ECLI:NL:TAHVD:2026:288 Hof van Discipline 's Gravenhage 260052
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:288 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-09-2026 |
| Datum publicatie: | 07-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260052 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Vernietiging. Waarschuwing. Klaagster heeft een klacht ingediend over verweerster die als advocaat optrad voor een voormalig cliënt van het kantoor van klaagster. De klacht houdt in dat verweerster zich in een e-mail op agressieve en onnodig grievende wijze heeft uitgelaten over klaagster en haar kantoorgenoot, in die e-mail feitelijke en juridische standpunten heeft ingenomen waarvan zij wist dan wel behoorde te weten dat deze onjuist waren en daarbij aan klaagster en haar kantoorgenoot een termijn van nul dagen heeft gegeven om te reageren. De raad heeft geoordeeld dat het ging om een spoedeisende kwestie en dat het handelen van verweerster in de gegeven omstandigheden onvoldoende aanleiding vormt voor het maken van een tuchtrechtelijk verwijt aan verweerster. De klacht is door de raad dan ook ongegrond verklaard. Klaagster is het met die beslissing niet eens en heeft hoger beroep ingesteld. Het hof vernietigt de beslissing van de raad, verklaart de klacht gegrond en legt aan verweerster de maatregel van een waarschuwing op. Naar het oordeel van het hof heeft verweerster te snel gehandeld, en zich teveel laten leiden door haar client, zonder zelf voldoende onderzoek te doen naar de spoedeisendheid, belang en gegrondheid van de zaak. |
Beslissing van 4 september 2026
in de zaak 260052
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klaagster
tegen:
verweerster
gemachtigde: mr. L.M. van den Dungen, advocaat te Venlo
1 INLEIDING
1.1 Klaagster heeft, aanvankelijk samen met een kantoorgenoot, een klacht ingediend over verweerster die als advocaat optrad voor een voormalig cliënt van het kantoor van klaagster. De klacht houdt in dat verweerster zich in een e-mail op agressieve en onnodig grievende wijze heeft uitgelaten over klaagster en haar kantoorgenoot, in die e-mail feitelijke en juridische standpunten heeft ingenomen waarvan zij wist dan wel behoorde te weten dat deze onjuist waren en daarbij aan klaagster en haar kantoorgenoot een termijn van nul dagen heeft gegeven om te reageren. De Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft geoordeeld dat het ging om een spoedeisende kwestie en dat het handelen van verweerster in de gegeven omstandigheden onvoldoende aanleiding vormt voor het maken van een tuchtrechtelijk verwijt aan verweerster. De klacht is door de raad dan ook ongegrond verklaard. Klaagster is het met die beslissing niet eens en heeft hoger beroep ingesteld. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) vernietigt de beslissing van de raad, verklaart de klacht gegrond en legt aan verweerster de maatregel van een waarschuwing op.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in hoger beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klaagster, haar kantoorgenoot en verweerster (met zaaknummer 25-431/DB/LI) een beslissing genomen op 26 januari 2026. In deze beslissing is de klacht van klaagster ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2026:20 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof
2.3 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 24 februari 2026 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van verweerster van 8 april 2026.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van
29 mei 2026. Daar zijn verschenen klaagster en verweerster, bijgestaan door haar gemachtigde.
De gemachtigde van verweerster heeft het standpunt van verweerster toegelicht aan
de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.
3.2 Het advocatenkantoor van klaagster en haar kantoorgenoot, mr. H., heeft de heer L (hierna: L) bijgestaan. Tussen klaagster, haar kantoorgenoot en L is een geschil ontstaan. In dat geschil heeft verweerster L bijgestaan.
3.3 Op zondag 4 mei 2025 heeft verweerster klaagster en haar kantoorgenoot als volgt aangeschreven:
“Mijn cliënt, [L], heeft mij verzocht om hem bij te staan in verband met uw pogingen tot incasso van dwangsommen, zoals vermeld in een proces-verbaal van 27 februari 2025. U bent tot incasso overgegaan zonder voorafgaande betekening van het vonnis, hetgeen in strijd is met artikel 611a lid 3 Rv. Daarnaast kan dit handelen als misbruik van recht worden aangemerkt (art. 3:13 BW). Cliënt heeft u reeds gewezen op de onrechtmatigheid hiervan, doch u heeft uw incassomaatregelen niet gestaakt. Ik acht dit, mede gezien uw hoedanigheid als advocaten, ernstig en zorgelijk. Namens cliënt bereid ik een kort geding voor. Ik verzoek u vriendelijk uiterlijk maandag 12.00 uur uw verhinderdata voor de komende vier weken te verstrekken. Tevens stel ik u hierbij aansprakelijk voor alle schade die mijn cliënt reeds heeft geleden, en mogelijk nog zal lijden, als gevolg van uw beider handelwijze. Voorafgaand aan het kort geding ontvangt u een conceptdagvaarding ter kennisname. Ik behoud mij alle rechten en weren voor.”
3.4 Bij e-mail van 6 mei 2025 heeft de door klagers ingeschakelde deurwaarder verweerster als volgt bericht:
“U verwijst naar de dwangsomregeling, wellicht heeft u over het hoofd gezien dat er in deze zaak geen sprake is van een dwangsomveroordeling maar van boetes naar aanleiding van het niet-nakomen van wederzijdse afspraken welke zijn vastgelegd in een proces-verbaal. Uiteraard zijn we op de hoogte van de relevante wetgeving rondom dwangsommen maar voor het executeren van deze boetes zijn deze regels niet van toepassing. (…)”
3.5 Op 7 mei 2025 heeft klaagster, mede namens haar kantoorgenoot, een klacht over verweerster ingediend bij de deken.
4 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Verweerster wordt het volgende
verweten:
In een e-mailbericht van 4 mei 2025 heeft verweerster zich op agressieve en onnodig
grievende wijze uitgelaten over klagers (het hof begrijpt: klaagster en mr. H), feitelijke
en juridische standpunten ingenomen waarvan zij wist dan wel behoorde te weten dat
deze onjuist waren en ook nog een termijn van nul dagen gegeven om te reageren.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft aan de ongegrondverklaring van de klacht het volgende ten grondslag gelegd.
5.2 De raad heeft er allereerst op gewezen dat verweerster heeft erkend dat zij in de gewraakte e-mail abusievelijk de term “dwangsommen” in plaats van “boetes” heeft gehanteerd, maar dat zij heeft benadrukt dat deze vergissing eenvoudig recht te zetten was. Verder heeft de raad erop gewezen dat verweerster heeft erkend dat zij klaagster en mr. H een korte reactietermijn heeft gesteld, maar dat zij in dat verband gemotiveerd heeft toegelicht dat de urgente situatie, waarin haar cliënt werd geconfronteerd met een dreigende executie met een financieel belang van meer dan € 100.000,-, het stellen van een korte reactietermijn rechtvaardigde.
5.3 De raad heeft vervolgens geoordeeld dat het in een spoedeisende kwestie als de onderhavige verzenden van een e-mail waarin een onjuiste term wordt gebruikt en een korte reactietermijn wordt gegeven, in de gegeven omstandigheden onvoldoende aanleiding vormt voor het maken van een tuchtrechtelijk verwijt aan verweerster. De raad heeft er daarbij op gewezen dat klaagster en mr. H als juridisch professionals geacht kunnen worden de inhoud van de gewraakte e-mail op de juiste waarde te schatten. Ten slotte heeft de raad geoordeeld dat, anders dan klaagster en mr. H hebben gesteld, uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht geenszins is gebleken dat verweersters cliënt door de inhoud van verweersters e-mail ertoe is aangezet om tegen klagers te blijven ageren, noch dat door toedoen van verweerster de belangen van klagers anderszins onnodig of op een ontoelaatbare manier zijn geschaad.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klaagster
6.1 Het standpunt van klaagster is dat de beslissing van de raad geen recht doet aan de ernst van de klacht, onjuist is en onvoldoende gemotiveerd. Klaagster voert in dat verband allereerst aan dat de raad het toetsingskader van artikel 46 Advocatenwet verkeerd heeft toegepast. Naar de mening van klaagster is het handelen van verweerster evident in strijd met de kernwaarden integriteit, deskundigheid en onafhankelijkheid, en heeft verweerster in strijd gehandeld met gedragsregel 24, door zich niet welwillend ten opzichte van klaagster en mr. H op te stellen en geen enkel vertrouwen in hen te stellen. Klaagster stelt dat haar belangen daardoor onnodig zijn geschaad. Klaagster voert aan dat verweerster de zaak onnodig heeft laten escaleren, en dat zij voeding heeft gegeven aan laster van L richting klaagster en mr. H. Klaagster heeft erop gewezen dat het ging om een wanbetalende, complotdenkende cliënt, die pas na het verliezen van twee kort gedingen is gestopt met zijn lasterpraktijken en tot rectificatie is overgegaan. Verweerster heeft nagelaten haar vergissing/fout recht te zetten en de impact daarvan gebagatelliseerd. Pas nadat verweerster tuchtrechtelijk was aangesproken heeft zij haar fout erkend. Verweerster had uit de stukken al veel eerder kunnen begrijpen dat zij van een onjuiste rechtsopvatting uitging, maar heeft blind haar cliënt gevolgd. Klaagster vindt dat de raad hier in de bestreden beslissing onvoldoende op is ingegaan. Klaagster verzoekt het hof het hoger beroep gegrond te verklaren en aan verweerster een maatregel op te leggen.
Verweer verweerster
6.2 Verweerster wijst erop dat uit bestendige tuchtrechtspraak blijkt dat de raad het juiste toetsingskader heeft gehanteerd en zij is van mening dat de raad op juiste gronden heeft geoordeeld dat zij de haar toekomende professionele vrijheid niet heeft overschreden. Verweerster merkt op dat klaagster niet concreet maakt waarom de raad het toetsingskader van artikel 46 Advocatenwet niet juist zou hebben toegepast. Verder voert verweerster aan dat klaagster de door haar gestelde schending van de kernwaarden integriteit, deskundigheid en onafhankelijkheid niet met concrete feiten onderbouwt, en dat zij nalaat de beslissing van de raad gemotiveerd te bestrijden. Verweerster wijst erop dat het gebruik van de term ‘dwangsommen’ in plaats van boetes een vergissing van terminologische aard betrof, die eenvoudig was te corrigeren en ook is gecorrigeerd. In het licht van de omstandigheden was de gegeven korte reactietermijn naar de mening van verweerster gerechtvaardigd. Niet gesteld en ook niet gebleken is dat klaagster daardoor daadwerkelijk onnodig, dan wel op ontoelaatbare wijze in haar belangen is geschaad. Ook daarbuiten zijn er door klaagster geen nadelige gevolgen gesteld of concrete schade aangetoond. Verweerster verzoekt het hof dan ook het hoger beroep ongegrond te verklaren en de beslissing van de raad te bekrachtigen.
7 BEOORDELING HOF
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
7.2 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij. De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij worden beperkt, tenzij haar belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten over de wederpartij, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.
Ten aanzien van dit hoger beroep
7.3 Het hof is het eens met het oordeel van de raad dat het door verweerster in de e-mail van 4 mei 2025 gebruiken van de onjuiste term ‘dwangsommen’ waar het ging om (contractuele) boetes, onvoldoende is om klaagster een tuchtrechtelijk verwijt te maken. Dat geldt naar het oordeel van het hof - in afwijking van het oordeel van de raad - echter niet voor de overige inhoud van de betreffende e-mail. Daarover overweegt het hof als volgt.
7.4 Ter zitting van het hof heeft verweerster verklaard dat zij door de deken was aangewezen om L bij te staan. Dit naar aanleiding van de vaststellingsovereenkomst (VSO) die L met het kantoor van klaagster had afgesloten. In de vaststellingsovereenkomst was een boete opgenomen voor het geval L zou doorgaan met het doen van lasterlijke uitlatingen over (het kantoor van) klaagster (en haar kantoorgenoot) op LinkedIn. Aan deze boetes was een maximum verbonden van € 100.000,-. Op het moment dat verweerster L ging bijstaan was dit maximum volgelopen. L was door klaagster tussentijds niet over het vollopen van het maximum van de boetes geïnformeerd. Verweerster heeft L omschreven als een client met problematiek. Om die reden heeft zij ook besloten de zaak van L met een kantoorgenoot, tevens haar gemachtigde, op te pakken. Verweerster heeft verder verklaard dat zij bij het bestuderen van de zaak merkte dat het L veel deed dat de boetes tot het maximum waren volgelopen, dat hij ontregeld werd door het gelegde beslag, er doorheen zat en dat hij ervan uitging dat het zijn faillissement zou betekenen. Verweerster heeft verklaard dat zij op grond van die omstandigheden van mening was dat klaagster de executie zou moeten stoppen en dat zij de zaak vanwege de spoedeisendheid voortvarend heeft opgepakt. Gevraagd ter zitting in hoger beroep naar waar die spoedeisendheid uit bestond, heeft verweerster meegedeeld dat dat met name kwam door het gelegde beslag en dat L het aan haar presenteerde alsof hij direct in staat van faillissement zou raken. Daarbij heeft verweerster aangegeven dat de omstandigheid dat de deken meekeek, de zaak voor haar wellicht nog urgenter heeft gemaakt, en zij bovendien dacht L rust te kunnen geven door de zaak voortvarend op te pakken. Verweerster heeft daarop de e-mail van 4 mei 2026 aan klaagster gestuurd. Naar het oordeel van het hof heeft verweerster hiermee te snel gehandeld, en zich teveel laten leiden door haar client L, zonder zelf voldoende onderzoek te doen naar de spoedeisendheid, belang en gegrondheid van de zaak. Ter zitting in hoger beroep is namelijk ook gebleken dat het op de bankrekening van L gelegde beslag geen doel had getroffen omdat daarop geen gelden stonden en dat het klaagsters bedoeling was tevens beslag te laten leggen op een chalet van L, dat echter afbrandde. Er werd dus nog niet daadwerkelijk tot uitwinning overgegaan, zodat het spoedeisend belang waarop verweerster haar handelen heeft gebaseerd, ontbrak. De mail was ook voor het overige volstrekt ‘over the top’. Naar het oordeel van het hof had het op de weg van verweerster gelegen zich nader te (laten) informeren over de stand van zaken en de kans van slagen van het beslag voordat zij de e-mail van 4 mei 2026 stuurde en het handelen van klaagster en mr. H kwalificeerde als misbruik van recht, hen persoonlijk aansprakelijk stelde voor alle als gevolg daarvan door L geleden en eventueel nog te lijden schade en daarin een reactietermijn stelde die feitelijk neerkwam op geen reactietermijn aangezien dag en tijdstip waarvoor uiterlijk moest worden gereageerd op een algemeen erkende feestdag vielen. Ook de situatie waarin L kennelijk verkeerde vroeg naar het oordeel van het hof om enige voorzichtigheid en afstand alsmede een nader onderzoek van de zaak alvorens tot actie over te gaan. Dit tegen de achtergrond van het feit dat L een ex-client van het kantoor van klaagster was en zich in de nasleep van hun zakelijke relatie persoonlijk zodanig had laten gaan dat het tot een procedure was gekomen waarbij L en het kantoor een regeling hadden getroffen dat hij zich niet verder lasterlijk jegens het kantoor zou uiten. In dat verband had het op de weg van verweerster gelegen om contact met klaagster op te nemen, maar op een andere wijze en met een andere insteek. Het gewraakte handelen van verweerster is naar het oordeel van het hof tuchtrechtelijk verwijtbaar. Verweerster heeft ter zitting van het hof ook erkend dat zij achteraf gezien te snel en te pittig richting klaagster heeft gereageerd, en dat het belang van haar cliënt ook gediend was geweest als zij klaagster een iets langere reactietermijn had gegeven.
7.5 Verweerster heeft er nog op gewezen dat zij op 4 mei 2025 namens klaagster en mr. H wel een reactie heeft ontvangen en dat die reactie ook heftig was. De raad heeft hier in de bestreden beslissing ook een overweging aan gewijd. Naar het oordeel van het hof doet deze - latere - reactie echter niet af aan hetgeen het hof over de - eerdere - initiële e-mail van verweerster aan klaagster heeft overwogen. Deze reactie maakt het oordeel van het hof niet anders. Het handelen van klaagster ligt in deze zaak bovendien niet aan het hof voor.
Conclusie
7.6 Verweerster heeft op grond van het vorenstaande gehandeld in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt, wat haar tuchtrechtelijk te verwijten is. In afwijking van het oordeel van de raad, zal het hof de klacht dan ook gegrond verklaren.
8 MAATREGEL
Omdat het hof de klacht alsnog gegrond verklaart, zal het hof verweerster een maatregel opleggen. Bij het bepalen van de op te leggen maatregel heeft het hof in aanmerking genomen dat verweerster heeft aangegeven dat zij achteraf vindt dat zij onjuist heeft gehandeld, dat zij dit op haar kantoor heeft besproken en dat het aanleiding is geweest voor zelfreflectie. Het hof ziet daarin aanleiding aan verweerster niet de maatregel van berisping op te leggen, maar acht een waarschuwing in dit geval passend en geboden.
9 PROCESKOSTEN
9.1 Omdat het hof de klacht alsnog gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken na deze beslissing. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing het rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
9.2 Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerster daarnaast op grond
van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure
bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:
a) € 50,- kosten van klaagster (forfaitair);
c) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
d) € 1.000,- kosten van de Staat.
9.3 Verweerster moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,- aan kosten van klaagster binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
9.4 Verweerster moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
10 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
10.1 vernietigt de beslissing van 26 januari 2026 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 25-431/DB/LI;
en doet opnieuw recht:
10.2 verklaart de klacht gegrond;
10.3 legt aan verweerster de maatregel van een waarschuwing op;
10.4 veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
10.5 veroordeelt verweerster tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
10.6 veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. D. Wachter en E.C. Gelok, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 4 september 2026.