ECLI:NL:TAHVD:2026:294 Hof van Discipline 's Gravenhage 250013

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:294
Datum uitspraak: 11-09-2026
Datum publicatie: 11-09-2026
Zaaknummer(s): 250013
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klaagster heeft een klacht ingediend over de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijke procedure. De klacht is door de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) gedeeltelijk gegrond verklaard. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad op twee klachtonderdelen. De eigen overtuigingen van verweerster in haar processtukken over het gedrag van klaagster missen een objectief verifieerbare onderbouwing. Verweerster had daarom terughoudender behoren te zijn in de stelligheid van haar uitlatingen door duidelijk(er) aan te geven dat wat zij naar voren bracht de mening/visie van haar cliënt was in plaats van die stellingen te poneren als feiten. Het hof is verder van oordeel dat verweerster onvoldoende professionele distantie heeft betracht en met haar cliënt is gaan meeprocederen. Verweerster gaf naast het standpunt van haar cliënt namelijk ook haar eigen visie op de zaak en zij steunde expliciet het standpunt van haar cliënt. Verweerster heeft daarmee in strijd gehandeld met de kernwaarde onafhankelijkheid. Het hof heeft de maatregel verzwaard door het opleggen van een berisping.

Beslissing van 11 september 2026

in de zaak 250013

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerster

gemachtigde: mr. M. Boender-Radder, advocaat te Rotterdam

tegen:

klaagster

1. INLEIDING

1.1 Klaagster heeft een klacht ingediend over de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijke procedure. De klacht is door de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) gedeeltelijk gegrond verklaard. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad op twee klachtonderdelen. De eigen overtuigingen van verweerster in haar processtukken over het gedrag van klaagster missen een objectief verifieerbare onderbouwing. Verweerster had daarom terughoudender behoren te zijn in de stelligheid van haar uitlatingen door duidelijk(er) aan te geven dat wat zij naar voren bracht de mening/visie van haar cliënt was in plaats van die stellingen te poneren als feiten. Het hof is verder van oordeel dat verweerster onvoldoende professionele distantie heeft betracht en met haar cliënt is gaan meeprocederen. Verweerster gaf naast het standpunt van haar cliënt namelijk ook haar eigen visie op de zaak en zij steunde expliciet het standpunt van haar cliënt. Verweerster heeft daarmee in strijd gehandeld met de kernwaarde onafhankelijkheid. Het hof heeft de maatregel verzwaard door het opleggen van een berisping.

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerster in beroep is gekomen en hoe het hof tot zijn oordeel is gekomen.   

2 DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline

2.1 De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerster (zaaknummer: 24-454/AL/MN) een beslissing genomen op 9 december 2024. In deze beslissing zijn de klachtonderdelen a), c) en d) gegrond verklaard en is klachtonderdeel b) ongegrond verklaard. Aan verweerster is de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Verder is verweerster veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2024:303 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3 Het beroepschrift (inclusief bijlagen) van verweerster tegen de beslissing is op 9 januari 2025 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:

  • de stukken van de raad;
  • het verweerschrift van klaagster;
  • aanvullende stukken van verweerster van 26 mei 2026.

2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 5 juni 2026. Daar zijn klaagster en verweerster met haar gemachtigde verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

3 FEITEN

3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2 Klaagster is met haar ex-partner verwikkeld in een aantal gerechtelijke procedures over een zorgregeling en een ondertoezichtstelling (hierna: ots) ten aanzien van hun dochter (hierna: de dochter). Verweerster staat de ex-partner van klaagster hierin bij.

3.3 Op 17 september 2020 heeft verweerster namens haar cliënt bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) een aanvullend verweerschrift met zelfstandige verzoeken ingediend tegen een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming. Daarin heeft verweerster onder meer het volgende vermeld:

‘22. Hét bewijs voor het feit dat moeder juist niet neutraal is, (…) levert moeder zelf aan in de vorm van de bijlage genaamd ‘aanvullende informatie van moeder ipv persoonlijk gesprek’ (…). Het zeven pagina’s tellende document staat werkelijk bol van de directe, maar veelal ook indirecte aantijgingen tegen vader. Het document is tevens zeer manipulatief opgesteld. Het wemelt van de suggestieve insinuaties.’

en

Het gebruik van suggestie als communicatietechniek

23. (…) Suggestie heeft tot doel om mensen te sturen in hun gedachten. Mensen krijgen ook vaak een beetje unheimisch’ gevoel bij mensen die suggestie gebruiken als communicatietechniek.

(…)

24. Moeder gebruikt deze techniek bijna continue, zoals blijkt uit voornoemd document, maar ook uit andere communicatie van moeder.

(…)

25. (…) Ook uit productie 17 van moeder (…) blijkt dat moeder telkens weer suggestief en daardoor manipulatief communiceert.

(…)

27. Ik geef u tevens mee dat ik, in al mijn jaren als familierechtadvocaat, nog nooit een ouder zo vaak de woorden ‘Neutraal Ouderschap’ als in dit dossier in de mond heb zien nemen. Ook niet cumulatief alle partijen bij elkaar opgesteld. Ik ga er zomaar vanuit dat dit de rechtbank ook al is opgevallen (…).

(…)

38. [De dochter] vindt het hartstikke leuk bij vader en wil soms niet terug naar moeder. Ze vraagt ook regelmatig waarom ze niet vaker bij vader mag zijn.

(…)

44. (…) Moeder gooit het de laatste tijd over een andere boeg, namelijk dat zij (de dochter) allerlei negatieve opmerkingen bij derden laat maken over vader. Moeder merkt dat derden (zo ook de Raad) vooral aanslaan wanneer (de dochter) vertelt dat vader negatief over moeder zou praten tegenover (de dochter). Moeder is verre van helpend als het gaat om een betere relatie tussen vader en dochter.

(…)

47. (…) Hieruit blijkt de onwelwillendheid van moeder om vader zijn tijd met [de dochter] te gunnen.

(…)

49. De enige juiste conclusie van de Raad had hier moeten zijn dat moeder vader bewust en expliciet, direct en indirect, bij derden, professionals, zijn kinderen, zijn voormalige relaties en iedereen die het maar horen wil diskwalificeert.

(…)

50. Moeder indoctrineert [de dochter] door wanneer zij naar vader gaat, invloed op haar te willen blijven uitoefenen. Zij gebruikt hierbij wederom de techniek van suggestie: (...)

(…)

51. Moeder geeft [de dochter] hiermee bewust de boodschap dat zij haar nodig heeft en dat [de dochter] niet zonder haar kan. Door haar (indringende) ‘veiligheidsrituelen’ mee te geven, krijgt [de dochter] (on)bewust de boodschap mee dat het niet veilig is bij haar vader. Moeder brengt haar hiermee schade toe.

(…)

52. Moeder is ook in haar (video)belafspraken met [de dochter] tijdens de omgang met vader zeer suggestief. Zij stelt op die momenten suggestieve en overbezorgde vragen, waardoor [de dochter] overstuur raakt:

(…)

53. Er zijn nog vele voorbeelden te nomen, maar dit is een greep uit hoe moeder met [de dochter] communiceert als ze bij vader is. Moeder verliest het belang van [de dochter] volledig uit het oog en [de dochter] is erg overstuur als ze ophangt.

(…)

54. De conclusie hier moet natuurlijk zijn dat moeder per direct met haar indoctrinatie van [de dochter] moet stoppen. De Raad en ook de andere hulpverleners zijn op de hoogte van het gegeven dat moeder dit doet, maar zeggen hier inhoudelijk niets over. Als professionals moeder niet stoppen in dit schadelijke gedrag, gaat moeder door en zal [de dochter] onomkeerbaar beschadigd raken.

(…)

58. (…) [De dochter] is nog maar zes jaar oud en kan het complexe denken dat bij deze opstelling hoort niet zelf bedenken. Ondergetekende heeft een aantal (jeugd)professionals benaderd en deze geven aan de opstelling te herkennen als een methodiek uit de integratieve kindertherapie die gebruikt wordt om getraumatiseerde kinderen trauma’s een plek te leren geven.

Voor vader (en ondergetekende) is het volstrekt duidelijk dat moeder dit gedrag heeft aangeleerd bij [de dochter]. Zij is zelf (kinder)psychotherapeut. (…)

(…)

61. Ondergetekende heeft nog nooit gehoord dat een zes (!) jarig meisje zelfstandig iets over haar zorgregeling meldt bij een raadsonderzoeker.

(…)

92. Moeder saboteert consequent de mogelijkheid van vakantie van [de dochter] met haar vader.

(…)

114. Vader meent dat het dossier alle kenmerken vertoont van (beginnend) pathogeen ouderschap en dat moeder [de dochter] actief weg probeert te houden van vader. Deze ouderonthechting, ook wel oudervervreemding genoemd, wordt door de Raad niet herkend.

(…)

116. Vastgesteld kan worden dat vader een normaal functionerende ouder is die [de dochter] geen pijn doet.

Niet authentiek conflict

117. Een van de indicatoren dat er sprake is van oudervervreemding is dat het kind een ‘waangeloof’ heeft dat het steeds herhaalt (in dit geval: papa zegt nare dingen over mama). Door een onecht drama te creëren ontstaat de volgende familiedynamiek: mishandelende ouder – mishandeld kind – beschermende ouder. Het afwijzen van een ouder gebeurd door de verstotende ouder vaak niet zozeer door woorden als wel door het tonen van afkeer en afschuw over de andere ouder aan het kind.

118. Eerst wordt er voor gezorgd dat een kind de ‘regulerende ander’ wordt, dat wil zeggen dat het kind de verantwoordelijke rol aanneemt. Het kind wordt hiertoe verleid. Bijvoorbeeld: ‘ik mis je zo, mis je mij ook?’ (Moeder doet dit bij voortduring). Geen enkel kind wil dat een ouder hem/haar mist en wil dit gemis opvullen. Gevolg is dat een kind gaat parentificeren. [De dochter] gaat zich verantwoordelijk voelen voor bijvoorbeeld de zorgregeling.

(…)

Transgenerationeel verbond

120. [De dochter] en moeder zitten samen in een verbond tegen vader. Het gedrag van [de dochter] wordt in hoge mate gevoed door de moeder. (…) Dit past allemaal in het verbond dat ze met moeder heeft gesloten.

121. Het kenmerk dat bij dit gedrag hoort wordt vaak beschreven als dat het kind binnen het gezin op onnatuurlijke wijze op de hiërarchie-ladder is gestegen. Moeder benoemt dit ook: [de dochter] mag bepalen wat er in een overdrachtsmail komt te staan richting vader, [de dochter] bekritiseert vader op onnatuurlijke wijze met bewoordingen die niet de hare zijn, moeder laat [de dochter] de positie innemen waarbij zij vader openlijk tegenover derden kan bekritiseren en waarbij [de dochter] een onnatuurlijke positie inneemt ten opzichte van haar vader. Zij stimuleert [de dochter] daar ook in.’

3.4  De rechtbank Amsterdam heeft een verzochte ots afgewezen en een zorgverdeling vastgesteld. Klaagster heeft hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Amsterdam (hierna: het gerechtshof) heeft bepaald dat het hoger beroep inhoudelijk zou worden behandeld op 23 juli 2021.

    1. Op 6 april 2021 heeft verweerster namens haar cliënt bij het gerechtshof een verweerschrift hoger beroep tevens incidenteel appel ingediend. In het verweerschrift heeft verweerster het volgende opgenomen:

‘14. (…) Vader heeft in een omvang document getracht inzicht te geven in waarom het raadsrapport niet zorgvuldig is uitgevoerd. (…) Vandaar dat hij heeft gemeend zelf een analyse te laten maken (…). Ondergetekende is bij die analyse steeds uitgegaan van de in de processtukken (door haar zelf) gedocumenteerde uitspraken van moeder, [de dochter] en (professionele) derden. Ik heb tevens waar mogelijk de beschikkingen en vonnissen die de rechtbank inmiddels had gewezen betrokken. (…)

15. Uit de analyse blijkt dat het raadsonderzoek onvoldoende zorgvuldig is uitgevoerd. (…)

(…)

INCIDENTEEL APPEL

Zorgregeling

(…)

38. Ook het feit dat moeder [de dochter] actief ‘onthecht’ van vader is reden om de zorgregeling te wijzigen en een 50/50 regeling vast te leggen.’

    1. Op 21 juni 2021 heeft verweerster aan het gerechtshof een brief gestuurd over recente ontwikkelingen ter zake van de zorgverdeling en vakantiedagen. Daarin heeft verweerster het volgende vermeld:

‘Mijn cliënt (…) heeft mij verzocht uw gerechtshof te informeren over de voortgang in het hoger beroep dat voorligt. (…) Het dossier laat zien hoe een meisje van zeven jaar in de verdrukking komt als niemand het voor haar opneemt en niemand iets benoemt. Als ervaren professional raakt het mij diep een brief als deze te moeten schrijven.

(…)

Moeder zal deze brief ongetwijfeld aangrijpen om aan te tonen dat [de dochter] het niet fijn heeft bij vader, maar niks is minder waar. [De dochter] en vader hebben een prima relatie. Het is echter, zoals u weet, van groot belang dat ouders elkaar ruimte gunnen in het leven van een kind. [De dochter] krijgt deze ruimte niet van moeder. Sterker nog, [de dochter] zit volkomen knel tussen de wensen van haar moeder en de liefde die ze van nature voor haar vader voelt.

(…)

Niemand zei ronduit dat moeder moest stoppen. En zo duurt het tot de dag van vandaag voort. Wanneer iemand eerlijk was geweest over wat ze zagen was het voor [de dochter] misschien anders gelopen. Wanneer iemand de durf had gehad om in te grijpen.

De vaders en moeders van onthechtte kinderen zijn vaak roependen in een woestijn van angst, ontkenning en ongeloof. We staan erbij en kijken ernaar.’

3.7 Op 21 juli 2021 heeft verweerster bij het gerechtshof een aanvullende grief ingediend voor de mondelinge behandeling op 23 juli 2021 over de omgangsregeling. Van de zitting van 23 juli 2021 is proces-verbaal opgemaakt. In de pleitnota voor deze zitting heeft verweerster het volgende vermeld:

‘[De dochter] mocht van moeder geen plezier hebben bij vader en het gedrag van [de dochter] bij vader werd steeds zorgelijker. De tokens die moeder meegaf om [de dochter] maar aan haar te laten denken zijn van een ernst waarvan ik schrik. Moeder slokt [de dochter] als het ware op als ze bij vader is.’

3.8 Op 12 oktober 2021 heeft het gerechtshof het verzoek tot het door de vader verzochte uitspreken van een ots afgewezen.

3.9 Op 23 oktober 2021 heeft de ex-partner van klaagster een post op LinkedIn gezet die verweerster heeft geliket. De eerste alinea van deze post luidt: ‘Mijn bonusdochtertje is slachtoffer van ouder verstoting. Zonder dat ze dat zelf weet of wellicht ooit zal weten.’ Verder is in deze post de naam van de dochter meerdere keren genoemd.

4 KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in beroep aan de orde, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:

a) verweerster heeft haar onafhankelijkheid in de uitoefening van haar beroep in gevaar gebracht. Het is moeilijk om in de processtukken van verweerster onderscheid te maken tussen haar eigen overtuigingen en die van haar cliënt en tussen feit en mening. Verweerster behoudt onvoldoende professionele distantie, denkt slechts nog vooringenomen vanuit (over-) betrokkenheid en handelt ten koste van de dochter van partijen;

b)  (…)

c) verweerster heeft zich onnodig grievend over klaagster uitgelaten in het aanvullend verweerschrift van 17 september 2020 door daarin een analyse van klaagster als moeder te maken en te stellen dat klaagster de dochter zou indoctrineren en actief zou onthechten van haar vader. Niets uit deze analyse is ooit bevestigd of vastgesteld door derden. De wijze waarop verweerster zich in dit verweerschrift zonder nuancering stellig over haar uitlaat ervaart klaagster als onnodig grievend. Ook het liken door verweerster van de post op LinkedIn van de ex-partner van klaagster van 23 oktober 2021, waarin onder meer de naam van de dochter van partijen en de functie van klaagster zijn vermeld, ervaart klaagster als onnodig grievend en lasterlijk;

d) verweerster heeft feitelijke informatie verstrekt waarvan zij weet, althans behoort te weten, dat deze onjuist is. Verweerster stelt in haar processtukken, waaronder het aanvullend verweerschrift van 17 september 2020, onwaarheden over klaagster en de dochter als feiten zonder daarvoor bewijs aan te leveren en zonder klaagster gesproken te hebben. Dit is grensoverschrijdend en polariserend.

5 BEOORDELING RAAD

Ontvankelijkheid

5.1 De raad heeft geoordeeld dat klaagster in haar klacht over verweerster kan worden ontvangen. Klaagster heeft de onderdelen van haar klacht in haar correspondentie met de deken uitvoerig op een rij gezet en de kern daarvan is voldoende duidelijk: verweerster heeft in de familierechtelijke kwestie tussen klaagster en haar ex-partner polariserend gehandeld. Daarmee is het eigen belang van klaagster bij de klacht ook gegeven.

Inhoudelijke beoordeling

5.2 De raad heeft op grond van het klachtdossier en de ter zitting afgelegde verklaringen geoordeeld dat verweerster als advocaat in de familiekwestie tussen haar cliënt en klaagster zowel in haar uitlatingen over klaagster als moeder als in het gebruik van de informatie afkomstig van haar cliënt de grenzen van het betamelijke heeft overschreden.

5.3 De wijze waarop verweerster zich over klaagster in haar rol als moeder heeft uitgelaten in haar processtukken in relatie tot onthechting en ouderverstoting is escalerend en polariserend in een familierechtelijke kwestie waarin de verhoudingen tussen partijen al niet optimaal zijn. Het gaat de raad hierbij om de suggestieve en aanmatigende toon die verweerster aanslaat in bijvoorbeeld haar brief aan het gerechtshof van 21 juni 2021 (zie de citaten uit deze brief hierboven in 3.6) en haar pleitnota van 23 juli 2021 (zie hierboven in 3.7). Deze toon getuigt van een emotionele betrokkenheid die niet past bij de professionele distantie die van verweerster mag worden verwacht in deze familiekwestie en ten opzichte van haar cliënt. Ook de door verweerster gebruikte bewoordingen en formuleringen die zij in haar processtukken gebruikt om klaagster als moeder te omschrijven (zie de citaten uit deze processtukken hierboven in 3.3 en 3.5) zijn niet alleen onnodig voor het overeenkomen van een omgangsregeling voor haar cliënt met de dochter van partijen, maar dragen ook niet bij aan een oplossing van het geschil dat partijen verdeeld houdt. Bovendien zijn deze door verweerster gekozen teksten naar objectieve maatstaven onnodig grievend.

5.4 Verweerster heeft in haar verweer tegen de klacht en in haar toelichting op zitting aangevoerd dat haar processtukken haar mening zijn en dat het haar taak als advocaat is om de informatie die zij van haar cliënt krijgt te duiden, maar daarbij verliest verweerster uit het oog dat zij daarbij namens haar cliënt optreedt in een familiekwestie waarin de belangen van de dochter meespelen en dat zij een professionele filter behoort toe te passen op de processtukken en de van haar cliënt afkomstige informatie die zij daarvoor gebruikt. Dat heeft verweerster in dit geval onvoldoende gedaan. Verweerster had er niet zonder meer van uit mogen gaan dat de informatie die haar cliënt haar gaf over bijvoorbeeld zijn contact met klaagster juist was en zij had die informatie in ieder geval met een grotere terughoudendheid moeten opschrijven dan zij nu heeft gedaan. Met de citaten uit de processtukken van verweerster, waaronder vooral het verweerschrift van 17 september 2020, heeft verweerster olie op het vuur gegooid en dat past een familierechtadvocaat niet. De raad heeft hierbij specifiek benoemd: -‘actieve onthechting van de dochter’; -een ‘transgenerationeel verbond’; -‘zeer suggestieve communicatie’; -‘zeer manipulatief opgesteld; -‘het wemelt van de suggestieve insinuaties’. De raad heeft daarbij aangetekend dat, zoals klaagster stelt, verweerster niet heeft weersproken dat haar analyse, waarop zij haar aantijgingen jegens klaagster baseert, nimmer door derden is vastgesteld of bevestigd.

5.5 Verder volgt uit de processtukken van verweerster onvoldoende dat verweerster niet haar eigen standpunt, maar dat van haar client verwoordt. Door bijvoorbeeld meerdere keren haar eigen opvattingen te gebruiken – ‘Voor vader (en ondergetekende) is het volstrekt duidelijk dat moeder dit gedrag heeft aangeleerd bij [de dochter]’ en ‘Ondergetekende heeft nog nooit gehoord dat een zes (!) jarig meisje zelfstandig iets over haar zorgregeling meldt bij een raadsonderzoeker.’ en ‘Ook het feit dat moeder [de dochter] actief ‘onthecht’ van vader…’ – en deze als feiten te kwalificeren zonder daar bewijs van over te leggen, geeft verweerster er blijk van dat zij zich niet, dan wel onvoldoende, realiseert dat haar een verregaande mate van terughoudendheid past, juist omdat de belangen van de dochter van partijen een rol spelen. In hetzelfde licht ziet de raad ook de door verweerster gelikete post op LinkedIn van de voormalige partner van haar cliënt, waarin wordt gerefereerd aan het familierechtelijke geschil tussen klaagster en de cliënt van verweerster en waarin ook de naam van de dochter wordt genoemd. Deze post, waarin klaagster impliciet wordt beschuldigd van ouderverstoting, is grievend voor klaagster en door het liken van deze post heeft verweerster zich onvoldoende gerealiseerd dat van haar als familierechtadvocaat een vergaande terughoudendheid mag worden verwacht in haar handelen ten opzichte van de wederpartij dat naar objectieve maatstaven als kwetsend kan worden ervaren.

Maatregel

5.6 Verweerster heeft zich in een familierechtelijk geschil waarbij de belangen van de dochter van partijen meespelen niet gedragen zoals dat van een behoorlijk handelende familierechtadvocaat mag worden verwacht. De aard en ernst van haar gedragingen rechtvaardigen de oplegging van een maatregel. Daarbij weegt de raad mee dat verweerster met onvoldoende professionele distantie in een familierechtzaak heeft opgetreden, terwijl juist van een advocaat in zaken die het familierecht betreffen, en in het bijzonder die waar kinderen bij betrokken zijn, een de-escalerende houding mag worden verwacht. Verder heeft de raad meegewogen  dat verweerster in haar schriftelijke verweer en tijdens de zitting bij de raad weinig tot geen blijk heeft gegeven van enige zelfreflectie op haar handelen. Tot slot heeft de raad er rekening mee gehouden dat aan verweerster niet eerder een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. Op grond van deze omstandigheden heeft de raad aanleiding gezien in dit geval te volstaan met een waarschuwing.

6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerster

Ontvankelijkheid

6.1 Verweerster heeft haar standpunt gehandhaafd dat de klacht vanwege de omvang, de ontbrekende structuur en verwijzingen, de onleesbare screenshots en de onduidelijke bedoeling van de klacht, niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. De pleitnota bij de zitting van de raad op 7 oktober 2024 is eveneens onduidelijk. Het lijkt er volgens verweerster op dat klaagster in het algemeen belang van ouders en kinderen wil klagen. De familierechter en niet de tuchtrechter oordeelt over de vraag of verweerster haar stellingen voldoende onderbouwt en bewijst. Verweerster herhaalt dat ouderverstoting in de juridische context geen fenomeen is dat slechts op basis van wetenschappelijk onderzoek door geautoriseerde deskundigen kan worden vastgesteld. Verweerster wordt (zo stelt zij) door de hele familierechtketen als expert gezien op dit gebied en geeft ook cursussen op dit vlak.

Inleidend

6.2 In algemene zin heeft verweerster het navolgende aangevoerd:

- verweerster heeft de signalen namens haar cliënt opgetekend en zichtbaar gemaakt in duidelijke bewoordingen omdat dat de enige manier is waarop de rechtspraak deze signalen van huiselijk geweld herkent en erkent. De ketenpartners (raad van de kinderbescherming, jeugdzorg) zijn regelmatig onvoldoende geschoold of terughoudend om onderzoek te doen;  

- de rechtbank heeft aanleiding gezien om de zorgregeling voor de vader uit te breiden. De rechtbank  vond hetgeen is aangevoerd genoeg reden om klaagster in het ongelijk te stellen en heeft aandacht voor de benarde positie van de vader;

- om te beoordelen of verweerster zich onnodig grievend uit te laten is de context van het dossier nodig. Daarom dient volgens verweerster het hof kennis te nemen van alle processtukken;

- verweerster verwijst naar een vergelijkbare zaak (ECLI:NL:TAHVD:2020:56.) waarin het hof heeft geoordeeld dat het beschrijven van een proces van ouderverstoting/afwijzing niet onnodig grievend was en dat het de advocaat in die zaak vrij stond om uit gaan van de informatie die de cliënt aan de advocaat verschafte. Het beschrijven van het proces van ouderverstoting was volgens het hof niet de-escalerend maar het stond de advocaat wel vrij omdat de verwoording ervan onderbouwd was;

- volgens verweerster is niet gebleken van onjuiste of ongefundeerde stellingen. Ook is niet gebleken dat deze stellingen tot verdere escalatie hebben geleid. De verhoudingen waren al zeer gespannen voordat verweerster betrokken raakte.

6.3 Meer specifiek heeft verweerster (samengevat) het navolgende aangevoerd:

Ouderverstoting

- onderzoek naar ouderverstoting is in het kader van de juridische context van een complexe echtscheidingszaak niet uitsluitend voorbehouden aan gedrags- of andere wetenschappers. Gedragswetenschappers kunnen het fenomeen vaak niet herkennen of vermijden het te benoemen omdat men bang is voor klachten;

- om de rechter van de noodzaak van een situatie waarin de relatie met de verstoten ouder alle ruimte krijgt te overtuigen, is heldere taal nodig;

- dat de raad [voor de kinderbescherming], de GI’s en rechters in terughoudende bewoordingen benoemen wat er tussen ouders speelt, is volgens verweerster te begrijpen. De advocaat dient het belang van de cliënt en de kinderen te behartigen. Als de advocaat niet in heldere taal mag benoemen wat er volgens de cliënt speelt, blijven de verstoten ouder en het van contact weggehouden kind met lege handen achter;

- indien de gegrondverklaring in stand blijft, worden verweerster en andere advocaten gedwongen in hun processtukken te formuleren op een wijze die niet inzichtelijk maakt waar het in de complexe echtscheidingen precies aan schort. Juist in huiselijk geweldzaken moet het beestje bij de naam worden genoemd. Huiselijk geweld houdt alleen op als het in het licht wordt gezet en wanneer beschermende factoren worden ingebouwd;

- voor 8 van de 10 familierechtelijke zaken geldt de maatstaf dat een advocaat moet waken voor polarisatie en escalatie van de verhoudingen tussen partijen. Bij 20% van de echtscheidingen is sprake van een dusdanig complexe, ongezonde en hardnekkige dynamiek tussen partijen dat strikt handelen volgens de maatstaf niemand verder zal helpen. Verweerster polariseert niet, maar legt dynamieken bloot die anders niet worden gezien of benoemd. Hulpverleners en rechters laten juist door hun terughoudende gedrag schadelijke situaties voor het kind voortbestaan;

- verweerster heeft haar cliënt en zijn relatie met het kind willen beschermen. Verweerster heeft zoveel mogelijk het gedrag van klaagster benoemd en geduid en heeft zich daarbij gebaseerd op hetgeen klaagster zelf schreef of aanleverde en wat derden over haar meldden;

- klaagster was zelf initiatiefneemster van de procedure. Haar eigen advocaat bedient zich ook van duidelijke taal;

- de werkwijze die verweerster hanteert dient een duidelijk en functioneel doel, namelijk dat een jong kind veiliger kan opgroeien. Verweerster roept niet zomaar iets. Het feitenonderzoek dat zij verricht is tevens gericht op hetgeen haar eigen cliënt beweert.

Polariseren en de-escaleren

- het is klaagster die beide procedures heeft geïnitieerd en de cliënt van verweerster ook veel verwijten heeft gemaakt;

- verweerster heeft communicatiewetenschappen gestudeerd en is uit dien hoofde zeer bekend met de in persoonlijke relaties vaak beschadigende communicatietechniek (suggestie). De opmerkingen die hierover zijn gemaakt zijn niet onjuist en ook niet onnodig grievend;

- de rechtbank is vanwege de houding van moeder niet overgegaan tot co-ouderschap, maar heeft wel de zorgregeling uitgebreid;

-beschuldigingen die functioneel kunnen zijn, zijn niet snel onnodig grievend (ECLI:NL:TADRAMS:2018:68);

- verweerster heeft zich op geen enkele wijze grievend uitgelaten jegens klaagster. Zij heeft slechts haar wijze van communiceren en haar ouder-onthechtende gedrag geduid. Dat was functioneel (wat ook blijkt uit het oordeel van de rechtbank);

- klaagster heeft niet kunnen ontkrachten dat zij -met de dochter naar Australië vertrok; -zonder medeweten en toestemming van de vader de dochter van school haalde, zodat vader niet tijdig met haar op skivakantie kon; -niet thuis en onbereikbaar was toen vader de dochter kwam ophalen voor een lang weekend in een vakantiepark; -weigerde mee te werken aan “kinderen in de knel”; en -de school manipuleerde om te doen wat zij wilde. Cliënt heeft op zijn beurt nogal wat onbewezen aantijgingen moeten slikken van klaagster;

- niet klaagster, maar verweerster en haar cliënt hebben uiteindelijk in het belang van de dochter en ten koste van betekenisvol ouderschap van haar vader gede-escaleerd en zich teruggetrokken.

Klachtonderdelen a), c) en d)

6.4 Ten aanzien van de klachtonderdelen a), c) en d) heeft verweerster samengevat het navolgende aangevoerd:

- de raad verwijst niet terug naar de eerder opgenomen citaten. Welke concrete verwijten de raad verweerster per gegrond verklaard klachtonderdeel maakt is niet duidelijk;

- de raad heeft geoordeeld zonder kennis van het volledige dossier, aan de hand van “losse” uit hun context gehaalde citaten. De raad neemt ook ruimere argumenten op dan de door klaagster in haar ingebrachte stukken gearceerde citaten en creëert daarmee zijn eigen aanvullende onderbouwing van de klachten van klaagster.

inhoudelijke oordelen van de raad:

- de raad geeft ten onrechte inhoudelijke oordelen over de zaak. Die taak hoort thuis bij de familierechter;

- randnummer 5.6  “Ook de door verweerster gebruikte bewoordingen en formuleringen…. zijn niet alleen onnodig voor het overeenkomen van een omgangsregeling… maar dragen ook niet bij aan een oplossing van het geschil”. Het is niet aan de tuchtrechter om te beoordelen wat nodig is om een omgangsregeling en een oplossing te bewerkstelligen. Waar partijen verdeeld blijven is de-escaleren niet helpend. Het belang van de dochter was een normale relatie opbouwen met haar vader. Haar moeder liet dat niet toe. Dit proces benomen was noodzakelijk;

- randnummer 5.7 “Door bijvoorbeeld meerdere keren haar eigen opvattingen te gebruiken … en deze als feiten te kwalificeren zonder daar bewijs van over te leggen”. De raad heeft niet verder gelezen dan losse passages. Veel bewijsmateriaal is elders in de tekst of andere processtukken verwoord. Of stellingen/feiten bewezen zijn is aan de familierechter. De rechtbank heeft zich uitdrukkelijk uitgelaten over de houding van klaagster in deze;  

- uit het geheel aan processtukken blijkt dat verweerster de mening en positie van haar cliënt verkondigt. Dat zij op een aantal plekken ook haar eigen mening aan toevoegt is niet geheel verwonderlijk. Verweerster is naar eigen zeggen expert op het gebied van complexe echtscheidingen en aanverwante onderwerpen (geeft lezingen). Zij meent na 17 jaar een gespecialiseerde praktijk te hebben gevoerd, een mening te mogen hebben. Het gebeurt slechts op enkele (bescheiden) plekken in de processtukken. Het is aan de rechtbank om het duiden van een advocaat van de problematiek tussen ouders te beoordelen, niet aan de tuchtrechter;

- klaagster en haar advocaat bezigen zelf ook nogal stevig geformuleerde verwijten en oordelen over de cliënt van verweerster. De onderbouwing daarvan is er volgens verweerster niet of gebaseerd op vage producties. Verweerster haalt dit aan om te illustreren hoe partijen in complexe echtscheidingszaken tegenover elkaar staan en beide hun eigen waarheid beleven, creëren en verwoorden;

- het hof dient volgens verweerster te beslissen op basis van het hele echtscheidingsdossier.

Aanvulling klacht door de raad

- de raad kiest naast de door klaagster gearceerde citaten ook zelf andere citaten om tot zijn oordeel te komen. Daarmee creëert de raad zijn eigen aanvulling van de klacht, hetgeen niet is toegestaan.

Klachtonderdeel a); onafhankelijkheid in uitoefening beroep in gevaar gebracht

- verweerster begrijpt niet wat er verkeerd is aan een advocaat die het eens is met zijn/haar cliënt, die op enkele punten dezelfde standpunten inneemt en die dat in processtukken tot uitdrukking laat komen. Bij lezing van de stukken is het volstrekt duidelijk dat verweerster namens en voor haar cliënt spreekt. Verweerster is zeer deskundig op het gebied van ouderverstoting en het is in dat kader ook niet gek dat zij in die hoedanigheid iets vindt van de onderhavige zaak. Verweerster heeft dat sporadisch aangegeven en daarmee ondersteunt zij slechts het standpunt van haar cliënt;

- Een advocaat wordt als professional en deskundige juist geacht ook zelf iets te vinden van de verhalen van partijen, die verhalen juridisch te duiden en de rechter te overtuigen;

- de raad neemt ten onrechte aan dat verweerster geen bewijs overlegt en gaat op de stoel van de familierechter zitten;

- verweerster was niet te emotioneel betrokken bij haar cliënt of ten opzichte van de uitkomst; vFAS-advocaten proberen ook aan de behoefte van erkenning en verwerking tegemoet te komen;

- verweerster is meer dan kritisch en onafhankelijk naar haar eigen cliënten toe en bewaakt de belangen van de andere deelnemers aan een procedure (reden waarom haar cliënt zich heeft teruggetrokken uit het hoger beroep);

- als verweerster het met een uiting op LinkedIn eens is dan mag zij dat als advocaat liken of interessant vinden. Het is de interpretatie van klaagster dat verweerster daarmee lopende zaken buiten de rechtszaal voortzet. Verweerster heeft excuses gemaakt voor het feit dat haar in de betreffende gelikete post de naam van de dochter van klaagster is ontgaan.

Klachtonderdeel c): onnodig grievend uitgelaten

- in complexe echtscheidingstrajecten komt een moment waarop problemen en gedrag duidelijk en zonder verhullende of verzachtende formuleringen benoemd moeten worden. Verweerster bestrijdt dat het onnodig was. Minder duidelijke bewoordingen zouden het gedrag van klaagster onvoldoende bij de rechter hebben overgebracht;

- met 17 jaar ervaring weet verweerster wat nodig is om de belangen van haar cliënten te behartigen. Dat wederpartijen zich daardoor soms gegriefd voelen is niet altijd te voorkomen;

- met mildere formuleringen had verweerster zeer waarschijnlijk in eerste aanleg een minder positief resultaat behaald. In niet mis te verstane wijze moest volgens verweerster duidelijk worden gemaakt hoe klaagster de belangen van de dochter en haar vader al jarenlang tekort deed.

Klachtonderdeel d) feitelijke informatie verstrekt die onjuist is

- verweerster leest geen enkel argument voor de gegrondverklaring van dit klachtonderdeel;

- verweerster is niet zonder meer uitgegaan van de informatie van haar cliënt. Verweerster stelt zich kritisch op tegenover de eigen cliënten;

- nergens blijkt dat verweerster informatie zou hebben verstrekt waarvan zij weet (althans behoort te weten) dat die onjuist is.

6.5  Klaagster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

7 BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die, op zichzelf beschouwd, ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

7.2 In familierechtelijke kwesties zal een advocaat er bovendien voor moeten waken, zeker als er belangen van kinderen in het spel zijn, dat de verhoudingen tussen partijen escaleren. Dan mag van een advocaat zekere (verdergaande) terughoudendheid worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die naar objectieve maatstaven als kwetsend kunnen worden ervaren. Daarbij geldt dat een advocaat in familiekwesties als de onderhavige in het algemeen moet waken voor onnodige polarisatie tussen de ex-echtelieden; van de advocaat mag een bepaalde mate van terughoudendheid worden verwacht, juist omdat ook andere belangen in die procedures een grote rol kunnen spelen, met name belangen van kinderen. Die terughoudendheid heeft zowel betrekking op het doen van uitlatingen over de wederpartij, die deze naar redelijke verwachting als kwetsend zal ervaren, als op het entameren van procedures. De advocaat moet daarbij van geval tot geval afwegen:

– het belang van zijn/haar cliënt bij het voeren van de procedure,
– het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
– het verloop van het geschil tot dan toe,
– en de kans op succes van een procedure.

7.3 Het hof beoordeelt de klacht en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaven.

Overwegingen hof

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

7.4 Het beroep van verweerster tegen de ontvankelijkheid van de klacht van klaagster slaagt niet. Het hof is met de raad van oordeel dat klaagster haar klacht voldoende duidelijk heeft geformuleerd, onderbouwd en toegelicht aan de hand van stukken. Het was voor verweerster, gelet ook op haar verweer, duidelijk wat de klacht van klaagster inhoudt en waartegen zij zich diende te verweren. Uit de klacht en de toelichting daarop door klaagster is ook voldoende gebleken het eigen, persoonlijke belang dat klaagster bij de klacht heeft (vgl. HvD 2 maart 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:66).

Ten aanzien van de klachtonderdelen a) en c)

7.5 Het hof ziet aanleiding deze klachtonderdelen gezamenlijk te behandelen omdat deze gaan over de door verweerster gebruikte bewoordingen in haar processtukken en correspondentie.

7.6 Voorafgaand aan de inhoudelijke toetsing van deze klachtonderdelen benadrukt het hof (nogmaals) het in de toepasselijke maatstaf opgenomen uitgangspunt dat de advocaat van de wederpartij een grote mate van vrijheid geniet om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die de advocaat passend voorkomt. Daarbij wordt een advocaat niet beknot in het aan de orde stellen van signalen die voor de behartiging van de belangen van zijn cliënt relevant zijn.  In situaties echter waarin de advocaat kan vermoeden dat de emoties van partijen op de voorgrond kunnen komen te staan (zoals de procedures tussen klaagster en de cliënt van verweerster) mag evenwel van de advocaat verwacht worden dat extra zorgvuldigheid in acht wordt genomen in de wijze waarop wordt gecommuniceerd (zowel in de correspondentie als in processtukken en ter zitting). Zo’n situatie vergt ook van de advocaat – die in beginsel mag uitgaan van de juistheid van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft en daarop ook een beroep mag doen – dat hij nader onderzoek doet naar de door zijn cliënt verstrekte informatie. De advocaat mag geen feiten of stellingen poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen. Hoe zwaarder een beschuldiging of een verwijt aan de wederpartij, hoe nauwkeuriger de advocaat dit zal moeten voorzien van een onderbouwing die steun vindt in de feiten van de casus. De daarbij door de advocaat gebruikte bewoordingen, kwalificaties en toonzetting dienen daarbij zakelijk en functioneel te zijn.

het processtuk van 17 september 2020

7.7 De citaten die staan opgenomen in randnummer 3.3 van deze beslissing komen uit het processtuk dat verweerster ten behoeve van haar cliënt op 17 september 2020 heeft ingebracht in de procedure bij de rechtbank. In dit processtuk stelt verweerster onder meer dat er sprake is van een ‘transgenerationeel verbond’ tussen klaagster en de dochter, dat de procedure alle kenmerken vertoont van (beginnend) pathogeen ouderschap en dat klaagster de dochter actief probeert weg te houden bij de cliënt van verweerster. Verweerster noemt dit ouderonthechting/oudervervreemding. 

7.8 Als partijdig advocaat van haar cliënt mag verweerster deze standpunten voor haar cliënt verwoorden. Echter, verweerster dient haar stellige kwalificaties dan wel te voorzien van een adequate toelichting, die steun vindt in de feiten dan wel relevante literatuur. Dat heeft verweerster volgens het hof in deze zaak niet gedaan, anders dan in de door verweerster aangehaalde zaak van het hof van discipline van 7 februari 2020 (ECLI:NL:TAHVD:2020:56). Verweerster heeft alles wat zij in de in randnummer 3.3 geciteerde gedeelten over klaagster stelt in de context geplaatst van haar eigen kwalificatie van het gedrag van klaagster. De eigen overtuigingen van verweerster missen echter een objectief verifieerbare onderbouwing. Verweerster had daarom terughoudender behoren te zijn in de stelligheid van haar uitlatingen door duidelijk(er) aan te geven dat wat zij in het processtuk naar voren bracht de mening/visie van haar cliënt was in plaats van haar stellingen te poneren als feiten.

7.9 Het argument van verweerster dat zij veel kennis heeft over oudervervreemding en door derden als deskundige op dit onderwerp wordt beschouwd maakt het voorgaande niet anders. Verweerster trad in deze kwestie op als advocaat van haar cliënt en dat is onverenigbaar met de door haar aangemeten rol van deskundige. Door die twee rollen te vermengen heeft verweerster de kernwaarde onafhankelijkheid geschonden. Of verweerster daadwerkelijk deskundig is en wat de civiele rechter daarover al dan niet (heeft) beslist, is niet relevant voor de vraag waar het hof zich voor gesteld ziet, namelijk of verweerster zich heeft gedragen zoals een advocaat betaamt.

7.10 Het hof is verder van oordeel dat verweerster in het processtuk onvoldoende professionele distantie heeft betracht door met haar cliënt mee te gaan procederen. Verweerster geeft naast het standpunt van haar cliënt namelijk ook haar eigen visie op de zaak en zij steunt expliciet het standpunt van haar cliënt (zie randnummer 3.3, citaatnummers 58 en 61). Het hof acht dit niet professioneel. Een advocaat is geen onderdeel van een procedure of geschil maar treedt louter op als de partijdige belangenbehartiger van zijn cliënt wat niet zover gaat dat de advocaat in een procedure een eigen positie inneemt naast zijn cliënt. Verweerster heeft verzaakt te benoemen dat de door haar gebruikte kwalificaties haar stellingen waren (ten behoeve van haar cliënt).

Overigens spreekt verweerster zichzelf op dit punt uitdrukkelijk tegen, door in de toelichting bij haar beroepsgrond over klachtonderdeel a) te poneren: “Bij lezing van de stukken is het volstrekt duidelijk dat verweerster namens en voor haar cliënt spreekt. Verweerster is zeer deskundig op het gebied van ouderverstoting en het is in dat kader ook niet gek dat zij in die hoedanigheid iets vindt van de onderhavige zaak.”

het verweerschrift in hoger beroep tevens incidenteel appel van 6 april 2021

7.11 In het onder randnummer 3.5 opgenomen gedeelte uit dit processtuk stelt verweerster als feit dat klaagster de dochter actief onthecht. Dit feit is niet nader onderbouwd door verweerster en evenmin in rechte komen vast te staan. Verweerster had daarom ook hier andere, minder stellige bewoordingen dienen te gebruiken zodat duidelijk was dat het ging om het standpunt van haar cliënt.

de brief van 21 juni 2021 van verweerster aan het hof  

7.12 In het onder randnummer 3.6 opgenomen gedeelte uit deze brief bewaart verweerster volgens het hof (opnieuw) onvoldoende zakelijke afstand tot haar cliënt in de procedure tussen hem en klaagster. Daarbij is de visie van verweerster, dat er sprake is van oudervervreemding, geen objectief verifieerbaar vastgesteld feit. Om het standpunt van verweerder toe te lichten had verweerster daarom minder stellige bewoordingen behoren te gebruiken.

de pleitnota van verweerster van 23 juli 2021

7.13 Voor het in randnummer 3.7 opgenomen gedeelte uit de pleitnota van verweerster geldt mutatis mutandis hetzelfde als het hof hiervoor in randnummer 7.12 heeft geoordeeld.  

het liken van een LinkedIn-bericht door verweerster

7.14 Verweerster heeft op 23 oktober 2021 een bericht van de partner van haar cliënt op LinkedIn geliket. In het bericht, dat gaat over de zaak van de cliënt van verweerster, staat onder andere “Mijn bonusdochtertje is slachtoffer van ouderverstoting”. Het openlijk steunen door verweerster van dit bericht acht het hof in het licht van de specifieke omstandigheden van deze zaak niet functioneel en dient ook geen redelijk doel. Verweerster heeft daarmee (opnieuw) onvoldoende professionele distantie in acht genomen. Dat verweerster in eerste aanleg zich jegens klaagster heeft geëxcuseerd dat zij niet heeft gezien dat de naam van haar dochter in het bericht stond, maakt het voorgaande niet anders.  

7.15 Verweerster heeft aangevoerd dat de raad de citaten zoals deze staan opgenomen in randnummers 3.3 tot en met 3.7 van deze beslissing (en die het hof heeft overgenomen uit de beslissing van de raad) op onderdelen heeft aangevuld. Volgens verweerster betekent dit dat de raad daarmee buiten de klachtomschrijving is getreden. Het hof deelt die conclusie van verweerster niet. De feitelijke aanvullingen van de raad op de citaten van klaagster zijn qua omvang beperkt en komen uit dezelfde processtukken van verweerster. De citaten die klaagster voor de onderbouwing van deze klachtonderdelen heeft gebruikt zijn voorts zelfstandig dragend voor de beslissing van het hof.

tussenconclusie

7.16  Uit het voorgaande volgt dat ook het hof de handelwijze van verweerster tuchtrechtelijk laakbaar acht. Verweerster heeft niet gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt en verweerster heeft in strijd gehandeld met de kernwaarde onafhankelijkheid. Dit betekent dat het beroep van verweerster tegen de klachtonderdelen a) en c) geen doel treft. De door verweerster aangehaalde jurisprudentie en het Europees Verdrag ter bescherming van het beroep van advocaat leidt niet tot een ander oordeel. Verweerster wordt namelijk niet belemmerd om partijdige standpunten (die door de wederpartij als kwetsend kunnen worden ervaren) te bepleiten, zoals dat er sprake zou zijn ouderverstoting. Het gaat om de wijze waarop verweerster dat in deze zaak heeft gedaan.

7.17 Het hof onderschrijft het argument van verweerster dat zij in rechte het standpunt van haar cliënt moet kunnen verwoorden ook als dit door de wederpartij als kwetsend kan worden ervaren. Daarbij dient verweerster wel voor ogen te blijven houden dat de wijze waarop zij dat doet  deugdelijk onderbouwd is, functioneel is en een redelijk doel dient. Uit de behandeling van het beroep van verweerster tegen de klachtonderdelen a) en c) volgt dat verweerster dat naar het oordeel van het hof niet heeft gedaan, ook niet gezien de hele context van de zaak. Ter zitting bij het hof heeft verweerster uitgesproken dat haar processtukken in deze zaak op onderdelen pittig waren maar dat zij niet vindt dat zij daarmee een grens is overgegaan. Wat door haar is opgeschreven in de stukken volgde volgens verweerster uit het dossier. Het hof deelt die visie van verweerster niet. De door (de cliënt van) verweerster ingenomen standpunten, die zeer belastend voor klaagster waren, misten een deugdelijke feitelijke onderbouwing. Verweerster had om die reden haar woorden zorgvuldiger en genuanceerder moeten kiezen.

Ten aanzien van klachtonderdeel d)

7.18 Dat verweerster in haar processtukken onwaarheden over klaagster en haar dochter heeft gesteld, heeft het hof niet kunnen vaststellen. In zoverre is dit klachtonderdeel door klaagster te algemeen geformuleerd. De waarheidsvinding die klaagster met dit klachtonderdeel beoogt, valt ook buiten het tuchtrechtelijke beoordelingskader van het hof. De tuchtrechter toetst of een advocaat heeft gehandeld op een wijze die een behoorlijk advocaat betaamt (artikel 46 Advocatenwet / Hof van Discipline 19 januari 2026 ECLI:NL:TAHVD:2026:13). Daarover heeft het hof zich hiervoor uitgelaten bij de beoordeling van het beroep van verweerster tegen de klachtonderdelen a) en c). Dit betekent dat het beroep van verweerster tegen dit klachtonderdeel slaagt.

Slotsom

7.19 Het hof zal de beslissing van de raad bekrachtigen op de klachtonderdelen a) en c).
De beslissing van de raad zal op klachtonderdeel d) worden vernietigd en ongegrond worden verklaard.

8 MAATREGEL

Het hof is van oordeel dat er sprake is van zodanig tuchtrechtelijk laakbaar gedrag van verweerster, dat de maatregel van een berisping passend en geboden is. Daarom zal de beslissing van de raad ook op het onderdeel van de maatregel worden vernietigd. Naast het feit dat verweerster in strijd heeft gehandeld met de kernwaarde onafhankelijkheid mist het hof bij verweerster – gelet op de inhoud van de processtukken van verweerster in deze procedure en haar houding tijdens de behandeling ter zitting – besef en inzicht dat de wijze waarop zij in deze zaak de standpunten van haar cliënt heeft verwoord de tuchtrechtelijke toets niet doorstaat.

9 PROCESKOSTEN

9.1 Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerster op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:   

          a) € 50,- kosten van klaagster (forfaitair);
          b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
          c) € 1.000,- kosten van de Staat.

9.2 Verweerster moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,- aan kosten van klaagster binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.

9.3 Verweerster moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

10 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

10.1 vernietigt de beslissing van 9 december 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, genomen onder nummer 24-454/AL/MN, voor zover daarin klachtonderdeel d) gegrond is verklaard en aan verweerster de maatregel van een waarschuwing is opgelegd;

en doet opnieuw recht:

10.2 verklaart klachtonderdeel d) ongegrond;

10.3 legt aan verweerster de maatregel van een berisping op;

10.4 bekrachtigt de beslissing van 9 december 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, genomen onder nummer 24-454/AL/MN, voor zover voor het overige in beroep aan het hof voorgelegd;

10.5 veroordeelt verweerster tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 50,- aan klaagster op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

10.6 veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter, mrs. J. Blokland, A. van Holten, G.C. Endedijk en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2026.

griffier                                                                                                       voorzitter             

De beslissing is verzonden op 11 september 2026.