ECLI:NL:TAHVD:2026:292 Hof van Discipline 's Gravenhage 260369

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:292
Datum uitspraak: 10-09-2026
Datum publicatie: 10-09-2026
Zaaknummer(s): 260369
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing
Beslissingen:
  • Voorzittersbeslissing
  • Verwijzing
Inhoudsindicatie: Afwijzing verzoek tot verwijzing (artikel 46c lid 5 Advocatenwet). Het klachtrecht is niet bedoeld om te klagen over procedurele beslissingen die een deken tijdens een klachtonderzoek neemt. Klager heeft eerder, op 1 juli 2026 en 17 juli 2026, ook klachten ingediend over procedurele beslissingen van een andere deken in een andere klachtprocedure. Die klachten zijn bij beslissingen van 23 juli 2026 en 6 augustus 2026 (ook) niet verwezen naar een andere deken (HvD 23 juli 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:235 en HvD 6 augustus 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:255). Indien verzoeker in het klachtonderzoek over mr. G of een aanverwante kwestie opnieuw een klacht over een procedurele beslissing van de deken bij het hof indient, dient verzoeker er ernstig rekening mee te houden dat die klacht wegens misbruik van klachtrecht niet in behandeling wordt genomen.

Beslissing van de voorzitter van
het Hof van Discipline
    
van 10 september 2026
in de zaak 260369

    
naar aanleiding van de klacht van:
    
    
     
klager 
    

over:


mr. E.A.C. van de Wiel
advocaat en deken van de Orde van Advocaten Noord-Nederland 
    
de deken

1    HET VERZOEK

1.1    De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht  van 18 augustus 2026 van klager met bijlage waarin klager een klacht over de deken indient. 

1.2    Volgens klager:
- weigert de deken zijn e-mailbericht van 12 augustus 2026 aan het klachtdossier toe te voegen zonder kenbare inhoudelijke beoordeling van de relevantie daarvan;
-past de deken artikel 2.11 van de Leidraad toe alsof er sprake is van een absolute uitsluitingsregel, terwijl de bepaling spreekt van “in beginsel”;
- houdt de deken daarmee onvoldoende rekening met de wettelijke onderzoekstaak van artikel 46c lid 3 Advocatenwet;
- beroept de deken zich op artikel 4.1 van de Leidraad terwijl het onderzoek feitelijk nog niet is afgerond;
- beperkt de deken klager op voorhand in het verstrekken van voor het onderzoek relevante informatie;
- waarborgt de deken niet dat klager na ontvangst van het verweer van mr. G daadwerkelijk gelegenheid krijgt om op nieuwe feiten, stellingen en stukken te reageren;
- creëert de deken daardoor het risico dat zijn klacht niet op basis van een volledig en evenwichtig feitenonderzoek wordt behandeld. 

2    DE BEOORDELING

2.1    Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht over een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.

2.2    Uit het e-mailbericht van klager leidt de voorzitter af dat zijn klacht betrekking heeft op procedurele beslissingen van de deken in het bij de deken lopende onderzoek naar de klacht van klager over mr. G. 

2.3    Het klachtrecht is niet bedoeld om te klagen over procedurele beslissingen die een deken tijdens een klachtonderzoek neemt. Klager kan, na afronding van het klachtonderzoek door de deken en na betaling van het griffierecht, zijn klacht over mr. G laten toetsen door de raad van discipline. Binnen de kaders van die procedure kan klager al zijn bezwaren over het klachtonderzoek door de deken en de daarin door de deken genomen procedurele beslissingen onder de aandacht van de raad van discipline brengen. Gelet op het voorgaande zal de voorzitter de klacht van klager over de deken niet verwijzen.

2.4    Aanvullend merkt de voorzitter het volgende op. Klager heeft eerder, op 1 juli 2026 en 17 juli 2026, ook klachten ingediend over procedurele beslissingen van een andere deken in een andere klachtprocedure. Die klachten zijn bij beslissingen van 23 juli 2026 en 6 augustus 2026 (ook) niet verwezen naar een andere deken (HvD 23 juli 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:235 en HvD 6 augustus 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:255). Met deze beslissing wordt in een kort tijdsbestek voor een derde maal een klacht van klager over procedurele beslissingen van een deken in een lopend klachtonderzoek niet verwezen. Klager is er in de beslissing van 6 augustus 2026 op gewezen dat hij er rekening mee dient te houden dat een volgende klacht over een procedurele beslissing van de deken in die klachtprocedure als misbruik van recht kan worden gekwalificeerd en op die grond zal worden afgewezen. De voorzitter breidt deze waarschuwing jegens klager uit voor het onderzoek van de deken van de klacht van klager over mr. G. Indien verzoeker in dat klachtonderzoek of een aanverwante kwestie opnieuw een klacht over een procedurele beslissing van de deken bij het hof indient, dient verzoeker er ernstig rekening mee te houden dat die klacht wegens misbruik van klachtrecht niet in behandeling wordt genomen.


3    BESLISSING

De voorzitter van het Hof van Discipline:

- wijst het verzoek tot verwijzing af.

Deze beslissing is genomen op 10 september 2026 door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter.

Plaatsvervangend voorzitter

De beslissing is verzonden op 10 september 2026.