
Datum uitspraak: 18-09-2026
Datum publicatie: 18-09-2026
Zaaknummer(s): 260242
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet. Ongegrond. De medisch tuchtrechtelijke procedure waarvoor klager bijstand van een advocaat wenst, is een procedure waarvoor bijstand door een advocaat niet verplicht is. De mogelijkheid die artikel 13 Advocatenwet biedt om een advocaat aangewezen te krijgen, is in beginsel beperkt tot zaken, waarin de bijstand door een advocaat verplicht is gesteld. Die situatie doet zich hier niet voor. De wenselijkheid om over een advocaat te beschikken, is niet het wettelijke criterium om voor toewijzing van een advocaat in aanmerking te komen. De deken hoefde in de afwijzingsbeslissing dan ook niet nader op de persoonlijke omstandigheden van klager in te gaan.


Beslissing van 18 september 2026
 
in de zaak 260242

    
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
    
 

klager
    
tegen:
    
mr. I. Aardoom-Fuchs
advocaat en deken van de Orde van Advocaten 
in het arrondissement Den Haag 

de deken

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken
1.1    Klager heeft op 18 juni 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. Klager verzoekt om aanwijzing van een advocaat voor het voeren van een procedure bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Den Haag (hierna: CTG). 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 19 juni 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat voor het voeren van een tuchtprocedure bij het CTG bijstand van een advocaat niet verplicht is, op grond waarvan de deken niet bevoegd is een advocaat aan te wijzen om klager daarbij bij te staan. 

Bij het hof
1.3    Klager heeft op 22 juni 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). 

1.4    Verder bevat het dossier:
-    een e-mail van klager van 23 juni 2026, met bijlage;
-    het verweer van de deken van 7 juli 2026, met bijlage;
-    de repliek van klager van 16 juli 2026;
-    de dupliek van de deken van 22 juli 2026.

1.5    Het hof heeft een beslissing genomen op basis van de schriftelijke stukken uit het dossier. 


2    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag
2.1    Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen, op grond van het volgende:
1)    de noodzaak van vertegenwoordiging door een advocaat in de zin van artikel 13 Advocatenwet dient niet uitsluitend abstract (op basis van procedurele regels van het gerecht), te worden getoetst, maar in concreto. Hoewel de procedure bij het CTG formeel in persoon mag worden gevoerd, maken de individuele omstandigheden van klager dat bijstand van een advocaat wezenlijk noodzakelijk is om de toegang tot het recht te garanderen. Klager wijst in dat verband onder meer op de taalbarrière omdat hij geen Nederlands spreekt, zijn psychische kwetsbaarheid en de juridische complexiteit van zijn zaak.   
2)    de afwijzing is in strijd met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU, omdat de weigering van de deken klager als kwetsbare, anderstalige vluchteling van daadwerkelijke toegang tot de rechter berooft;
3)    de afwijzing is ook in strijd met artikel 6 EVRM en artikel 18 van de Grondwet, omdat de weigering van de deken klager ontneemt van zijn grondwettelijke garantie op een eerlijk proces en ‘equality of arms’. 
4)    de afwijzing door de deken is willekeurig, onvoldoende gemotiveerd en berust niet op een gegronde reden, omdat de deken klagers persoonlijke omstandigheden en de fundamentele rechtsbeginselen niet in zijn afwegingen heeft betrokken. 

Daarnaast wijst klager erop dat hij zonder toevoeging van een advocaat geen aanspraak kan maken op een door de Raad voor Rechtsbijstand vergoede tolk, waardoor zijn toegang tot de rechter volledig wordt afgesloten, nu het CTG heeft geweigerd zelf een tolk aan klager ter beschikking te stellen. Aanwijzing van een advocaat door de deken op grond van artikel 13 Advocatenwet is daarmee naar klager stelt de enige waarborg om een oneerlijk proces bij het CTG te voorkomen.  

Klager verzoekt het hof zijn beklag gegrond te verklaren, de beslissing van de deken te vernietigen en zelfstandig te voorzien in de aanwijzing van een advocaat om klager bij te staan in de procedure bij het CTG. 

Verweer
2.2    Het standpunt van de deken is dat het verzoek van klager terecht, op gegronde redenen, is afgewezen, omdat klager om aanwijzing van een advocaat verzoekt in een medische tuchtprocedure waarin bijstand van een advocaat niet verplicht is. De deken wijst erop dat klagers persoonlijke omstandigheden vallen te betreuren, maar dat die omstandigheden niet maken dat de deken op grond daarvan verplicht is een advocaat aan te wijzen, of te motiveren waarom die omstandigheden niet tot aanwijzing van een advocaat hebben geleid. Verder heeft de deken geschreven dat het systeem van artikel 13 Advocatenwet niet strijdig is met de door klager aangehaalde verdragsrechtelijke artikelen, en dat het hof niet bevoegd is de Advocatenwet aan de Grondwet te toetsen. De deken concludeert op grond hiervan tot afwijzing van het beklag. 
    


3    BEOORDELING

Toetsingskader

3.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft. 

Ten aanzien van het onderhavige beklag

3.2    Wat klager in deze beklagprocedure naar voren heeft gebracht, brengt het hof niet tot het oordeel dat voor klager alsnog een advocaat moet worden aangewezen. De medisch tuchtrechtelijke procedure waarvoor klager bijstand van een advocaat wenst, is immers een procedure waarvoor bijstand door een advocaat niet verplicht is. De mogelijkheid die artikel 13 Advocatenwet biedt om een advocaat aangewezen te krijgen, is in beginsel beperkt tot zaken, waarin de bijstand door een advocaat verplicht is gesteld. Die situatie doet zich hier niet voor. 

3.3    Dat neemt niet weg dat bijstand door een advocaat in klagers zaak (dringend) gewenst zou kunnen zijn. Klager doet in dat verband een beroep op zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder de taalbarrière die hij ervaart. Echter, dat betekent niet dat rechtsbijstand langs de weg van artikel 13 Advocatenwet zou moeten worden geboden. De wenselijkheid om over een advocaat te beschikken, is namelijk niet het wettelijke criterium om voor toewijzing van een advocaat in aanmerking te komen. De deken hoefde in de beslissing van 19 juni 2026 dan ook niet nader op de persoonlijke omstandigheden van klager in te gaan. De beslissing van de deken is naar het oordeel van het hof voldoende gemotiveerd.

3.4      Het hof overweegt verder nog dat het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op toegang tot een rechter niet absoluut is, maar aan verschillende beperkingen mag worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen het recht op toegang tot de rechter niet in essentie aantasten, maar moeten een gerechtvaardigd doel dienen en moeten proportioneel zijn aan dat doel. Het Nederlandse wettelijk systeem is daarmee niet in strijd (vgl. ABRvS 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1243 en HvD 20 maart 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:52). Dit systeem levert ook geen schending van enige andere verdragsbepaling op (zie HvD 8 mei 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:79). Ook in dit geval komt de beslissing van de deken naar het oordeel van het hof niet in strijd met artikel 6 EVRM omdat, ook wanneer rechtsbijstand noodzakelijk is om het recht op toegang tot de rechter effectief te doen zijn, de aanspraak daarop niet onbegrensd is.

3.5    De deken heeft het verzoek van klager tot aanwijzing van een advocaat naar het oordeel van het hof terecht afgewezen. Het beklag slaagt dan ook niet en wordt door het hof ongegrond verklaard.


4    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 19 juni 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. J.D.  Streefkerk, voorzitter, mrs. V. Wolting en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026.

griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 18 september 2026.