ECLI:NL:TAHVD:2026:291 Hof van Discipline 's Gravenhage 250383
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:291 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-09-2026 |
| Datum publicatie: | 07-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250383 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Het betreft een klacht over de eigen advocaat. Klager verwijt verweerster drie rechtszaken te hebben gevoerd zonder daarvoor een opdracht van klager te hebben gekregen. Daarnaast verwijt klager verweerster een drietal gedragingen in de privésfeer. Verweerster heeft deze klachtonderdelen weersproken. De raad heeft het eerste klachtonderdeel deels en de klachtonderdelen over de gedragingen in de privésfeer niet-ontvankelijk verklaard. Voorzover het eerste klachtonderdeel ontvankelijk was is dit ongegrond verklaard. Klager komt daartegen in beroep. Het hof verklaart in hoger beroep het klachtonderdeel 1 niet-ontvankelijk voor zover dit ziet op het handelen of nalaten van verweerster voor 22 juli 2021 en ongegrond voor zover dit klachtonderdeel ziet op handelen of nalaten van verweerster vanaf 22 juli 2021 en vernietigt de raadsbeslissing uitsluitend in zoverre. |
Beslissing van 4 september 2026
in de zaak 250383
naar aanleiding van het hoger beroep van:
[klager],
wonende te [woonplaats],
klager
gemachtigde: mr. G.T.M.G. Heutink
tegen:
[verweerster],
advocaat te [vestigingsplaats],
verweerster
gemachtigde: mr. M. Boender-Radder, advocaat te ‘s-Gravenhage.
1 INLEIDING
1.1 Het betreft een klacht over de eigen advocaat. Klager verwijt verweerster drie rechtszaken te hebben gevoerd zonder daarvoor een opdracht van klager te hebben gekregen. Daarnaast verwijt klager verweerster een drietal gedragingen in de privésfeer. Verweerster heeft deze klachtonderdelen weersproken. De Raad van Discipline in het ressort ‘s Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft het eerste klachtonderdeel deels en de klachtonderdelen over de gedragingen in de privésfeer niet-ontvankelijk verklaard. Voorzover het eerste klachtonderdeel ontvankelijk was is dit ongegrond verklaard. Klager komt daartegen in beroep. Het hof verklaart in hoger beroep het klachtonderdeel 1 niet-ontvankelijk voor zover dit ziet op het handelen of nalaten van verweerster voor 22 juli 2021 en ongegrond voor zover dit klachtonderdeel ziet op handelen of nalaten van verweerster vanaf 22 juli 2021 en vernietigt de raadsbeslissing uitsluitend in zoverre.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerster (zaaknummer: 25-283/DB/ZWB) een beslissing gegeven op 13 oktober 2025. In deze beslissing is de klacht van klager wat betreft klachtonderdeel 1, voor zover dit ziet op het handelen of nalaten van verweerster voor 25 augustus 2021 niet-ontvankelijk, en voor zover dit klachtonderdeel ziet op handelen of nalaten van verweerster vanaf 25 augustus 2021, ongegrond verklaard. Daarnaast zijn de klachtonderdelen 2, 3 en 4 niet-ontvankelijk verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:144 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 10 november 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van verweerster.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van
10 juli 2026. Daar zijn de gemachtigde van klager en verweerster, bijgestaan door
haar gemachtigde, verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht, de gemachtigde
van klager aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier
van het hof.
3 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.1 Klager heeft vanaf 2020 een affectieve relatie gehad met verweerster.
3.2 Verweersters kantoorgenoten mrs. V en M hebben klager bijgestaan in een zakelijk geschil dat in 2021 tussen klager en VdB is ontstaan. Verweerster heeft in het dossier gevoerde correspondentie en stukken meegelezen en is aanwezig geweest bij besprekingen.
3.3 Mr. J, een door klagers verzekeraar ingeschakelde advocaat, heeft klager bijgestaan in een geschil tussen klager en D. Verweerster heeft in het dossier gevoerde correspondentie en stukken meegelezen en is aanwezig geweest bij een zitting.
3.4 Verweersters kantoorgenoten mrs. K en L - stagiaires van verweerster - hebben klager vanaf 26 juli 2022 bijgestaan in een geschil tussen klager en B. Verweerster heeft in het dossier gevoerde correspondentie en stukken meegelezen en is aanwezig geweest bij de zitting van de kantonrechter, rechtbank Zeeland-West Brabant, zittingsplaats Breda, op 10 januari 2023. In het proces-verbaal van deze zitting is verweerster vermeld als echtgenote van klager.
3.5 Bij vonnis van 9 augustus 2023 heeft de kantonrechter klager in het gelijk gesteld en B veroordeeld tot betaling aan klager van de gevorderde gelden. In dit vonnis staan de stagiaires van verweerster als gemachtigden van klagers kantoor vermeld.
3.6 De relatie tussen klager en verweerster is in het voorjaar van 2024 geëindigd.
3.7 Bij e-mail van 22 juli 2024 heeft klager aan de deken geschreven:
“Geachte heer D, beste T,
Dank voor het gesprek van maandag 15-07-2024 jl. zoals besproken ontvang je hierbij de officiële klacht aan [verweerster]. En wel hierom, zie onderstaande punten waar het op hoofdlijnen om gaat:
-[verweerster] heeft, tegen mijn wens in, 3 rechtszaken gevoerd, c.q. was hierin betrokken, betreffende zakelijke kwesties tbv [A]. Dit mede in verband met het draaien van benodigde zittingsuren voor haar junioren (die ik ook betaalde), maar vooral om een podium te creëren voor haarzelf en haar kantoor. Het geheel heeft niet op mijn verzoek plaatsgevonden, ik wilde haar niet met deze privé kwestie belasten het werd afgeraden vanuit de reeds lopende juridische ondersteuning. Dit is haar ook verteld. Desondanks wilde [verweerster] niet luisteren, nam de lead zoals altijd. (..)
-[verweerster] heeft misplaatste mededelingen en uitlatingen gedaan (en doet deze nog steeds), naar mijn (zakelijke) relaties (tot in mijn inner circle aan toe) over zogenaamde zorgen over mijn psychische gesteldheid en met het omdraaien en ontkennen van het relationele partnergeweld wat heeft plaatsgevonden(..).
-Het tijdens de affectieve relatie onnodig en bij herhaling dreigen (zelfs via haar kinderen) de politie te bellen en de valse beschuldiging van stalking heb ik als uitermate intimiderend ervaren omdat ik weet dat [verweerster] advocaat is. (..)
-Na het geweldsincident in Friesland heeft een gezamenlijke sessie plaatsgevonden met [verweerster] en mijn psychotherapeut. (..)
-Het weigeren van [verweerster] om over te gaan tot een evenredige verdeling van de door mij ingebrachte spullen en teruggave van mijn eigendommen belemmert een fatsoenlijke afwikkeling. (..)
-De aanhoudende intimidatie en manipulatie werken onderhoudend en belemmeren mijn herstel.
(..)
Ik ga er vanuit dat met jouw interventie [verweerster] het alsnog op een normale manier wil oplossen. In plaats van met haar voor een (tucht)rechter te verschijnen. Fijn dat jij mij hebt toegezegd in deze te willen interveniëren. (..)
Graag verneem ik op zeer korte termijn jouw stappenplan en de inhoud van alle daarbij behorende gedragsregels waaraan een advocaat zich tenminste dient te houden. (..)”
3.8 Bij e-mail van 23 juli 2024 heeft de deken klager geschreven:
“Beste [naam klager],
Hiermee bevestig ik de goede ontvangst van jouw klacht met bijlagen.
Ik heb in ons telefoongesprek aangegeven dat ik een poging tot bemiddeling zal doen,
zoals de Advocatenwet ook voorschrijft. Normaalgesproken wordt dit helemaal voorbereid
door mijn stafjuristen, met aanvullende vragen en een bericht aan [verweerster]. Ik
zal dit nu even on hold zetten, omdat ik met vakantie in Frankrijk ben.
Ik snap dat de kwestie dringend is voor jou, maar aandringen op spoed in een klachtprocedure
heeft nu weinig zin tenzij je wilt dat we de normale klachtprocedure al in werking
zetten.
Ook gaat het Bureau van de Orde niet over het teruggeven van spullen.”
3.9 Bij e-mail van 5 augustus 2024 heeft de deken klager geschreven:
“Bedankt voor je bericht [klager].
Ik ben maandag weer terug op mijn post en zal dan meteen contact opnemen met [verweerster].”
3.10 Bij e-mail van 12 augustus 2024 heeft de deken klager o.a. geschreven:
“Zoals beloofd heb ik [verweerster] op de hoogte gesteld van het feit dat jij een klacht over haar hebt ingediend en haar in het kort de inhoud daarvan toegelicht. Ik heb aangeboden in de kwestie te bemiddelen.”
3.11 Op 25 augustus 2024 heeft klager middels een klachtenformulier een klacht tegen verweerster ingediend bij de deken.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:
(1) Verweerster heeft drie rechtszaken namens klager en klagers onderneming [A] gevoerd, terwijl klager daarvoor geen opdracht heeft gegeven en aan verweerster is ontraden om in deze kwestie voor [A] op te treden;
(2) Verweerster heeft misplaatste mededelingen en uitlatingen gedaan over klagers psychische gesteldheid en doet dat nog steeds;
(3) Verweerster heeft klager tijdens de relatie beschuldigd van stalking en heeft bij herhaling gedreigd om de politie in te schakelen;
(4) Verweerster heeft geweigerd over te gaan tot een evenredige verdeling van de door klager in de relatie ingebrachte spullen en teruggave van klagers eigendommen.
5 BEOORDELING RAAD
Klachtonderdeel 1
5.1 De raad heeft als volgt overwogen. Een klacht over een advocaat moet worden
ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon
zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet).
Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als
deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt
in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn
over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over
de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht op ziet. In dat geval vervalt
het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen
(artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat
een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten
over zijn doen en laten uit het verleden.
5.2 Klager heeft zich op 25 augustus 2024 met een klacht over verweerster tot de deken gewend. Dat klager niet in staat was om eerder te klagen dan hij heeft gedaan, is naar het oordeel van de raad niet aannemelijk geworden. Dit betekent dat de klacht, voor zover deze ziet op het handelen of nalaten van verweerster van voor 25 augustus 2021, met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk is.
5.3 Voor zover de klacht ziet op handelen of nalaten van verweerster vanaf 25 augustus 2021 kan klager wel in de klacht worden ontvangen. De raad overweegt als volgt. Waar klager in de oorspronkelijke klacht en gedurende de instructiefase bij de deken steeds heeft gesteld dat verweerster zich tegen klagers wil en zonder voorafgaande opdracht als advocaat in juridische geschillen had gemengd en opgedrongen, heeft klagers gemachtigde ter zitting gesteld dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door, nadat klager de zaak bij haar had ‘aangebracht’, geen opdrachtbevestiging aan klager te sturen. Die twee stellingen zijn tegenstrijdig en maken de klacht onbegrijpelijk. In elk geval is de raad niet gebleken dat klager aan verweerster de opdracht heeft verstrekt om hem in de zaken VdB, B en D als advocaat bij te staan. Uit de overgelegde stukken blijkt dat verweerster klager op de achtergrond heeft ondersteund, maar niet dat zij in deze dossiers, zoals klager heeft gesteld, als advocaat ‘rechtszaken heeft gevoerd’. Klachtonderdeel 1 mist feitelijke grondslag en zal om die reden, voor zover ontvankelijk, ongegrond worden verklaard.
Klachtonderdelen 2, 3 en 4
5.4 De klachtonderdelen 2, 3 en 4 hangen met elkaar samen en lenen zich voor
gezamenlijke behandeling. Deze klachtonderdelen hebben betrekking op vermeend optreden
van verweerster in de privésfeer. De raad overweegt als volgt. Het tuchtrecht is bedoeld
om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan
ook gelden als een advocaat niet optreedt als advocaat. Dat is het geval als er voldoende
aanknopingspunten zijn tussen het beroep van advocaat en zijn doen en laten in de
andere hoedanigheid. Dan is het advocatentuchtrecht volledig van toepassing. Als deze
aanknopingspunten er niet zijn, dan beperkt de tuchtrechter de beoordeling tot de
vraag of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.
5.5 Als de door klager verweten gedragingen van verweerster al feitelijk zouden kunnen worden vastgesteld dan heeft naar het oordeel van de raad te gelden dat die – vermeende – gedragingen zich hebben voorgedaan in de privésfeer en aanknopingspunten met verweersters beroepsuitoefening ontbreken, terwijl het schaden van het vertrouwen in de advocatuur naar het oordeel van de raad niet aannemelijk is geworden. Omdat het advocatentuchtrecht op grond van het voorgaande toepassing mist zal de raad de klachtonderdelen 2, 3 en 4 niet-ontvankelijk verklaren.
5.6 De raad heeft klachtonderdeel 1 deels niet-ontvankelijk, en voor zover ontvankelijk ongegrond verklaard. De klachtonderdelen 2, 3 en 4 heeft de raad niet-ontvankelijk verklaard.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
6.1 Met zijn eerste beroepsgrond stelt klager dat het onderzoek niet volledig is geweest en dat de raad ten onrechte de zaak niet naar de deken terug heeft gewezen. De deken heeft in het dekenadvies van 14 maart 2025 geschreven: “Voorts heb ik mij afgevraagd of de gedragingen die u [verweerster] verwijt ‘absoluut ongeoorloofd’ zouden kunnen zijn indien zou komen vast te staan dat de verweten gedragingen ook hebben plaatsgevonden. Ik kan dat ten aanzien van klachtonderdelen 2 en 3 niet volledig uitsluiten. Daarom is nader onderzoek naar deze klachtonderdelen nodig.” Bij e-mail van 12 mei 2025 heeft klager nadere bescheiden aan de griffier toegezonden maar daarna heeft de raad niet aan verweerster gevraagd om daarop te reageren. Klager verwijst naar de uitspraak van het hof, gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:TAHVD:2018:194, waarin de raad nader onderzoek had moeten verrichten en een terugwijzing naar de raad volgde.
6.2 Met zijn tweede beroepsgrond stelt klager dat hij zijn klacht niet op 25 augustus 2024, maar op 22 juli 2024 (met zijn e-mail aan de deken van die datum) heeft ingediend en de raad daarom ten onrechte heeft geoordeeld dat de klacht over het handelen of nalaten van verweerster van voor 25 augustus 2021 niet-ontvankelijk is.
6.3 Met zijn derde en vierde beroepsgrond stelt klager dat zijn stellingen niet
tegenstrijdig zijn maar elkaar aanvullen. Er is aanvullend geklaagd dat verweerster
aan klager geen opdrachtbevestiging heeft verstrekt. Volgens klager heeft de raad
ten onrechte overwogen dat verweerster klager slechts op de achtergrond heeft ondersteund
en niet dat zij in de onderliggende dossiers als advocaat rechtszaken heeft gevoerd.
Klager heeft in zijn e-mail van 12 mei 2025 aanvullende stukken ingediend waaruit
blijkt dat het initiatief, de regie en de controlerende bemoeienissen in de drie zaken
geheel van verweerster uitgingen. Een ander enigszins onderbelicht punt is dat de
beide door verweerster ingeschakelde advocaten niet alleen haar kantoorgenoten zijn,
maar ook haar stagiaires. Alleen al het patronaat van de verwerende advocaat over
de beide stagiaires betekent dat de werkzaamheden van de stagiaires volledig aan verweerster
moeten worden toegerekend. Klager verwijst naar de bijlagen 25 tot en met 37, die
reeds bij zijn e-mail van 12 mei 2025 zijn overgelegd, en die hij in onderhavig beroep
nogmaals indient. Uit al deze e-mails blijkt dat de betrokkenheid van verweerster
bij de zaken en geschillen van klager veel en veel verder is gegaan dan verweerster
heeft willen doen voorkomen.
6.4 Met zijn vijfde beroepsgrond ten slotte stelt klager dat de raad ten onrechte
in het midden heeft gelaten of de door klager verweten gedragingen van verweerster
feitelijk hebben plaatsgevonden en dat de raad tevens ten onrechte heeft overwogen
dat voor dat geval heeft te gelden dat die gedragingen zich hebben voorgedaan in de
privésfeer, dat aanknopingspunten met verweersters beroepsuitoefening ontbreken en
dat het schaden van het vertrouwen in de advocatuur niet aannemelijk is geworden.
Klager verwijst naar de nadere verklaring van mevrouw K, overgelegd als bijlage 13.
Verweer verweerster
6.5 Verweerster heeft - behoudens beroepsgrond 2 - gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Overwegingen hof
Ontvankelijkheid
7.2 Met zijn tweede beroepsgrond stelt klager dat de raad voor toepassing van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet ten onrechte de datum waarop klager zijn klacht per webformulier heeft ingediend ten als uitgangspunt heeft genomen. In artikel 46c Advocatenwet staat dat klachten tegen advocaten schriftelijk worden ingediend bij de deken van de orde waartoe zij behoren. Vaststaat dat klager de klacht heeft ingediend bij de deken op 22 juli 2024. Verweerster heeft primair aangevoerd dat als datum van indiening van de klacht 25 augustus 2024 moet worden gehanteerd omdat op deze datum klager per webformulier de klacht heeft ingediend conform artikel 1.1 van de Leidraad dekenaal klachtonderzoek 2023 (hierna te noemen: de leidraad). Subsidiair heeft verweerster zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
De leidraad luidt als volgt:
“Bij de deken kunt u een klacht indienen over een advocaat.
(..)
Deze leidraad geeft informatie over de wijze waarop een tuchtrechtelijke klacht
in het algemeen door de deken wordt behandeld. Het staat de deken echter vrij zijn
onderzoek anders in te richten.
(..)
1. Indienen van een klacht
1.1 De klacht wordt ingediend door het invullen van het webformulier bij de deken
van de orde van de advocaten in het arrondissement waar de advocaat kantoor houdt.
De deken kan vragen om een (gescande) handtekening en/of legitimatiebewijs. De correspondentie
verloopt verder via het digitale dossier en dus niet per post of e-mail.
(..).”
7.3 In dit verband hecht het hof geen doorslaggevende betekenis aan bovenstaand
artikel van de leidraad omdat dit artikel slechts een aanwijzing geeft op welke wijze
een klacht jegens een advocaat (in het algemeen) moet worden ingediend. Het feit dat
klager pas op 25 augustus 2024 de klacht per webformulier heeft ingediend, laat immers
onverlet dat klager al eerder - op 22 juli 2024 – bij de deken heeft geklaagd en daarmee
heeft voldaan aan hetgeen in artikel 46c Advocatenwet staat vermeld. Ook volgt uit
artikel 46g Advocatenwet dat voor het vaststellen van de vervaltermijn van drie jaar
het (tijdstip van het) indienen van de klacht (bij de deken) beslissend is.
Nu klager zijn klacht op 22 juli 2024 bij de deken heeft ingediend, is hij ontvankelijk
in zijn klacht voor zover de klacht ziet op handelen of nalaten van verweerster vanaf
22 juli 2021. Deze beroepsgrond slaagt.
7.4 Dat het onderzoek van de deken niet volledig is geweest, zoals klager met zijn eerste beroepsgrond betoogt, is het hof niet gebleken. In zijn dekenstandpunt heeft de deken eerst de ontvankelijkheid beoordeeld van klachtonderdelen 2 en 3. Vervolgens heeft hij inhoudelijk een oordeel gegeven over het onderzoek met betrekking tot deze klachtonderdelen. De beroepsgrond van klager berust op een verkeerde lezing van het dekenstandpunt. De conclusie van de deken in zijn dekenadvies van 14 maart 2025 is dat het onderzoek naar de klacht is afgerond en dat klager, indien hij dat wenst, de klacht kan voorleggen aan de raad. Vervolgens heeft klager de klacht voorgelegd aan de raad. Daarmee heeft ook nader onderzoek naar de klachtonderdelen 2 en 3 plaatsgevonden. Deze beroepsgrond faalt.
7.5 Met zijn derde en vierde beroepsgrond komt klager tot de kern van zijn klacht.
Het hof stelt vast dat uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij
de raad blijkt dat de klachtomschrijving met toelichting bij aanvang van die zitting
aan klager en verweerster is voorgehouden en dat partijen zich akkoord hebben verklaard
met de formulering van de klacht. De beoordeling in hoger beroep vindt plaats op basis
van die klachtomschrijving, waarop in beginsel niet meer kan worden teruggekomen.
De formulering van de klacht door de raad is gebaseerd op de formulering daarvan door
de deken in zijn brief van 14 maart 2025. Klachtonderdeel 1 houdt in dat klager verweerster
verwijt drie rechtszaken te hebben gevoerd zonder dat zij daarvoor een opdracht van
klager had gekregen.
Uit het procesdossier en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat in
onderhavig geval slechts één rechtszaak is gevoerd en wel in de zaak B. In de overige
zaken, VdB en D, niet. Zulks is ook ter zitting van het hof door de gemachtigde van
klager bevestigd.
Uit de overgelegde stukken in de zaak B blijkt dat verweerster klager slechts op
de achtergrond heeft ondersteund en niet dat zij in dat dossier als advocaat van klager
de rechtszaak heeft gevoerd. De stagiaires K en L - en niet verweerster zelf - hebben
in deze rechtszaak als gemachtigde voor klager opgetreden. Klachtonderdeel 1 mist
dan ook feitelijke grondslag en is om die reden terecht ongegrond verklaard door de
raad.
Het hof is met de raad van oordeel dat de door de raad bedoelde stellingen van klager
tegenstrijdig zijn en deze klacht onbegrijpelijk maken. Immers uit het proces-verbaal
van de zitting van de raad van 1 september 2025 blijkt dat de gemachtigde van klager
op die zitting heeft verklaard dat wel een opdracht was verstrekt maar geen opdrachtbevestiging
is verstuurd. Dat is tegenstrijdig aan de eerdere stelling van klager dat verweerder
zich zonder voorafgaande opdracht als advocaat in juridische geschillen had gemengd.
Deze beroepsgronden falen.
7.6 Klager verwijt verweerster ten slotte met de klachtonderdelen 2, 3 en 4 optreden van verweerster in de privésfeer. Ook als een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid, bijvoorbeeld in privé, kan voor hem het advocatentuchtrecht blijven gelden. Als hij zich in die andere hoedanigheid gedraagt op een wijze waardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt. De advocaat zal in dat geval een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kunnen worden. Privégedragingen van een advocaat zijn overigens alleen dan tuchtrechtelijk van belang, als er voldoende verband bestaat met de praktijkuitoefening, of als de gedraging voor een advocaat in het licht van zijn beroepsuitoefening absoluut ongeoorloofd moet worden geacht en het vertrouwen in de advocatuur ondermijnt. Daarvan is het hof in het onderhavig geval niet gebleken. Het hof verenigt zich met de overwegingen van de raad en maakt die tot de zijne. Ook deze beroepsgrond faalt.
Slotsom
7.7 De conclusie is dat het hof, evenals de raad, de klachtonderdelen 2, 3 en 4 niet ontvankelijk acht en klachtonderdeel 1, voor zover ontvankelijk, ongegrond acht. Nu het hof klachtonderdeel 1 met ingang van een andere datum dan die van de raad ontvankelijk acht, zal de beslissing van de raad in zoverre worden vernietigd. Voor het overige zal het hof de beslissing van de raad bekrachtigen.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
8.1 vernietigt de beslissing van 13 oktober 2025 van de Raad van Discipline in het ressort
‘s-Hertogenbosch, genomen onder nummer 25-283/DB/ZWB, voor zover klachtonderdeel
1 niet-ontvankelijk is verklaard voor zover dit ziet op het handelen of nalaten van
verweerster van voor 25 augustus 2021, met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef
en sub a Advocatenwet, en voor zover dit klachtonderdeel ongegrond is verklaard voor
zover dit klachtonderdeel ziet op handelen of nalaten van verweerster vanaf 25 augustus
2021;
en doet opnieuw recht:
8.2 verklaart klachtonderdeel 1, voor zover dit ziet op het handelen of nalaten van verweerster van voor 22 juli 2021, met toepassing van artikel 46g lid 1 aanhef en sub a Advocatenwet, niet-ontvankelijk, en voor zover dit klachtonderdeel 1 ziet op handelen of nalaten van verweerster vanaf 22 juli 2021, ongegrond;
8.3 bekrachtigt de beslissing van 13 oktober 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 25-283/DB/ZWB, voor het overige.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. Z.J. Oosting
en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Land-Smorenburg, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 4 september 2026.