ECLI:NL:TAHVD:2026:289 Hof van Discipline 's Gravenhage 260026
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:289 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-09-2026 |
| Datum publicatie: | 07-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260026 |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Wat in het algemeen niet betaamt |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Bekrachtiging met uitzondering van de opgelegde maatregel. Berisping in plaats van waarschuwing. Klager heeft een klacht ingediend over zijn voormalig advocaat. Klager en zijn voormalige compagnon waren beiden (middellijk) bestuurder en ieder voor 50% (middellijk) aandeelhouder van een B.V., toen er tussen hen beiden een geschil is ontstaan. Sinds juli 2024 is klager enig bestuurder van de B.V.. Verweerder, die eerder ook klager en zijn persoonlijke B.V. heeft bijgestaan, heeft klager laten weten dat klagers voormalige compagnon en de aan hem gelieerde ondernemingen verweerder hebben verzocht hen bij te staan in het geschil met klager. Klager heeft daar bezwaren tegen geuit, wegens strijd met gedragsregel 15. De raad heeft de klacht gegrond verklaard. Daarvoor is aan verweerder een waarschuwing opgelegd. Verweerder is het daarmee niet eens en heeft hoger beroep ingesteld bij het hof. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad, zij het op andere gronden, en met uitzondering van de opgelegde maatregel. Het hof legt aan verweerder de maatregel van een berisping op. Het hof is van oordeel dat in het midden kan blijven of informatie waar verweerder mogelijk over beschikte daadwerkelijk van belang was of kon zijn bij de behandeling van de zaak van klagers voormalige compagnon, omdat het hof doorslaggevend acht dat het in de perceptie van klager wel zo was en ook redelijkerwijs kon zijn. Het hof is van oordeel dat sprake is van redelijke bezwaren bij klager tegen de ontstane verstrengeling. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde van gedragsregel 15 lid 3 onder c, zodat er geen ruimte is om een uitzondering te maken op de hoofdregel dat niet mag worden opgetreden tegen een (voormalige) cliënt. Ook daarbuiten is het hof niet gebleken dat het optreden van verweerder te rechtvaardigen viel. Daarmee is niet alleen de voornoemde gedragsregel in het geding, maar ook de kernwaarde partijdigheid. |
Beslissing van 4 september 2026
in de zaak 260026
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerder
tegen:
klager
gemachtigde: [naam gemachtigde]
1 INLEIDING
1.1 Klager heeft een klacht ingediend over zijn voormalig advocaat. Klager en de heer [H] (hierna: H), waren beiden (middellijk) bestuurder en ieder voor 50% (middellijk) aandeelhouder van een B.V., toen er tussen hen beiden een geschil is ontstaan. Sinds juli 2024 is klager enig bestuurder van de B.V.. Verweerder, die eerder ook klager en zijn persoonlijke B.V. heeft bijgestaan, heeft klager laten weten dat H en de aan H gelieerde ondernemingen hem hebben verzocht hen bij te staan in het geschil met klager. Klager heeft daar bezwaren tegen geuit, wegens strijd met gedragsregel 15. De Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft de klacht gegrond verklaard. Daarvoor is aan verweerder een waarschuwing opgelegd. Verweerder is het daarmee niet eens en heeft hoger beroep ingesteld bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad, zij het op andere gronden, en met uitzondering van de opgelegde maatregel. Het hof legt aan verweerder de maatregel van een berisping op.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in hoger beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (met zaaknummer 25-541/DB/LI) een beslissing genomen op 5 januari 2026. In deze beslissing is de klacht van klager gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2026:4 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof
2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 2 februari 2026 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van klager, bij het hof ingekomen op 15 maart 2026;
- een e-mail van klager van 18 mei 2026, met bijlagen.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van
29 mei 2026. Daar zijn klager, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder verschenen.
Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die
onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 In 2018 en in 2022 heeft verweerder rechtsbijstand verleend aan klager in privé
en de
aan klager gelieerde vennootschap [Holding] Verweerder heeft op enig moment klagers
echtgenote bijgestaan.
3.3 Klager en H waren beiden (middellijk) bestuurder en ieder voor 50% (middellijk) aandeelhouder van [B.V.]. Tussen klager en de heer H is een geschil ontstaan. Sinds juli 2024 is H geen bestuurder meer van [B.V.]. Sindsdien is klager enig bestuurder van [B.V.].
3.4 Verweerders broer is accountant. Het accountantskantoor is gevestigd in hetzelfde kantoorpand als verweerders kantoor. Het accountantskantoor is belast (geweest) met het verzorgen van de boekhouding voor klager in privé en de aan hem gelieerde onderneming(en). Het accountantskantoor is ook verantwoordelijk (geweest) voor het verzorgen van de boekhouding van [B.V].
3.5 Er is sprake van een doorlopende opdracht van het accountantskantoor aan verweerders kantoor op grond waarvan verweerder en verweerders kantoorgenoten aan het accountantskantoor juridisch advies geven over kwesties die zich voordoen bij de klanten van het accountantskantoor.
3.6 Verweerders broer heeft bemiddeld in het geschil tussen klager en H. In dat verband hebben zowel klager als H gesprekken gevoerd met verweerders broer. Klager heeft daarbij zijn standpunten over het geschil kenbaar gemaakt aan verweerders broer.
3.7 In het geschil tussen klager en H was btw- en bpm-problematiek aan de orde.
3.8 In juli 2024 heeft [mr. L] (hierna: mr. L), een kantoorgenoot van verweerder, deelgenomen aan een bespreking waarbij verweerders broer en diens collega MS aanwezig waren. Tijdens deze bespreking is onder meer aan de orde gekomen of het zinvol zou zijn om in het geschil tussen klager en de heer H een vaststellingsovereenkomst op te stellen en/of afspraken over de btw- en bpm-problematiek daarin zouden kunnen worden opgenomen.
3.9 Bij brief van 23 september 2024 heeft verweerder klager, althans de aan klager gelieerde vennootschap [Holding], als volgt bericht:
“Tot mij heeft zich gewend de heer [H] en al zijn gelieerde ondernemingen, hierna
te noemen cliënt, met het verzoek zijn juridische belangen te behartigen. Cliënt heeft
mij verzocht hem bij te staan in het geschil met [Holding].
Daarbij heb ik zelf geconstateerd dat geen sprake is van belangenverstrengeling.
Mocht u dit echter anders zien, dan verneem ik graag op basis van welke concrete gronden.
Een eventuele reactie zie ik graag binnen veertien dagen tegemoet. Indien ik geen
reactie van u ontvang, ga ik ervan uit dat er uwerzijds geen bezwaren bestaan.”
3.10 Op 26 september 2024 heeft klager over verweerder een klacht ingediend bij de deken. Daarmee heeft klager bezwaar gemaakt tegen het optreden van verweerder tegen klager, op grond van het volgende:
“(…)
[Verweerder] heeft mij bijgestaan in een eerder en andere zaak. Toen ik [verweerder]
telefonisch vroeg om mij bij te staan in de zaak die nu loop (op 19 juni) melde hij
mij dat hij mij en de tegenpartij niet kon bijstaan ivm dat wij beide klant van hem
was. Tot mijn grote verwondering kreeg ik op 23 september een brief van hem dat hij
de tegenpartij nu in eens wel verdedigd. (…) [Verweerder] is volledig op de hoogte
van het reizen en zijlen van mij en mijn vrouw en mij bedrijf. Ik vind dat dit niet
mag kunnen, tevens is [broer verweerder] ook nog mijn boekhouder. (zakelijk en privé)
Ik voel mij nu letterlijk en figuurlijk vogel vrij verklaart
(…)”
3.11 Naar aanleiding van deze klacht heeft de deken klager gevraagd te reageren op de brief van 23 september 2024 van verweerder. Dat heeft klager bij brief van 7 oktober 2024 gedaan, als volgt:
“In het verleden heeft u mijn besloten vennootschappen [Holding] en [B.V.] bijgestaan
alsook mijn echtgenote en mij in privé. Indertijd hebben wij dan ook Intensief overleg
gehad met u. U heeft dan ook kennis van mijn wijze van handelen, denken en doen hetgeen
u in deze een ongewenst inzicht geeft in mij persoonlijk alsook mijn zakelijk handelen
en mij dan ook ernstig benadeeld in een mogelijke procedure tussen [H] c.s. en ondergetekende
op het moment dat u [H] c.s. juridisch bijstaat.
(…)
Op grond van Gedragsregel 15 van het regelement van de Orde van Advocaten ben ik
dan ook van mening dat u geen juridische bijstand aan [H] en de aan hem gelieerde
besloten vennootschappen kunt verlenen in geschillen die spelen tussen [H] c.s. en
ondergetekende en de aan hem gelieerde besloten vennootschappen.”
4 OMVANG VAN HET HOGER BEROEP
Op grond van artikel 57 lid 4 Advocatenwet doet het hof onderzoek op grondslag van de beslissing van de raad. Dat betekent dat de klacht niet kan worden uitgebreid in hoger beroep: er kunnen niet voor het eerst nieuwe klachten aan het hof worden voorgelegd en reeds bij de raad ingediende klachten kunnen ook niet met nieuwe feiten en omstandigheden worden onderbouwd als gevolg waarvan de klachten worden uitgebreid. Het hof verwijst in dit verband naar de op 18 mei 2026 van klager ontvangen “Akte overlegging nadere producties en aanvulling gronden”. Klager verwijt verweerder daarin (tevens) in strijd te hebben gehandeld met de gedragsregels 5, 6, 8 en 9. Dit zijn geen klachten die eerst zijn onderzocht door de deken en waarover de raad vervolgens heeft geoordeeld (vgl. art. 46c lid 1 en 3 Advocatenwet). Dat betekent dat het hof daarover evenmin een oordeel kan geven.
5 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:
Verweerder is tegen klager gaan optreden, terwijl hij klager in het verleden heeft bijgestaan, waardoor hij volledig op de hoogte is van het reilen en zeilen van klager, klagers vrouw en klagers bedrijf. Daarbij komt dat verweerders broer zowel zakelijk als privé de boekhouder van klager is.
6 BEOORDELING RAAD
6.1 De raad heeft over de gegrondverklaring van de klacht het volgende overwogen.
6.2 Als uitdrukkelijk door verweerder erkend staat vast dat verweerder in het verleden rechtsbijstand heeft verleend aan klager in privé alsook aan de aan klager gelieerde vennootschap. Het stond verweerder in beginsel dan ook niet vrij om daarna tegen klager en de aan klager gelieerde vennootschap op te treden. Uit gedragsregel 15 lid 1 volgt immers dat het de advocaat, gelet op zijn gehoudenheid aan met name de kernwaarden partijdigheid en vertrouwelijkheid, niet is toegestaan, om tegen een cliënt of een voormalige cliënt (of die van zijn kantoorgenoten) op te treden. Lid 6 van gedragsregel 15 bepaalt dat waar in gedragsregel 15 “advocaat” staat, tevens het samenwerkingsverband waarvan hij deel uitmaakt wordt bedoeld.
6.3 Van het bepaalde in gedragsregel 15 lid 1 kan de advocaat op grond van gedragsregel 15 lid 3 alleen afwijken indien is voldaan aan elk van de volgende drie voorwaarden:
a) de aan de advocaat toe te vertrouwen belangen betreffen niet dezelfde zaak ten aanzien waarvan de voormalige of bestaande cliënt werd of wordt bijgestaan door de advocaat, houden daar ook geen verband mee en een toekomstig verband is evenmin aannemelijk;
b) de advocaat beschikt niet over vertrouwelijke informatie afkomstig van zijn voormalige of bestaande cliënt, dan wel over zaaksgebonden informatie of informatie de voormalige of bestaande cliënt betreffende, die redelijkerwijs van belang kan zijn bij de behandeling van de zaak tegen deze voormalige of bestaande cliënt; en
c) niet is gebleken van redelijke bezwaren aan de zijde van de voormalige of bestaande cliënt.
6.4 De raad heeft geoordeeld dat niet aan elk van deze voorwaarden is voldaan. Ter zake de hiervoor genoemde voorwaarde (c) geldt naar het oordeel van de raad namelijk dat vaststaat dat klager bezwaren heeft geuit en klagers bezwaren zijn naar het oordeel van de raad ook redelijk. Vast staat dat er sprake is van een familierelatie tussen verweerder en de accountant, dat het advocatenkantoor en het accountantskantoor in hetzelfde pand zijn gevestigd en dat er sprake is van een doorlopende opdracht op grond waarvan verweerders kantoor juridisch advies en/of juridische bijstand verleent aan (klanten van) het accountantskantoor. Tevens staat als onweersproken vast dat verweerders broer heeft bemiddeld in het geschil tussen klager en H, in welk verband zowel klager als H gesprekken hebben gevoerd met verweerders broer, waarbij klager zijn standpunten over het geschil heeft kenbaar gemaakt aan verweerders broer. Vervolgens heeft inschakeling van verweerders kantoorgenoot mr. L plaatsgevonden in het kader van het geschil tussen klager en H. Daarna is verweerder tegen klager gaan optreden. De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, maken naar het oordeel van de raad dat aan de zijde van klager redelijke bezwaren bestaan tegen het optreden van verweerder voor H tegen de aan klager gelieerde vennootschap.
6.5 Het oordeel van de raad komt er dus op neer dat niet aan de in gedragsregel 15 lid 3 genoemde voorwaarde (c) is voldaan, waardoor het verweerder reeds om die reden niet vrijstond om op te treden tegen klager. De stelling van verweerder dat hij de vaste advocaat is van het accountantskantoor impliceert naar het oordeel van de raad verder dat hij dus over kennis kan beschikken die klager in de besprekingen met de accountant heeft gedeeld, op grond waarvan evenmin is komen vast te staan dat aan voorwaarde (b) is voldaan.
7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerder
7.1 Verweerder verzoekt het hof de beslissing van de raad te vernietigen en de klacht alsnog ongegrond te verklaren. Daartoe voert verweerder het volgende aan.
7.2 Verweerder kan zich niet vinden in rechtsoverweging 5.4 van de raad. Verweerder is van mening dat de daarin genoemde eerste drie omstandigheden, te weten dat sprake is van een familierelatie tussen verweerder en de accountant, dat het advocatenkantoor en het accountantskantoor in hetzelfde pand zijn gevestigd en dat er sprake is van een doorlopende opdracht op grond waarvan verweerders kantoor juridisch advies en/of juridische bijstand verleent aan (klanten van) het accountantskantoor, niet kunnen worden aangemerkt als redelijke bezwaren van de zijde van klager. Verweerder wijst erop dat er weliswaar een familiale band is en dat beide kantoren tot 1 februari 2025 in hetzelfde pand gevestigd waren, maar dat het accountantskantoor en het advocatenkantoor professionele bedrijven zijn die afzonderlijk en onafhankelijk van elkaar opereren. Dat door het accountantskantoor een doorlopende opdracht aan het advocatenkantoor is afgegeven maakt dat naar de mening van verweerder niet anders. Verder betwist verweerder dat zijn broer heeft bemiddeld in het geschil tussen klager en de heer H. Volgens verweerder is uitsluitend overleg met partijen gevoerd om tot een correcte financiële afsluiting van het boekjaar te komen en de jaarrekening te kunnen opstellen. Ten aanzien van de werkzaamheden door de kantoorgenote van verweerder, voert verweerder aan dat die in een onjuiste context worden geplaatst. Volgens verweerder is mr. L proactief en zelfstandig door de accountant - en dus niet door verweerder - benaderd met een vraag over hoe fiscale afspraken civielrechtelijk zouden kunnen worden vastgelegd op een moment dat er nog geen sprake was van een geëscaleerd conflict tussen klager en H.
7.3 Verweerder kan zich evenmin vinden in het oordeel van de raad in rechtsoverweging 5.5 van de bestreden beslissing, dat ook niet aan de in gedragsregel 15 lid 3 genoemde voorwaarde b) is voldaan. Verweerder wijst erop dat het op grond van de gedragsregel moet gaan om vertrouwelijke informatie over de cliënt of zaaksgebonden informatie die is opgedaan in de relatie tussen de advocaat en de voormalig cliënt, en dat de raad doelt op informatie die klager in de besprekingen met de accountant heeft gedeeld en dat de informatie die met mr. L is gedeeld bovendien afkomstig is van de accountant en niet van klager zelf. Verweerder merkt ten slotte nog op dat het om concrete, herleidbare informatie moet gaan en dat klager niet duidelijk heeft gemaakt om welke informatie het gaat en de raad dit evenmin concreet maakt.
7.4 Ten aanzien van de door de raad opgelegde maatregel voert verweerder aan dat een maatregel naar zijn mening niet op zijn plaats is, omdat hij in het licht van de genoemde gedragsregel zorgvuldig heeft gehandeld en alles heeft gedaan wat van hem verwacht mocht worden.
Verweer klager
7.5 Klager verzoekt het hof de beslissing van de raad te bekrachtigen. Klager wijst erop dat verweerder in het beroepschrift erkent H en de aan hem gelieerde ondernemingen in het verleden meermaals en stelselmatig te hebben bijgestaan, en ook dat hij in het verleden [Holding] heeft bijgestaan. Volgens klager suggereert verweerder dat hij voor H optreedt, maar gaat het in feite om een geschil tussen de aandeelhouders van [B.V.], waarvan klager en H beiden (middellijk) bestuurder en ieder voor 50% (middellijk) aandeelhouder waren. Dat betekent dat verweerder tegen een voormalig cliënt optreedt, wat niet is toegestaan. Wat verweerder naar voren brengt over het overleg van het accountantskantoor waar ook mr. L bij is betrokken, is volgens klager ongeloofwaardig. Klager wijst erop dat er op dat moment reeds sprake was van een conflictsituatie tussen klager en H, en dat het cliënten betrof van verweerder en er kennis bij verweerder (of één van zijn kantoorgenoten) aanwezig was die de kern van het aandeelhoudersgeschil raakten. Klager benadrukt dat er sprake is van een kluwen van verwevenheid en dat dit verweerder ervan had moeten weerhouden H (of de aan hem gelieerde ondernemingen) in deze kwestie bij te staan.
8 BEOORDELING HOF
Ten aanzien van de feiten
8.1 In het beroepschrift heeft verweerder ook de feitenvaststelling door de raad aan de orde gesteld. Volgens verweerder zijn in de bestreden beslissing onder 2 een aantal feiten en omstandigheden onjuist weergegeven. Het hof heeft zelfstandig de feiten vastgesteld en daarbij - voor zover relevant voor het hoger beroep - rekening gehouden met de bezwaren van verweerder tegen de feitenvaststelling door de raad. Bij een verdere behandeling van de beroepsgrond over de feitenvaststelling door de raad heeft verweerder dan ook geen belang meer.
Maatstaf
8.2 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
8.3 In deze zaak draait het om de norm dat een advocaat, gelet op zijn gebondenheid aan met name de kernwaarden partijdigheid en vertrouwelijkheid, in het algemeen niet mag optreden tegen een (voormalige) cliënt van hem of van een kantoorgenoot. Deze norm is uitgewerkt in gedragsregel 15. De cliënt van een advocaat moet er ten volle op kunnen vertrouwen dat gegevens over zijn zaak, zijn persoon of zijn onderneming die deze cliënt aan zijn advocaat of diens kantoorgenoot ter beschikking heeft gesteld, niet op enig moment tegen hem (kunnen) worden gebruikt. Het betreft vertrouwelijke informatie, dat wil zeggen informatie die geen openbaar karakter draagt en dus buiten de cliënt om niet zonder meer verkrijgbaar is. Wanneer aan de in gedragsregel 15 lid 3 cumulatief opgesomde voorwaarden a, b en c is voldaan (kort gezegd: niet dezelfde zaak, geen vertrouwelijke informatie, geen redelijke bezwaren), kan van de norm worden afgeweken. Ook de schijn dat de advocaat zich aan belangenverstrengeling ten nadele van de cliënt schuldig maakt, dient te allen tijde te worden vermeden. In twijfelgevallen dient de advocaat af te zien van het optreden in kwestie. Of een advocaat in een bepaald geval tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door op te treden tegen een voormalige cliënt, moet worden beoordeeld aan de hand van alle concrete omstandigheden van het geval en wordt uiteindelijk getoetst aan artikel 46 Advocatenwet (vgl. onder andere HvD 26 januari 2018, 170210 en 5 februari 2018, 170205).
Ten aanzien van dit hoger beroep
8.4 Zoals ook door de raad is overwogen, is tussen partijen niet in geschil dat verweerder in het verleden rechtsbijstand heeft verleend aan klager in privé en aan de aan klager gelieerde vennootschap. Op basis van de hiervoor weergegeven maatstaf waarin in deze zaak moet worden getoetst, overweegt het hof dat het niet optreden tegen de eigen (voormalige) cliënt de hoofdregel is. Het hof sluit zich dan ook aan bij het oordeel van de raad dat het verweerder in beginsel niet vrij stond om tegen klager en de aan klager gelieerde vennootschap op te treden. Naar het oordeel van het hof kan op die hoofdregel een uitzondering worden gemaakt wanneer voldaan is aan de cumulatieve voorwaarden van lid 3 van gedragsregel 15. Daarover overweegt het hof als volgt.
8.5 Zowel verweerder als klager hebben zich in hun beroep dan wel verweer gefocust op de kennis dan wel informatie waarover verweerder op grond van de eerdere advocaat-cliënt-relatie met klager zou beschikken, en of al dan niet sprake zou zijn van redelijke bezwaren van klager tegen het optreden van verweerder als advocaat van H. Door klager is ook expliciet naar voren gebracht dat hij de betrokkenheid van de broer van verweerder en de kantoorgenoot van verweerder niet acceptabel vond. De ratio van het bepaalde in gedragsregel 15 is dat de advocaat zich niet mag begeven in de situatie waarin hij de kans loopt ten koste van zijn cliënt in een belangenconflict te raken. Op basis hiervan is het hof van oordeel dat in het midden kan blijven of informatie waar verweerder mogelijk over beschikte daadwerkelijk van belang was of kon zijn bij de behandeling van de zaak van H, omdat het hof doorslaggevend acht dat het in de perceptie van klager wel zo was en ook redelijkerwijs kon zijn. Klager heeft in zijn klacht bij de deken aangegeven zich er in het licht van de bijstand van verweerder aan H ongemakkelijk bij te voelen dat verweerder volledig op de hoogte is van het reilen en zeilen van klager, klagers vrouw en klagers bedrijf. In de brief van 7 oktober 2024 heeft klager aangegeven dat verweerder door het intensieve overleg dat hij met klager en zijn vrouw heeft gehad, kennis heeft van klagers manier van handelen, denken en doen, en dat dit verweerder in klagers optiek een ongewenst inzicht in klagers persoonlijk en zakelijk handelen geeft. Naar het oordeel van het hof heeft daardoor de schijn van belangentegenstelling kunnen ontstaan. Diezelfde schijn heeft ook kunnen ontstaan door de betrokkenheid van de broer van verweerder als accountant en van de kantoorgenoot van verweerder bij het geschil tussen klager en H. Het hof is van oordeel dat daarmee sprake is van redelijke bezwaren bij klager tegen de aldus ontstane verstrengeling. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde van gedragsregel 15 lid 3 onder c, zodat er geen ruimte is om een uitzondering te maken op de hoofdregel dat niet mag worden opgetreden tegen een (voormalige) cliënt. Ook daarbuiten is het hof niet gebleken dat het optreden van verweerder te rechtvaardigen viel. Daarmee is niet alleen de voornoemde gedragsregel in het geding, maar ook de kernwaarde partijdigheid.
9 MAATREGEL
9.1 Verweerder heeft met zijn handelen de gedragsregel die is gericht op het voorkomen van belangenverstrengeling uit het oog verloren. Daarmee heeft verweerder tevens in strijd gehandeld met de kernwaarde partijdigheid. Gelet hierop kan naar het oordeel van het hof, in afwijking van de beslissing van de raad, niet met een waarschuwing worden volstaan. Vanwege de overtreden kernwaarde acht het hof een berisping passend en geboden. Weliswaar heeft verweerder bij klager geïnformeerd naar eventuele bezwaren tegen zijn optreden voor H, maar klagers reactie in het kader van de klachtprocedure bij de deken heeft verweerder geen aanleiding gegeven zijn werkzaamheden voor H te beëindigen. Dat heeft verweerder pas gedaan nadat de raad beslist had dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar had gehandeld. Verweerder heeft daarover op de zitting van het hof naar voren gebracht dat klager niet met concrete bezwaren kwam. Dit illustreert naar het oordeel van het hof dat klager de ratio van de gedragsregel uit het oog was verloren. De door de deken geuite verwachting dat de raad de klacht ongegrond zou verklaren, maakt dat niet anders.
9.2 De slotsom is dat het hoger beroep van verweerder niet slaagt. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad, met uitzondering van de opgelegde maatregel, en legt aan verweerder de maatregel van berisping op.
10 PROCESKOSTEN
10.1 Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:
a) € 50,- kosten van klager (forfaitair);
c) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
d) € 1.000,- kosten van de Staat.
10.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag
van € 50,- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan
klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer
schriftelijk aan verweerder door.
10.3 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van
€ 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN:
NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder
vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
11 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
11.1 vernietigt de beslissing van 5 januari 2026 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 25-541/DB/LI, ten aanzien van de opgelegde maatregel;
en doet in zoverre opnieuw recht:
11.2 legt aan verweerder de maatregel van berisping op;
11.3 bekrachtigt de beslissing van 5 januari 2026 van de Raad van Discipline in het ressort s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 25-541/DB/LI, voor het overige;
11.4 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 50,- aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
11.5 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. D. Wachter
en E.C. Gelok, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 4 september 2026.