ECLI:NL:TAHVD:2026:290 Hof van Discipline 's Gravenhage 260001
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:290 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-09-2026 |
| Datum publicatie: | 07-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260001 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerster heeft in een erfrechtelijke procedure een verklaring van haar cliënte op de zitting van de rechtbank voorgelezen. Klager klaagt erover dat verweerster zich hiermee onnodig grievend heeft uitgelaten en ten onrechte feitelijke informatie heeft verstrekt waarvan zij wist, althans behoorde te weten dat deze onjuist was. De raad heeft in een verzetprocedure geoordeeld dat het eerste klachtonderdeel slaagt en aan verweerster de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verweerster komt hiertegen in beroep. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad wat betreft de gegrondverklaring van het klachtonderdeel, maar acht het passend en geboden de zwaardere maatregel van berisping op te leggen. |
Beslissing van 4 september 2026
in de zaak 260001
naar aanleiding van het hoger beroep van:
[verweerster]
advocaat te [vestigingsplaats]
verweerster
gemachtigde: mr. M.C. Rosier
tegen:
[klager]
wonende te [woonplaats]
klager
gemachtigde: [gemachtigde]
1 INLEIDING
1.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Verweerster heeft in een erfrechtelijke procedure een verklaring van haar cliënte op de zitting van de rechtbank voorgelezen. Klager klaagt erover dat verweerster zich hiermee onnodig grievend heeft uitgelaten en ten onrechte feitelijke informatie heeft verstrekt waarvan zij wist, althans behoorde te weten dat deze onjuist was. De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft in een verzetprocedure geoordeeld dat het eerste klachtonderdeel slaagt en aan verweerster de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verweerster komt hiertegen in beroep. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) sluit zich aan bij de beoordeling van de raad wat betreft de gegrondverklaring van het klachtonderdeel, maar acht het passend en geboden de zwaardere maatregel van berisping op te leggen.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerster (zaaknummer: 25-249/AL/MN) een beslissing gegeven op 8 december 2025. In deze beslissing is het door klager ingestelde verzet (ten aanzien van klachtonderdeel a) gegrond verklaard en is klachtonderdeel gegrond verklaard. Aan verweerster is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verder is verweerster veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:267 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van verweerster tegen de beslissing is op 5 januari 2026 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van klager;
- de brief met bijlagen van verweerster van 26 juni 2026.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van
10 juli 2026. Daar zijn klager en verweerster, beiden vergezeld van hun gemachtigden,
verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen,
die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Klager en een broer hebben een civiele procedure aangespannen bij de rechtbank Maastricht in verband met een geschil over de nalatenschap van hun moeder, erflaatster. Verweerster heeft in deze procedure M, een dochter van erflaatster, en G, een kleindochter van erflaatster, bijgestaan. V, een andere dochter van erflaatster, is in deze procedure door een andere advocaat bijgestaan.
3.3 Op 2 november 2023 heeft een zitting bij de rechtbank plaatsgevonden. Klager was daarbij aanwezig. Ook verweerster was daarbij aanwezig met haar cliënte M. Verweerster heeft tijdens deze zitting een verklaring van G voorgelezen die niet aan de rechtbank is overgelegd. In het proces-verbaal van de zitting staat hierover opgenomen:
“De rechter heeft hiervan kennis genomen en meegedeeld dat deze ‘hartekreet’, aldus de rechter, niet zal worden meegenomen in de beoordeling.”
3.4 Tijdens het onderzoek ter zitting van het hof op 10 juli 2026 heeft verweerster de door haar op de zitting van 2 november 2023 voorgelezen verklaring van G opnieuw voorgelezen. De verklaring is niet aan het hof overgelegd.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep aan de orde, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) zich onnodig grievend uit te hebben gelaten over klager, waardoor klager in zijn goede naam en reputatie is beschadigd;
b) (..).
4.2 Ter toelichting op zijn verwijten heeft klager het volgende aangevoerd. Verweerster heeft tijdens de zitting op 2 november 2023 een verklaring van G voorgelezen ter toelichting op haar afwezigheid. Als een van de redenen werd genoemd dat G niet in dezelfde ruimte wilde zijn als eisers, waaronder klager. In die verklaring stond verder vermeld dat G nog te verdrietig zou zijn door het overlijden van haar vader, de broer van eisers, die door zelfmoord was overleden. Dit door de demonen uit het verleden, ‘als gevolg van het seksueel misbruik door zijn broers gedurende zijn jeugd’. Verweerster heeft ook voorgelezen dat haar cliënte een contactverbod zou aanvragen bij de rechter tegen de eisers, zodat ze hen nooit meer hoefde te zien. Volgens klager voegde verweerster daar zelf toen aan toe dat dat natuurlijk niet tijdens de zitting kon. De door verweerster voorgelezen verklaring van G was volgens klager duidelijk niet bedoeld om haar afwezigheid toe te lichten maar een middel om onjuiste aantijgingen over eisers onder de aandacht van de rechter te brengen. Deze onware kwaadsprekerij gebeurde bovendien op een openbare zitting. Verweerster had de plicht en mogelijkheid om een andere afweging te maken in de belangenbehartiging van haar cliënte G. Door geen enkele verantwoording te nemen voor de informatie die namens G naar voren heeft gebracht, ook tijdens de zitting, heeft zij tuchtrechtelijk [hof: verwijtbaar] gehandeld, aldus klager.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft klachtonderdeel a) gegrond verklaard en het volgende overwogen.
De raad volgt de voorzitter niet in wat in 4.4 van de beslissing is overwogen. Voor
zover verweerster met het voorlezen van de verklaring van haar cliënte G tijdens de
zitting grievende uitlatingen over klager heeft gedaan dient te worden beoordeeld
of dat optreden van verweerster tuchtrechtelijk toelaatbaar was. Anders dan de voorzitter
is de raad van oordeel dat daarover zelfstandig moet worden geoordeeld, onafhankelijk
van wat de rechter of de advocaat van klager daarvan vonden tijdens de zitting bij
de rechtbank.
5.2 Uit de stukken en de verklaringen tijdens de zitting van de raad is gebleken dat cliënte G ervoor heeft gekozen om niet bij de zitting van de rechtbank aanwezig te zijn. Zij heeft een verklaring opgesteld die vervolgens door verweerster tijdens de zitting is voorgelezen. De raad is ook gebleken dat G in haar verklaring, die bij de stukken ontbreekt, niet alleen de redenen voor haar afwezigheid heeft toegelicht maar daarin ook ernstige beschuldigingen aan het adres van klager heeft geuit.
5.3 Als een cliënte niet meegaat naar een zitting maar een verklaring wil laten
voorlezen door de eigen advocaat, dan heeft die advocaat daarin ook een eigen verantwoordelijkheid,
ondanks de wensen van de cliënt. In een dergelijke situatie moet een advocaat kritisch
zijn ten aanzien van het nut en de noodzaak van de verklaring en de inhoud daarvan
in het bijzonder. Verweerster heeft aangevoerd dat zij zich in processtukken terughoudend
opstelde en het zakelijk hield. Zij kende de gevoeligheden van de zaak. Juist vanwege
het grievende karakter van de verklaring van cliënte G en het ontbreken van voldoende
belang bij het naar voren brengen van de gevoelige inhoud, is terughoudendheid geboden.
Verweerster heeft naar het oordeel van de raad van die terughoudendheid onvoldoende
blijk gegeven door de verklaring van G integraal voor te lezen. Dat was niet alleen
onnodig, want niet van belang voor de zaak, maar ook schadelijk voor klager die daarvan
pas tijdens de zitting kennis heeft genomen. Verweerster heeft hierbij onvoldoende
rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van klager en had daarin andere
en naar het oordeel van de raad betere keuzes kunnen maken. Zo had zij haar cliënte
G voorafgaand aan de zitting kunnen voorhouden dat zij de verklaring zo niet zou voorlezen
en G de keuze kunnen geven om de verklaring aan te passen dan wel alsnog mee te komen
naar de zitting. Dan had G haar eigen woordje kunnen doen zonder dat verweerster daarop
zou worden aangekeken. Verweerster heeft hierin een andere en naar het oordeel van
de raad onjuiste afweging gemaakt. Naar het oordeel van de raad heeft verweerster
daardoor onvoldoende rekening gehouden met de gerechtvaardigde belangen van klager,
zoals hiervoor overwogen.
De raad heeft de maatregel van waarschuwing aan verweerster opgelegd.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerster
6.1 Met haar eerste beroepsgrond stelt verweerster dat klager ten onrechte ontvankelijk is verklaard in zijn verzet. Met de toerekening van de verklaring van G aan verweerster gaat de raad er volledig aan voorbij dat de door klager als grievend ervaren verklaring niet in een processtuk is opgenomen, maar een passage in een verklaring van G voor afwezigheid tijdens de zitting is. In de verklaring is niet gezegd dat de broers haar vader hebben misbruikt. Er wordt verklaard dat haar vader gedurende zijn jeugd seksueel mishandeld is en daarom de hand aan zichzelf geslagen heeft. G verklaart dat zij de beide eisers in de zaak er verantwoordelijk voor houdt dat het verleden niet kan worden afgesloten omdat zij een zaak tegen haar tante M gestart zijn, waar zij ook bij betrokken is. Vast staat dat verweerster zich in de processtukken niet onheus of grievend heeft uitgelaten. Evenmin heeft zij bewust onjuiste informatie verschaft. Ten eerste heeft verweerster de verklaring van G niet tot de hare gemaakt en ten tweede had zij ook al uit andere bron vernomen dat de vader van G de hand aan zichzelf geslagen had vanwege afschuwelijke gebeurtenissen uit het verleden. Uit de beslissing van de raad blijkt niet dat de raad zich rekenschap gegeven heeft van dit ter zitting naar voren gebrachte feit. Althans, de raad lijkt de zaak om te draaien en hieruit de conclusie te trekken dat verweerster de gevoeligheid van de zaak kende en daarom nader onderzoek naar de reden van de zelfmoord van de vader van G had moeten doen.
6.2 Ook is de raad volledig voorbijgegaan aan het feit dat de advocaat van klager en zijn broer ter zitting, ook na de schorsing, geen woord aan de verklaring heeft vuil gemaakt, terwijl dat toch voor de hand gelegen zou hebben als die verklaring zo ernstig grievend zou zijn geweest als klager stelt en de inhoud van die verklaring aan verweerster toe te rekenen zou zijn, althans dat het voorlezen daarvan een ernstige misdraging jegens zijn cliënten opgeleverd zou hebben. De raad is voorts volledig voorbijgegaan aan het feit dat de verklaring, van een hele jonge vrouw, die vier dagen voor haar eenentwintigste haar vader aan zelfmoord verliest uit de aard der zaak al impactvol kan zijn.
6.3 Met haar tweede beroepsgrond stelt verweerster dat de beslissing van de raad aan een motiveringsgebrek lijdt. Klager heeft ter zitting bij de raad een pleitnota voorgelezen en daarin onder meer gesteld dat verweerster de verklaring zou hebben voorgelezen met een ander doel voor ogen dan het verklaren van de afwezigheid van G. Klager stelt dat de informatie die G in haar verklaring geeft onjuist zou zijn en dat het haar verklaring niet is. Klager onderbouwt dat met de bewering dat wijlen zijn broer op het moment van het schrijven van de brief aan de familie ‘ziek zou zijn geweest’ en dat klager tot het moment dat zijn broer een einde aan zijn leven maakte een normaal e-mail contact met zijn broer zou hebben gehad. Dit zijn nieuwe feiten die niet voorafgaand aan de mondelinge behandeling in de schriftelijke stukken kenbaar gemaakt zijn en die verweerster niet heeft kunnen verifiëren, noch gemotiveerd betwisten. Niet in de pleitnota vermeld, maar wel ter zitting naar voren gebracht door klager is ook nog de bewering dat hij gedurende de procedure anonieme dreigementen zou hebben ontvangen. De raad heeft in zijn oordeel niet inzichtelijk gemaakt of en in hoeverre deze eerder niet genoemde argumenten mee hebben gewogen bij de beslissing. Ook overige eerdergenoemde argumenten zijn niet in de beslissing terug te vinden.
6.4 Met haar derde beroepsgrond betoogt verweerster dat de raad ten onrechte heeft geoordeeld dat verweerster onvoldoende terughoudendheid zou hebben betracht. Alleen al uit het feit dat verweerster tijdens het voorlezen van de verklaring opmerkte dat een contactverbod niet in deze procedure gevraagd kan worden, maakt duidelijk dat zij de verklaring met de nodige terughoudendheid en afstand heeft voorgelezen. Het is gebruikelijk, zeker in familiezaken, om aan ieder van partijen zelf ook het woord te geven, zodat ook zij de gelegenheid hebben om zich over de kwestie uit te laten. Alle procespartijen, met uitzondering van M, zijn aan het woord geweest en hebben alles naar voren kunnen brengen. De veronderstelling van klager dat de verklaring van G een negatief effect zou hebben gehad op het verloop van de zaak is onjuist.
6.5 Klager had er ook voor kunnen kiezen om alleen M te dagvaarden en als klager niet op de hoogte was van het overlijden van zijn broer in maart 2022, dan had hij op het moment dat het hem bekend werd ervoor kunnen kiezen om zijn dagvaarding aan te passen en alsnog alleen M te dagvaarden. De verklaring van G over haar afwezigheid ter zitting heeft het evenwicht tussen eisers en gedaagden niet disproportioneel verstoord, de familieverhoudingen waren immers bij alle erfgenamen bekend. Bovendien heeft de advocaat van klager alle gelegenheid gehad om opmerkingen over de verklaring te maken. Zoals gezegd wist verweerster niet beter dan dat de brief van de vader van G aan alle erfgenamen is gestuurd. G vertelde in haar verklaring dus niets nieuws. Bovendien is en blijft het de keuze van klager en zijn broer om hun gezinsleden mee te nemen. Dat kan toch geen reden zijn om van verweerster, als advocaat van gedaagden, te vergen dat zij dan terughoudender zou moeten zijn in haar uitlatingen.
Verweer klager
6.6 Klager heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
7.2 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
7.3 Bij een klacht tegen de advocaat van een wederpartij is ook de kernwaarde onafhankelijkheid van belang. Uit de kernwaarde partijdigheid volgt weliswaar dat de advocaat primair het belang van zijn cliënt dient, maar uit de kernwaarde onafhankelijkheid volgt dat hij daarbij kritisch is en ook oog heeft voor de context van die belangen, alsmede voor de belangen van andere betrokkenen (zoals de wederpartij of derden) en hij daarin een professionele distantie bewaart. Zo nodig confronteert hij zijn cliënt met gerechtvaardigde belangen van anderen.
7.4 In algemene zin kan worden opgemerkt dat de vrijheid die de kernwaarde partijdigheid met zich brengt ruim is, maar niet onbegrensd. De grens van de op grond van de kernwaarde partijdigheid aan de advocaat toekomende vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt wordt in algemene zin bereikt als op grond van de kernwaarde onafhankelijkheid er reden is om nader onderzoek te doen naar de door zijn cliënt verstrekte informatie en/of om zich te distantiëren van het door zijn cliënt ingenomen standpunt. Omdat de context in elke casus anders is, kan niet in algemene zin worden aangegeven onder welke omstandigheden er een dergelijke reden is. Per geval zal de tuchtrechter moeten toetsen of de handelwijze van de advocaat in overeenstemming is met wat een behoorlijk handelend advocaat betaamt (artikel 46 Advocatenwet).
Overwegingen hof
7.5 Na het voorlezen van de verklaring tijdens het onderzoek op de zitting van 10 juli 2026 is het hof van oordeel dat deze verklaring in alle redelijkheid niet anders kan worden begrepen dan dat de gemiddelde toehoorder deze verklaring zal verstaan als een beschuldiging van onder meer klager als degene die de vader van G. seksueel heeft misbruikt en hiermede de veroorzaker was van de suïcide van de vader van G. Het hof licht dit toe als volgt.
7.6 De verklaring houdt in dat de vader van G seksueel is mishandeld. Dat is nog niet een directe beschuldiging aan het adres van klager, maar in de verklaring is benoemd dat de vader van G last had van demonen door de seksuele mishandeling en aan het einde van de verklaring wordt onder meer klager als de verpersoonlijking van een van de twee demonen aangewezen. Uiteindelijk wijst G op ‘de twee zieke geesten’ waaronder klager, die in het kader van die civiele procedure op de zitting aanwezig zijn. Gelet op de in de verklaring besloten liggende ernstige beschuldigingen jegens klager had verweerster de verklaring niet zo integraal (een-op-een) mogen voorlezen. Ten eerste niet gezien de in de verklaring besloten liggende ernst van de beschuldigingen. Ten tweede niet omdat het voorlezen van de verklaring alleen maar plaatsvond om uit te leggen waarom G niet op de zitting bij de civiele rechter aanwezig kon zijn en de inhoud van de verklaring niet relevant was in het kader van de aanhangige (erfrechtelijke) procedure, Ten derde niet omdat de verklaring niet in een voor de zitting ingediend processtuk was neergelegd waardoor klager geen gelegenheid had om zich tegen de verklaring te verweren en omdat het een openbare zitting betrof. De stelling van verweerster dat klager, na de schorsing van de zitting, zich alsnog over de verklaring had kunnen uitlaten maar dat niet heeft gedaan, is daartoe onvoldoende, reeds omdat klager daarmee rauwelijks was geconfronteerd.
7.7 Dat de inhoud van de verklaring ernstig is, blijkt ook uit de in de verklaring genoemde kwalificatie over de broers als ‘twee zieke geesten’. Het verweer van verweerster dat deze verklaring niet een processtuk vormt casu quo geen deel uitmaakt van het procesdossier en haar daarom niet kan worden verweten, kan haar niet baten. Juist omdat deze verklaring geen deel uitmaakt van het debat tussen partijen in een procedure en de verklaring een eenzijdige uiting is op een openbare zitting, had zij zelf terughoudender moeten zijn. Ook de stelling van verweerster dat zij ook al uit andere bron had vernomen dat de vader van G de hand aan zichzelf had geslagen vanwege afschuwelijke gebeurtenissen uit het verleden, maakt het handelen van verweerster niet minder ernstig. Verweerster is meegegaan in het naar buiten brengen van de in de verklaring neergelegde ernstige beschuldigingen jegens onder meer klager,
7.8 Gelet op de ernst van de beschuldigingen had verweerster moeten afwegen wat het belang voor haar cliënte was om de verklaring voor te (laten) lezen tijdens de zitting bij de civiele rechter en dit belang moeten afwegen tegen het belang van klager dat die ernstige beschuldigingen niet (tijdens een openbare zitting) zouden worden geuit. Uit dat wat is overwogen onder 7.6 en 7.7 volgt dat het (integraal) voorlezen niet tot enig voordeel van haar cliënte in de civiele (erfrechtelijke) procedure strekte, want daarvoor irrelevant was, en wel onevenredig nadeel aan de wederpartij toebracht. Verweerster heeft met het voorlezen van de verklaring tijdens de civiele (erfrechtelijke) procedure de context van de belangen van haar cliënte en die van klager uit het oog verloren. Het had op de weg van verweerster gelegen om haar cliënte vooraf aan te geven dat gerechtvaardigde belangen van klager zich tegen het voorlezen van de verklaring verzetten en zich te distantiëren van de verklaring van haar cliënte. Dit allemaal heeft verweerster nagelaten.
Slotsom
7.9 Gelet op de kernwaarde onafhankelijkheid had verweerster deze verklaring niet een-op-een mogen voorlezen gezien de ernstige beschuldigingen tegen onder meer klager, te meer niet omdat deze ernstige beschuldigingen irrelevant waren om uit te leggen waarom G in de erfrechtelijke procedure er op de zitting niet was. Klachtonderdeel a is gegrond.
7.10 Verweerster heeft door haar handelen de kernwaarde onafhankelijkheid en de kernwaarde partijdigheid uit het oog verloren. Verweerster heeft daarmee niet gehandeld zoals een advocaat betaamt. Het handelen van verweerster is in strijd met de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarden en met de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen en verweerster heeft daarmee het vertrouwen in de advocatuur geschaad.
8 MAATREGEL
8.1 Het hof acht het, na het bij het hof opnieuw voorlezen van de verklaring, onbegrijpelijk dat verweerster de verklaring niet heeft opgevat als een zeer ernstige aantijging van haar cliënte aan het adres van onder meer klager en daarmee onbegrijpelijk dat zij geen juiste afweging hierin heeft gemaakt. Verweerster heeft genoemde verklaring van haar cliënte een-op-een voorgelezen wat onnodig grievend was jegens onder meer klager, zonder enig redelijk doel, en waarbij elk belang voor haar cliënte bij het naar voren brengen van de gevoelige inhoud ontbrak. Verweerster heeft geen enkele terughoudendheid betracht, terwijl dat hier wel geboden was. Verweerster heeft de kernwaarden onafhankelijkheid en partijdigheid daarbij uit het oog verloren en in het licht van deze kernwaarden de belangen van klager nodeloos en op ontoelaatbare wijze geschaad. Ook tijdens het onderzoek ter zitting heeft verweerster er weinig blijk van gegeven enig zelfinzicht te tonen in de laakbaarheid van haar handelen. Het hof ziet tegen deze achtergrond aanleiding om een zwaardere maatregel op te leggen dan de raad heeft gedaan. Het hof acht de maatregel van berisping passend en geboden.
8.2 Het hof zal de beslissing van de raad vernietigen voor zover het de opgelegde maatregel betreft en, zoals hiervoor overwogen, de maatregel verzwaren.
9 PROCESKOSTEN
9.1 Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerster op grond van artikel
48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het
hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:
a) € 50,- kosten van klager (forfaitair);
b) € 525,- kosten voor rechtsbijstand van klager;
c) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
d) € 1.000,- kosten van de Staat.
9.2 Verweerster moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 575,- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
9.3 Verweerster moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
10 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
10.1 vernietigt de beslissing van 8 december 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, genomen onder nummer 25-249/AL/MN, voor zover daarin de maatregel van waarschuwing is opgelegd;
en doet in zoverre opnieuw recht:
10.2 legt aan verweerster de maatregel van berisping op;
10.3 bekrachtigt de beslissing van 8 december 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 25-249/AL/MN, voor het overige;
10.4 veroordeelt verweerster tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 575,- aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
10.5 veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. Z.J. Oosting
en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Land-Smorenburg, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 4 september 2026.