ECLI:NL:TAHVD:2026:287 Hof van Discipline 's Gravenhage 260062
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:287 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-09-2026 |
| Datum publicatie: | 04-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260062 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Bekrachtiging. Waarschuwing. Klaagster heeft een klacht ingediend over de kwaliteit van de dienstverlening door haar eigen advocaat, die haar bijstond in een huurgeschil. De klacht komt er in de kern op neer dat verweerder bij het beëindigen van zijn werkzaamheden voor klaagster in het kader van dat huurgeschil, te stellig aan klaagster heeft meegedeeld dat zij geen problemen meer zou kunnen krijgen met haar huurder over de huurprijs. Klaagster heeft er ook over geklaagd dat de klacht die zij hierover bij verweerder heeft ingediend door hem niet voortvarend is opgepakt. En zij vindt dat verweerder zijn verantwoordelijkheid niet neemt. De raad heeft de klachten deels gegrond verklaard, maar oordeelt niet dat klager zijn verantwoordelijkheid niet heeft genomen. De raad heeft aan verweerder een waarschuwing opgelegd. Zowel klaagster als verweerder hebben hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de raad. Het hof bekrachtigt - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - de beslissing van de raad. Het hof herhaalt dat de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep op grond van artikel 56 lid 3 Advocatenwet wordt bepaald door de beroepsgronden die tegen de beslissing van de raad binnen de beroepstermijn zijn aangedragen. Verder geldt op grond van artikel 57 lid 4 Advocatenwet dat het hof onderzoek doet op grondslag van de beslissing van de raad. |
Beslissing van 4 september 2026
in de zaak 260062
naar aanleiding van het wederzijds hoger beroep van:
klaagster
tegen:
verweerder
1 INLEIDING
1.1 Klaagster heeft een klacht ingediend over de kwaliteit van de dienstverlening door haar eigen advocaat, die haar bijstond in een huurgeschil. De klacht komt er in de kern op neer dat verweerder bij het beëindigen van zijn werkzaamheden voor klaagster in het kader van dat huurgeschil, te stellig aan klaagster heeft meegedeeld dat zij geen problemen meer zou kunnen krijgen met haar huurder over de huurprijs. Klaagster heeft er ook over geklaagd dat de klacht die zij hierover bij verweerder heeft ingediend door hem niet voortvarend is opgepakt. En zij vindt dat verweerder zijn verantwoordelijkheid niet neemt. De Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft de klachten deels gegrond verklaard, maar oordeelt niet dat klager zijn verantwoordelijkheid niet heeft genomen. De raad heeft aan verweerder een waarschuwing opgelegd. Zowel klaagster als verweerder hebben hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de raad. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) bekrachtigt - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - de beslissing van de raad.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster en verweerder in hoger beroep zijn gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (met zaaknummer: 25-778/DB/ZWB) een beslissing genomen op 23 februari 2026. In deze beslissing zijn de klachtonderdelen 1 en 2 deels gegrond en deels ongegrond verklaard, klachtonderdeel 3 is gegrond verklaard en klachtonderdeel 4 is ongegrond verklaard. Ter zake van klachtonderdeel 5 heeft de raad zich onbevoegd verklaard. Aan verweerder is de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2026:23 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof
2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 26 februari 2026 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 23 maart 2026 ontvangen door de griffie van het hof.
2.5 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van klaagster van 17 april 2026;
- het verweerschrift van verweerder van 12 mei 2026, met bijlage.
2.6 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van
29 mei 2026. Daar zijn klaagster en verweerder verschenen. Zowel klaagster als verweerder
hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel
uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Klaagster heeft een geschil gehad met de huurder van een door klaagster verhuurde
woonruimte. Klaagster verhuurde deze woonruimte voor een huursom van € 1.544,- per
maand. De huurder heeft zich begin 2024 tot het huurteam gewend om de maximale redelijke
huurprijs te laten toetsen.
3.3 In een brief van 19 februari 2024 heeft het huurteam namens de huurder gesteld dat er sprake is van een zogenaamde all-in huurprijs, die dient te worden gesplitst. Het huurteam heeft namens de huurder aan klaagster voorgesteld om ermee in te stemmen dat de huurprijs wordt gesplitst in een kale huurprijs (55%) en bijkomende kosten (25%), bij gebreke waarvan het huurteam namens de huurder de kwestie zou voorleggen aan de Huurcommissie.
3.4 Klaagster heeft zich voor rechtsbijstand gewend tot haar rechtsbijstandsverzekeraar Stichting Achmea Rechtsbijstand (hierna: SAR), die de behandeling van de zaak op 5 april 2024 heeft uitbesteed aan verweerder.
3.5 In een brief van 5 april 2024 heeft verweerder de opdracht aan klaagster bevestigd. In deze brief is geen samenvatting van het geschil, advies over klaagsters juridische positie, een inschatting van de kans van slagen of een plan van aanpak vastgelegd.
3.6 In een brief van 9 april 2024 heeft verweerder namens klaagster aan het huurteam meegedeeld dat sprake was van een kale huurprijs omdat het meubilair reeds was afgeschreven en om niet aan de huurder ter beschikking werd gesteld. Het huurteam heeft niet op deze brief gereageerd.
3.7 Bij e-mail van 10 juli 2024 heeft klaagster aan verweerder advies gevraagd over het volgende:
“Het is ondertussen meer dan 3 maanden geleden dat ons bericht naar het huurteam is verstuurd. Is er een officiële reactietermijn? Wat kunnen we nog verwachten? Uiteraard wil ik geen slapende honden wakker maken.
Ik zou alsnog graag de huurder willen bewegen om het pand te verlaten. Ik had hem in april al het voorstel gedaan dat als hij de huur per 30 september 2024 opzegt dat hij dan het bedrag van de huurverhoging zou terugkrijgen (12 x 49 = EUR 588). Hij ging daar niet op in en gaf aan dat hij een operatie moet ondergaan in de zomer en dat hij nog niet weet hoe snel hij daarvan gaat herstellen en dat hij daarom niet kan toezeggen dat hij per 1 oktober vertrokken is.
Ik weet niet zeker of het verstandig is om een huurverhoging van 5,5% per 1 oktober 2024 in te voeren. Dat hangt vooral af van wat we nog wat het huurteam en de huurcommissie kunnen verwachten. De huurverhoging zou de huurder kunnen bewegen de huur op te zeggen. Ik zou het ook per 1 november 2024 in kunnen voeren, als blijkt dat hij inderdaad langer blijft. Wat is uw advies?
Wat ik wel merkwaardig vind is dat hij het bedrag van de huur (totaal EUR 1544) in delen overmaakt, te weten EUR1500 en EUR44. Welke reden kan daarachter zitten?
Ik kijk uit naar uw reactie.”
3.8 Bij e-mail van 16 juli 2024 heeft verweerder als volgt gereageerd:
“U schetst heel precies uw dilemma. U bent echter afhankelijk van uw huurder en het is aan hem om een keuze te maken of hij uw voorstel aanpakt of niet. U kunt hem er niet toe dwingen. In het beste geval kunt u zelf naar de rechter gaan om hem te houden aan zijn huuropzegging per 1 oktober, maar dat kunt u pas achteraf doen. Als u hem nu aanspreekt op het maken van een keuze, maakt u de slapende hond wellicht wakker, voor wat betreft de kwestie van de hoogte van de huur. Hoewel we behoorlijk wat vertrouwen hebben in die kwestie van de hoogte van de huur, zijn de financiële risico's als het onverhoeds toch fout zou gaan aanzienlijk. Het is echter aan u zelf om daarin de keuze te maken van de weg die u wil volgen. Wat vindt u belangrijker: het slapend houden van de huurder met het risico dat die de woning niet op het door u gehoopte tijdstip verlaat; of het tijdig ter beschikking hebben van uw woning met het risico dat de discussie over de hoogte van de huurprijs weer herleeft.
De afweging is echt volledig aan u zelf. Het enige dat ik u kan meegeven is dat het huurteam al die tijd niet heeft gereageerd. Ik zou geneigd zijn dat op te vatten als een indicatie dat mijn brief van 9 april 2024 door hen beschouwd wordt als een afdoende weerlegging van de claim tot huurverlaging die door het huurteam namens de huurder bij u is weggelegd. Maar dat het echt zo is kan ik u absoluut niet garanderen.”
3.9 Bij e-mail van 20 juli 2024 heeft klaagster verweerder als volgt bericht:
“Dank voor uw bericht.
Het lijkt me vooralsnog veiliger geen huurverhoging voor 2024 in te voeren.
Toch zou ik graag willen weten wat de officiële reactietermijn voor het huurteam zou zijn (geweest). Is dat niet wettelijk vastgelegd? Ze gaven ons een reactietermijn van 2 maanden, dan zou hun reactietermijn toch hetzelfde of minder moeten zijn? (…)”
3.10 Bij e-mail van 19 augustus 2024 heeft verweerder als volgt op klaagsters vraag gereageerd:
“Ik heb een en ander nog eens nagezocht: artikel 7:254 BW bepaalt dat als de verhuurder niet instemt met de huurverlaging, de huurder gedurende 6 weken de mogelijkheid heeft om naar de huurcommissie te gaan. Die termijn is ongebruikt voorbijgegaan dus u bent veilig.(…)”
3.11 Bij e-mail van diezelfde dag heeft klaagster als volgt op verweerders antwoord gereageerd:
“Ja, zoiets had ik inderdaad ook gelezen.
Ik ben nog steeds bang dat het bericht wel binnen die 6 weken via de huurder/ het huurteam naar de huurcommissie is gegaan, maar dat de huurcommissie een enorme achterstand heeft en dat we daarom nog niks gehoord hebben. En dat we dus alsnog bericht van de huurcommissie zouden kunnen krijgen….. Of heeft de huurcommissie zelf ook een reactietermijn?
Ook is het theoretisch mogelijk dat de huurder een nieuwe (eenzelfde) procedure start, toch? Of is dat wettelijk niet toegestaan?
Sorry dat ik hier een beetje in doordraaf, maar ik wil graag alle opties uitsluiten.”
3.12 Bij e-mail van diezelfde dag heeft verweerder als volgt op klaagsters vraag gereageerd:
“Beide zijn niet het geval.
Er is geen achterstand bij de huurcommissie die zo groot is dat er niet minstens een kennisgevin[g] de deur uit gaat naar de andere partij.
Er is geen mogelijkheid voor hetzelfde verhaal nogmaals een procedure te beginnen.
Het is echt afgelopen.
Van harte gefeliciteerd met dit resultaat.”
En bij e-mail van enkele minuten later:
“Nu de wederpartij geen verdere mogelijkheden meer heeft, ga ik over tot het sluiten van het dossier. Originele stukken van u heb ik niet in mijn bezit. De stukken die ik wel in mijn bezit heb, worden na 5 jaar vernietigd.
Nu de zaak is afgesloten, meld ik de zaak af bij [SAR].”
3.13 Klaagster heeft de huurder op 31 augustus 2024 een huurverhoging aangezegd,
waarna
zij op 5 september 2024 een nieuw verzoek tot splitsing van de huurder heeft ontvangen.
3.14 Na ontvangst van het nieuwe splitsingsverzoek heeft SAR de kwestie wederom uitbesteed aan verweerder, die op 9 september 2024 een conceptbrief aan de wederpartij heeft opgesteld op basis van het op 9 april 2024 gevoerde verweer. Klaagster is niet akkoord gegaan met deze conceptbrief en heeft verweerder hieromtrent bij e-mail van 9 september 2024 als volgt bericht:
“Ik ben vanmorgen op de hoogte gesteld door een jurist dat de mail die het huurteam in februari 2024 had gestuurd en onze reactie daarop NIET als een procedure gezien kan worden. De huurder/ het huurteam was tenslotte niet naar de huurcommissie of de kantonrechter gestapt (blijkbaar kan men alleen in dat geval spreken van een "procedure")... Naar de mening van de jurist heeft het huurteam wel degelijk het recht om opnieuw een voorstel te doen over de splitsing van de huurprijs en om naar de huurcommissie te stappen.
U heeft mij dus verkeerd advies gegeven.
Ook is mij vanmorgen verteld dat bij een all-in huurprijs er geen huurverhogingen mogen worden doorgevoerd. U was ervan op de hoogte dat ik als verhuurder van plan was een huurverhoging door te voeren, maar u heeft mij er niet van weerhouden, waarschijnlijk omdat u het zelf ook niet wist dat dat niet mocht.
Helaas werkte de aangekondigde huurverhoging als trigger voor het starten van een nieuwe zaak, waarvan u dacht dat dat niet mogelijk was. Ik betreur deze gang van zaken enorm.
Ik stem er daarom NIET mee in om deze brief naar het huurteam te sturen en zal bovenstaande punten binnenkort inhoudelijk voorleggen aan/ bespreken met [SAR].”
3.15 In de hierop volgende e-mailcorrespondentie hebben klaagster en verweerder gediscussieerd over de deugdelijkheid van verweerders advisering.
3.16 Bij e-mails van 19 september 2024 heeft klaagster verweerder aansprakelijk gesteld en een klacht op basis van de klachtenregeling bij hem ingediend. Klaagster heeft verweerder in dit verband onder meer als volgt bericht:
“Nu duidelijk is dat de huidige wetgeving een tweede verzoek tot splitsing van de huurprijs wel degelijk toelaat en dat het de huurder vrij staat om naar de huurcommissie te stappen, moet ik helaas concluderen dat u onzorgvuldig te werk bent gegaan in uw bewering dat een tweede procedure voor hetzelfde verhaal in deze zaak niet mogelijk is. Deze bewering is juridisch onjuist gebleken. Ik heb dit vanmorgen met u besproken en daarna nog per mail bevestigd.
U wist dat ik van plan was om een huurverhogingsvoorstel te doen, hetgeen, naar ik onlangs heb begrepen, niet is toegestaan bij een all-in huurprijs. Feit is dat de vraag of het wel of niet een all-in huurprijs betreft precies het onderwerp van discussie was (en nu weer is) en dat u mij daarom uit voorzorg had moeten weerhouden van het doen van een huurverhogingsvoorstel. U gaf tenslotte zelf ook aan dat het feit dat er geen reactie van het huurteam was gekomen, niet betekent dat de brief van 9 april 2024 door hen beschouwd is als een afdoende weerlegging van de claim tot huurverlaging.
Helaas werkte de aangekondigde huurverhoging als trigger voor het starten van een nieuwe zaak, waarvan u beweerde dat die niet mogelijk was.
U heeft uw zorgplicht geschonden door mij niet te weerhouden van het doen van een huurverhogingsvoorstel. Ik reken u daarom in deze nalatigheid aan.
Het is mij thans duidelijk dat deze toerekenbare tekortkomingen gaan leiden tot toekomstige vermogensschade. Ik wil bij deze dan ook voor 100% aansprakelijk stellen voor de toekomstige vermogensschade die niet zou plaatsvinden indien u uw zorgplicht had nageleefd en als u zorgvuldig te werk zou zijn gegaan.
Uw klachtenregeling geeft aan dat indien een cliënt een klacht indient, dat de klacht dan wordt doorgeleid naar mr. V, die daarmee optreedt als klachtenfunctionaris (hierna: de klachtenfunctionaris). Ik ga er daarom vanuit dat meneer V op korte termijn contact met mij opneemt.”
3.17 Bij e-mail van 20 september 2024 heeft verweerder onder meer het volgende aan klaagster meegedeeld:
“U heeft mij aansprakelijk gesteld. U heeft geen klacht ingediend, en dus heb ik de klachtenfunctionaris mr. V ook nog niet geïnformeerd.
Los van de vraag of ik wel of niet aansprakelijk ben, u heeft alleen recht op schadevergoeding als u daadwerkelijk schade heeft. (…)”
3.18 Klaagster heeft daarop bij e-mail van 23 september 2024 als volgt gereageerd:
“(…)
Ik zou u willen verzoeken om de aansprakelijkheidsstelling als klacht te behandelen en beide berichten door te sturen naar [de klachtenfunctionaris].”
3.19 Op 11 oktober 2024 heeft klaagster zelf telefonisch contact gezocht met de klachtenfunctionaris, die klaagster heeft geadviseerd om te proberen de kwestie in onderling overleg met verweerder op te lossen.
3.20 Op 14 oktober 2024 heeft een telefoongesprek plaatsgevonden tussen klaagster en verweerder, bij gelegenheid waarvan zij hebben afgesproken om de kwestie over de aansprakelijkheid van verweerder te laten rusten tot de uitkomst van het geschil met de huurder bekend was.
3.21 Op 2 november 2024 heeft klaagster op advies van SAR een minnelijke regeling getroffen met de huurder, samengevat inhoudende een terugbetaling van een bedrag door klaagster aan de huurder van € 1.036,- en een matiging van de huurprijs tot een bedrag van € 1.300,-.
3.22 Bij e-mail van 15 november 2024 heeft klaagster verweerder op de hoogte gesteld dat zij met de huurder een regeling had getroffen en heeft zij verweerder nogmaals aansprakelijk gesteld voor de op dat moment volgens klaagster daadwerkelijk geleden schade. Bij e-mail van 15 november 2024 heeft verweerder betwist aansprakelijk te zijn. In de daaropvolgende correspondentie hebben klaagster en verweerder de discussie voortgezet, hetgeen niet tot een oplossing heeft geleid.
3.23 Op 27 januari 2025 heeft klaagster over verweerder een klacht ingediend bij de deken.
3.24 In februari 2025 heeft de klachtenfunctionaris de klacht in behandeling genomen.
Dit heeft
niet tot een oplossing geleid, zodat de klachtprocedure bij de deken is voortgezet.
4 OMVANG EN ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP
4.1 Het hof stelt voorop dat de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep op grond
van artikel 56 lid 3 Advocatenwet wordt bepaald door de beroepsgronden die tegen de
beslissing van de raad binnen de beroepstermijn zijn aangedragen. Het hoger beroep
van verweerder is gericht tegen de (gedeeltelijke) gegrondverklaring door de raad
van de klachtonderdelen 1 en 2 en van klachtonderdeel 3. Het hoger beroep van klaagster
is (uitsluitend) gericht tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 4 in verbinding
met rechtsoverweging 5.8 van de beslissing van de raad. Dat betekent dat voor zover
de raad de klachtonderdelen 1 en 2 ongegrond heeft verklaard, die beslissingen in
hoger beroep niet meer aan de orde zijn. Voor zover klaagster heeft bedoeld ook tegen
de gedeeltelijke ongegrondverklaring van de klachtonderdelen 1 en 2 hoger beroep in
te stellen, zoals uit haar (latere) verweer op het door verweerder ingestelde hoger
beroep zou kunnen worden afgeleid waarbij zij ook haar verzoeken in hoger beroep heeft
hergeformuleerd, is zij in dat hoger beroep niet-ontvankelijk, nu klaagster in haar
(eerdere) memorie geen beroepsgronden tegen die beslissingen heeft opgenomen. De overwegingen
van de raad over de gedeeltelijke ongegrondverklaring van die klachtonderdelen en
de daarop gegronde beslissingen moeten dan ook in stand blijven. Door de wijze waarop
de wetgever de procedure in hoger beroep heeft ingericht, heeft het hof niet de bevoegdheid
dit nog aan een nadere beoordeling in hoger beroep te onderwerpen.
4.2 Verder geldt op grond van artikel 57 lid 4 Advocatenwet dat het hof onderzoek doet op grondslag van de beslissing van de raad. Ter zitting in hoger beroep heeft klaagster naar voren gebracht dat de oorspronkelijke klachtonderdelen 1 en 2 door de deken zijn omgewisseld en dat de raad dat heeft overgenomen. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de raad blijkt dat de voorzitter van de raad de omschrijving van de klachten aan klaagster heeft voorgehouden op de wijze zoals de klacht hierna ook in deze beslissing is opgenomen. Klaagster heeft zich toen akkoord verklaard met de formulering van de klacht. Op die formulering, waaronder naar het oordeel van het hof ook valt de volgorde van de klachtonderdelen, kan in hoger beroep niet meer worden teruggekomen. De klachtomschrijving is in hoger beroep aldus niet meer aan de orde.
5 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog aan de orde, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende:
1. Verweerder heeft een beroepsfout gemaakt door klaagster er niet van te weerhouden om een huurprijsverhoging aan te zeggen c.q. door klaagster er niet op te wijzen dat een all-in-huurprijs niet kan worden verhoogd;
2. Verweerder heeft een beroepsfout gemaakt door aan te geven dat de huurder niet tweemaal eenzelfde procedure kon starten;
3. Verweerder heeft de klacht niet verwezen naar de klachtfunctionaris, althans de interne klachtregeling is niet gevolgd;
4. Verweerder heeft geen verantwoordelijkheid genomen voor de door hem gemaakte fouten;
5. (…)
6 BEOORDELING RAAD
Ten aanzien van de klachtonderdelen 1 en 2
6.1 De raad heeft over de gegrondverklaring van de klachtonderdelen 1 en 2 het volgende overwogen.
6.2 De raad heeft op grond van de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar
voren is
gebracht vastgesteld dat verweerder klaagster aanvankelijk heeft bijgestaan in het
conflict met haar huurder; laatstgenoemde had via het huurteam gevraagd om huurverlaging
en om ermee in te stemmen dat de huurprijs zou worden gesplitst in een kale huurprijs
(55%) en bijkomende kosten (25%). Volgens de huurder was er sprake van een all-in
huur. Namens klaagster heeft verweerder dit betwist en dit ook aan het huurteam bericht.
Daarbij heeft verweerder klaagster aangegeven dat, als de huurder dit aan de rechter
zou voorleggen, het gevoerde verweer mogelijk geen stand zou houden nu niet alle zaken
daadwerkelijk waren afgeschreven. In zoverre is naar het oordeel van de raad geen
sprake van een beroepsfout. Ook de later gedane mededeling dat na verloop van de wettelijke
termijn de huurder hierop geen verdere actie zou kunnen ondernemen, heeft verweerder,
naar het oordeel van de raad, voldoende gemotiveerd met een verwijzing naar de wetsbepaling.
6.3 De raad heeft er vervolgens op gewezen dat klaagster haar adviesaanvraag in de e-mail van 10 juli 2024 heeft uitgebreid en zich onder meer heeft afgevraagd of het aanzeggen van een huurverhoging, mogelijk per 1 november 2024, verstandig is. De raad heeft verwezen naar de reactie van verweerder in de e-mail van 16 juli 2024, waarin verweerder klaagster heeft gewezen op de risico’s die gepaard gaan met een huurverhoging.
6.4 De raad heeft geoordeeld dat ook dit advies niet leidt tot enig klachtwaardig handelen van verweerder, en heeft erop gewezen dat klaagster dit advies ook ter harte heeft genomen en bij verweerder heeft aangegeven dat het veiliger is om vooralsnog geen huurverhoging in 2024 door te voeren. Ook heeft de raad erop gewezen dat klaagster in dezelfde e-mail met haar reactie aan verweerder heeft gevraagd naar de termijn waarbinnen het huurteam diende te reageren, en of het theoretisch mogelijk zou zijn dat de huurder een nieuwe (eenzelfde) procedure zou starten, dan wel of dat wettelijk niet is toegestaan. Daarover heeft de raad overwogen dat de reactie van verweerder enkel ziet op de zaak waarvoor klaagster zich aanvankelijk tot verweerder had gewend, namelijk wat gebeurt er als een huurder huursplitsing vraagt. Dat verweerder de vraag van klaagster zo heeft begrepen, is naar het oordeel van de raad niet onbegrijpelijk gelet op de discussie daarvoor en gelet op de bewoordingen van klaagster, die het heeft over een nieuwe (eenzelfde) procedure. Daar staat echter tegenover, aldus de raad, dat er tussen partijen eerder is gesproken over een door klaagster gewenste huurverhoging en dat klaagster heeft meegedeeld dat zij graag alle opties wil uitsluiten. Gelet hierop had het naar het oordeel van de raad op de weg van verweerder gelegen om in plaats van heel absoluut te stellen dat het echt afgelopen is, klaagster nog even in herinnering te brengen dat hiermee de risico’s van een huurverhoging, waarop verweerder eerder had gewezen, niet worden weggenomen. In zoverre heeft de raad de klachtonderdelen 1 en 2 gegrond verklaard.
Ten aanzien van klachtonderdeel 3
6.5 Over de gegrondverklaring van klachtonderdeel 3 heeft de raad het volgende overwogen.
6.6 De raad heeft verweerder niet gevolgd in het verweer dat geen sprake was van een klacht maar van een aansprakelijkstelling, waarbij de klachtfunctionaris geen rol speelt. Uit de overgelegde correspondentie blijkt naar het oordeel van de raad genoegzaam dat klaagster expliciet heeft aangegeven dat zij verweerder niet alleen aansprakelijk stelde, maar dat zij ook een inhoudelijke behandeling van haar klacht wenste. Op grond van het bepaalde in artikel 6.28 lid 1 Voda in samenhang met artikel 1 van verweerders kantoorklachtenregeling had verweerder de klacht moeten doorgeleiden naar de klachtfunctionaris. Door dit niet te doen heeft verweerder naar het oordeel van de raad tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
Ten aanzien van klachtonderdeel 4
6.7 Aan de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 4 heeft de raad het volgende ten grondslag gelegd.
6.8 Dat verweerder verweer voert tegen de klachten van klaagster maakt niet dat hij
geen verantwoordelijkheid neemt voor gemaakte fouten. Het staat verweerder namelijk
vrij om verweer te voeren en om dat verweer in te richten op een wijze die hem goeddunkt.
Als niet dan wel onvoldoende weersproken staat vast dat verweerder de aansprakelijkstelling
heeft doorgeleid aan de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar. Daarmee heeft verweerder
gedaan wat hij moest doen, aldus de raad. Dat verweerder geen of onvoldoende verantwoordelijkheid
heeft genomen
is naar het oordeel van de raad niet gebleken.
7 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerder
7.1 Verweerder kan zich niet vinden in het oordeel van de raad in rechtsoverweging 5.6 van de bestreden beslissing over de klachtonderdelen 1 en 2, dat erop neerkomt dat het op de weg van verweerder had gelegen om klaagster (opnieuw) te wijzen op het feit dat bij een eventuele huurverhoging door de huurder een nieuw procedure ingesteld kon worden. Verweerder vindt dat oordeel een overstrekking van de op hem als advocaat rustende zorgplicht. Verweerder wijst erop dat hij de vraag die klaagster op 19 augustus 2025 aan hem heeft gesteld, namelijk of het theoretisch mogelijk was dat de huurder een nieuwe (eenzelfde) procedure zou starten, niet heeft opgevat als een vraag naar de mogelijkheid van een nieuwe procedure na een nieuwe huurverhoging, omdat daar geen reden voor was. Enkele weken daarvoor hij klaagster namelijk al had geïnformeerd over de risico’s van een nieuwe procedure bij een nieuwe huurverhoging (het hof begrijpt dat verweerder doelt op de e-mail van 16 juli 2024), en klaagster had hem bij e-mail van 20 juli 2024 in reactie daarop laten weten vooralsnog geen huurverhoging te zullen doorvoeren. Verder wijst verweerder erop dat klaagster ook niet uitdrukkelijk aan haar vraag heeft toegevoegd: “ook niet als ik een nieuwe huurverhoging aanzeg”, terwijl klaagster haar vragen altijd duidelijk en uitvoerig omschrijft, zodat er ook om die reden voor verweerder geen aanleiding bestond om de vraag breder op te vatten.
7.2 Ten aanzien van klachtonderdeel 3 (rechtsoverweging 5.7 van de raad) erkent verweerder dat het niet juist is geweest dat hij de klachtenfunctionaris niet onmiddellijk heeft ingelicht nadat klaagster daarom had gevraagd. Verweerder wijst er echter op dat klaagster drie weken na de melding (op eigen initiatief) alsnog het beoogde contact met de klachtenfunctionaris heeft gehad, wat tot een zinvolle tussenoplossing heeft geleid, en dat de klachtenfunctionaris ook na afronding van de zaak met de huurder, na tussenkomst van de stafjurist van de deken, adequaat is opgetreden. Verweerder is daarom van mening dat klaagster door het niet onmiddellijk informeren van de klachtenfunctionaris niet is benadeeld, waardoor klaagster geen belang meer heeft bij klachtonderdeel 3 en dit klachtonderdeel ongegrond verklaard moet worden.
Verweer klaagster tegen hoger beroep verweerder
7.3 Klaagster benadrukt dat zij in juli 2024 heeft afgezien van een huurverhoging, omdat op dat moment nog niet duidelijk was of de reactietermijn voor de huurder naar aanleiding van het eerste splitsingsvoorstel al was verstreken. Zij heeft nooit gezegd helemaal van een huurverhoging te zullen afzien. Verder wijst klaagster erop dat de waarschuwing voor de consequenties van een huurverhoging in de e-mail van 16 juli 2024 van verweerder alleen in de context van dat eerste splitsingsverzoek is gegeven en dat ook toen nog niet duidelijk was of de reactietermijn voor de huurder was verstreken. Daarnaast vindt klaagster dat verweerder haar er op dat moment al voor had moeten waarschuwen dat een huurverhoging bij een ‘all-in huurprijs’ niet mogelijk is, wat hij heeft nagelaten. Klaagster voert verder aan dat verweerder uit de formulering van de vraag naar de mogelijkheid van een nieuwe procedure had kunnen afleiden dat klaagster doelde op een geheel nieuw, tweede splitsingsverzoek. Dat klaagster aangaf dat zij alle opties wilde uitsluiten geeft ook aan dat zij om een breder advies vroeg. Als klager de reactietermijn voor de huurder om op het eerste splitsingsverzoek te kunnen reageren bovendien goed had bewaakt, had hij geweten dat die termijn maanden daarvoor al was verstreken. Dan was de kans groter geweest dat hij de vraag van klaagster wel goed had opgevat. Klaagster blijft van mening dat verweerder nalatig is geweest en onzorgvuldig heeft gehandeld.
7.4 Ten aanzien van klachtonderdeel 3 voert klaagster aan dat zij wel nadeel heeft ondervonden van het niet inlichten van de klachtenfunctionaris door verweerder, aangezien het haar veel frustratie en tijd heeft gekost en nog steeds kost. Zij heeft eerst op eigen initiatief meerdere experts op het gebied van huurrecht geraadpleegd en hun reacties, waarin zij stelden dat verweerder verkeerd advies had gegeven, naar verweerder doorgestuurd en vervolgens heeft zij zelf de klachtenfunctionaris benaderd. De klachtenfunctionaris leidde haar echter weer terug naar verweerder. Klaagster benadrukt dat de interne klachtenregeling op geen enkele manier is gevolgd en dat haar klachten zijn genegeerd, waardoor zij genoodzaakt was om een tuchtklacht in te dienen.
Beroepsgronden klaagster
7.5 Het hoger beroep van klaagster is uitsluitend gericht tegen de ongegrondverklaring van klachtonderdeel 4 en de overwegingen die de raad daaraan in rechtsoverweging 5.8 van de bestreden beslissing ten grondslag heeft gelegd. In het beroepschrift herhaalt klaagster haar standpunt dat de kwaliteit van de dienstverlening door verweerder onvoldoende is en dat hij klachten negeert. Klaagster vraagt zich af hoe het kan zijn dat een advocaat die zich, naar zij stelt, niet verdiept in de zaak, adviezen van huurrechtspecialisten negeert en slechts gist dat een tweede splitsingsverzoek van de huur niet mogelijk zou zijn, zijn verantwoordelijkheid heeft genomen. Verder benadrukt klaagster dat zij tweemaal een klacht ten aanzien van verweerder heeft ingediend, namelijk voordat er schade was ontstaan maar schade wel al onvermijdelijk was gebleken, en nadat er schade was ontstaan, die verweerder beide heeft genegeerd en niet naar de klachtenfunctionaris heeft doorgeleid. In dat verband wijst klaagster er tevens op dat verweerder zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar pas heeft ingelicht na een dringend advies van de stafjurist van de deken, op 2 juni 2025, en niet uit eigen beweging. Dat is volgens klaagster eveneens een teken van het niet serieus nemen van de klachten. Dat verweerder hoger beroep tegen de uitspraak van de raad van discipline heeft ingesteld is naar klaagster stelt ten slotte ook een duidelijk teken dat verweerder geen verantwoordelijkheid neemt voor door hem gemaakte beroepsfouten. Klaagster verzoekt het hof:
- klachtonderdeel 4 gegrond te verklaren;
- verweerder te verplichten klaagster binnen twee weken na de uitspraak van het hof in contact te brengen met zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar en een boete aan verweerder op te leggen indien hij dat niet doet;
- verweerder verplicht te stellen het schepje uit zijn bedrijfslogo te verwijderen, omdat het schepje, dat symbool staat voor het diep graven naar relevante wetsartikelen of goede argumenten, misleidend is gebleken.
Verweer verweerder tegen hoger beroep klaagster
7.6 Verweerder bestrijdt dat hij zich niet in de zaak van klaagster zou hebben verdiept. Er lag echter reeds een positiebepaling van één van de voorgaande advocaten in de zaak en verweerder had daar niets aan toe te voegen. Verweerder had de indruk dat klaagster ook goed op de hoogte was van haar positie. Ten aanzien van de adviezen die hij genegeerd zou hebben, voert verweerder aan dat die niet relevant zijn voor de beoordeling van de klachten. In reactie op hetgeen klaagster heeft aangevoerd over het negeren van een tweetal klachten, geeft verweerder aan dat hij is uitgegaan van de klacht van klaagster van 19 september 2024. Ten slotte is de klacht van klaagster over het moment van melden van de claim bij de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar naar de mening van verweerder onterecht, omdat het hem vrijstaat de claim niet te melden, en herhaalt verweerder dat klaagster hierdoor niet is benadeeld.
8 BEOORDELING HOF
Maatstaf
8.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende
klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel
46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel
10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die
regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm
in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen
hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval
beoordeeld.
8.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen
als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat
de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen
als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening
houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij
een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor
kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen
die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden
gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen
de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft
gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende
advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat
er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van
breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.
Het door klaagster ingestelde hoger beroep
8.3 Het hof herhaalt voor de goede orde dat het hoger beroep van klaagster zich richt tegen de ongegrondverklaring door de raad van klachtonderdeel 4, en daartoe ook is beperkt, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 4 is geoordeeld. Dit klachtonderdeel 4 houdt in dat verweerder geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor de door hem gemaakte fouten. Dat verweerder zich, naar klaagster stelt, niet in de zaak zou hebben verdiept, valt daar niet onder. Wat klaagster overigens ten aanzien van klachtonderdeel 4 heeft aangevoerd, geeft het hof geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad. Het hof sluit zich aan bij de motivering en het oordeel van de raad ten aanzien van dit klachtonderdeel en neemt die over.
Het door verweerder ingestelde hoger beroep
8.4 Het hof ziet op basis van de beroepsgronden en het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klachtonderdelen 1 en 2, voor zover gegrond, en 3 te komen dan de raad. Het hof sluit zich aan bij de motivering en het oordeel van de raad ten aanzien van deze klachtonderdelen en neemt die over.
Slotsom
8.5 Het vorenstaande betekent dat het hof het hoger beroep tegen de beslissing van de raad van zowel klaagster als verweerder ongegrond zal verklaren en de beslissing van de raad – voor zover nog aan de orde in hoger beroep - zal bekrachtigen.
9 MAATREGEL
Het hof ziet geen aanleiding een andere maatregel op te leggen dan de door de raad opgelegde maatregel van een waarschuwing nu ook het hof deze passend en geboden acht en zal de beslissing van de raad daarom ook ten aanzien van de maatregel bekrachtigen.
10 PROCESKOSTEN
10.1 Omdat het hof de beslissing van de raad waarbij een maatregel is opgelegd bekrachtigt, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:
a) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
b) € 1.000,- kosten van de Staat.
10.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
11 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
11.1 bekrachtigt - voor zover in hoger beroep aan het oordeel van het hof onderworpen - de beslissing van 23 februari 2026 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch met nummer 25-778/DB/ZWB;
11.2 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. M.F.J.N. van Osch, voorzitter, mrs. D. Wachter
en E.C. Gelok, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 4 september 2026.