ECLI:NL:TAHVD:2026:286 Hof van Discipline 's Gravenhage 260077

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:286
Datum uitspraak: 04-09-2026
Datum publicatie: 04-09-2026
Zaaknummer(s): 260077
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Wat in het algemeen niet betaamt
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klaagster verwijt verweerder zich onnodig grievend jegens haar in haar functie van politieambtenaar te hebben gedragen. De raad heeft de klacht gegrond verklaard en verweerder de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verweerder komt daartegen in beroep. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad. 


Beslissing van 4 september 2026
in de zaak 260077 

naar aanleiding van het hoger beroep van:

[verweerder]
advocaat te [vestigingsplaats]

verweerder


tegen:


[klaagster]
wonende te [woonplaats]

klaagster

1    INLEIDING

1.1    Klaagster verwijt verweerder zich onnodig grievend jegens haar in haar functie van politieambtenaar te hebben gedragen. De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft de klacht gegrond verklaard en verweerder de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verweerder komt daartegen in beroep. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad. 

1.2    Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  


2    DE PROCEDURE 

Bij de raad van discipline

2.1    De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 25-660/AL/MN) een beslissing gegeven op 9 februari 2026. In deze beslissing is de klacht van klaagster gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten. 

2.2    Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2026:45 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.


Bij het hof van discipline

2.3    Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 9 maart 2026 ontvangen door de griffie van het hof. 

2.4    Verder bevat het dossier van het hof:
-    de stukken van de raad; 
-    de e-mail van klaagster van 17 maart 2026.
  
2.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 10 juli 2026. Daar is verweerder verschenen. Verweerder heeft zijn standpunt toegelicht. 


3    FEITEN

3.1    Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.

3.2    Klaagster heeft in haar hoedanigheid van politiemedewerker met verweerder meermaals contact gehad over het ondertekenen van een toestemmingsformulier DNA-traject door een (Roemeense) cliënte van verweerder die in hechtenis zat in de penitentiaire inrichting in Ter Peel (hierna ook: de PI).

3.3    Verweerder heeft klaagster voorgesteld om elkaar voor ondertekening van dat formulier op 
16 augustus 2023 om 11.30 uur in het Paleis van Justitie te Arnhem te treffen omdat zijn cliënte dan daar in het cellencomplex zou zijn vanwege een te houden verhoor in raadkamer. 

3.4    Klaagster was met een collega, mevrouw Van W (hierna: de collega), op 16 augustus 2023 op genoemde locatie en tijd in het cellencomplex. Klaagster en de collega hebben buiten aanwezigheid van verweerder daar gesproken met zijn cliënte. Tijdens dit gesprek is aan klaagster gevraagd om alleen naar de spreekkamer in het cellencomplex te komen. Daar was verweerder aanwezig. Tussen klaagster en verweerster is een woordenwisseling ontstaan. 

3.5    Klaagster heeft van deze gang van zaken op 22 augustus 2023 intern een mutatie gemaakt. 

3.6    Op 15 november 2023 heeft de collega op verzoek van klaagster een verklaring geschreven over het gebeurde op 16 augustus 2023. De collega heeft daarin de gang van zaken, zoals door klaagster in haar klacht omschreven, bevestigd. Verder heeft zij geschreven:

“Op mij kwam het over dat door de kalme en beleefde reacties van mijn collega de ergernis bij [verweerder] groeide. Niet eerder in mijn meer dan 40 politiejaren heb ik een dergelijk ongepast, onbeschoft en beledigend gedrag van een advocaat meegemaakt. 

Mijn collega was prima in staat zich op uiterst correcte wijze te verweren tegen het onprofessionele gedrag van de advocaat. Omdat zijn tirade bleef aan houden en D.V. het Roemeens vertaalde document aan het ondertekenen was, heb ik mijn collega bij de schouder gepakt en haar gezegd dat het beter was op te houden met deze zinloze discussie en de situatie te laten voor wat het was.

Na afloop is het voorval door ons nog meerdere keren besproken. [Klaagster] was duidelijk aangedaan door de onverwachte uitspatting en de geuite beledigingen. En dit terwijl zij juist in alle duidelijkheid en transparantie gehandeld heeft.” 

Eerdere klachtzaak:

3.7    Op 16 augustus 2023 is naar aanleiding van het voorval met klaagster een klacht over verweerder ingediend. Op verzoek van de deken is die klacht door de korpschef ingediend. In deze klachtzaak, bekend onder zaaknummer 24-462/AL/MN, heeft de raad bij beslissing van 10 februari 2025 de korpschef niet-ontvankelijk verklaard. De korpschef heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Het hof heeft op 10 november 2025 de beslissing van de raad bekrachtigd (ECLI:NL:TAHVD:2025:224). 


4    KLACHT

4.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door zich onnodig grievend uit te laten jegens klaagster in haar functie van politieambtenaar in bijzijn van derden en daarmee haar integriteit aan te tasten.

4.2    Toelichting: Volgens klaagster is meerdere keren telefonisch en per e-mail contact tussen haar en verweerder geweest over zijn cliënte D.V. Verweerder had haar al voor 16 augustus 2023 laten weten dat zijn cliënte het DNA-formulier zou ondertekenen. Vanwege de kortere reistijd heeft verweerder voorgesteld om die ondertekening door zijn cliënte op 16 augustus 2023 in het Paleis van Justitie in Arnhem te laten plaatsvinden, omdat zijn cliënte daar dan in het cellencomplex was. Daarmee heeft klaagster ingestemd.

In een cel van het Paleis van Justitie heeft zij, in bijzijn van de collega, aan de cliënte van verweerder uitgelegd wat de te ondertekenen formulieren inhielden en dat daarvan ook een Roemeense versie was. Toen iemand van de arrestantenbewaking meedeelde dat verweerder erbij aanwezig wilde zijn, is zij met haar collega en de cliënte van verweerder naar de spreekkamer gegaan, waar verweerder was. Meteen daarna ontstond een felle confrontatie richting klaagster. Verweerder verweet haar met verheven stem niet op hem te hebben gewacht terwijl hij bij het ondertekenen van het DNA-formulier aanwezig had willen zijn. Daarop heeft klaagster hem laten weten dat zij dat zo niet had begrepen en dat dit tevens niet noodzakelijk was. 

Volgens klaagster wond verweerder zich enorm op en was hij zeer onbeschoft en beledigend tegen haar. Hij vroeg zich af of klaagster ‘wel door de test was gekomen’, zei dat zij een ‘IQ van 100 had’, en dat ‘zij’ niet te vertrouwen waren. Dit alles was waarneembaar voor de cliënte van verweerder, die met grote ogen deze situatie volgde. Ook was dit letterlijk te volgen door haar collega, die in de deuropening stond, en door de arrestantenbewaking in de gang. Klaagster is correct gebleven tijdens het voorval met verweerder, maar een normaal gesprek was met verweerder niet meer te voeren. Klaagster voelt zich door deze onbetamelijke handelwijze van verweerder aangetast in haar integriteit als politiemedewerker, gekleineerd en niet serieus genomen.

Ter onderbouwing van de gang van zaken verwijst klaagster naar haar eigen mutatie van 
22 augustus 2023 en naar het proces-verbaal van bevindingen van 15 november 2023 met daarin een verklaring van de bij het voorval aanwezige collega. 


5    BEOORDELING RAAD

5.1    De raad heeft de klacht gegrond verklaard en als volgt overwogen.

5.2    Tijdens de zitting van de raad heeft verweerder verklaard dat hij woedend was over de gang van zaken. Hij had op 16 augustus 2023 met klaagster afgesproken in de hal van het Paleis van Justitie. Toen hij haar daar niet zag en beneden vanuit de spreekkamer in het cellencomplex zag dat klaagster met zijn cliënte sprak, heeft hij klaagster daarop kort na hun ontmoeting met stemverheffing aangesproken. De raad heeft begrip voor enige boosheid en frustratie van de kant van verweerder omdat naar zijn idee de met klaagster gemaakte afspraken door haar niet waren nagekomen, maar de manier waarop hij daarna klaagster in het cellencomplex van de rechtbank heeft bejegend kan niet als functionele boosheid worden gezien. Naar het oordeel van de raad gaat het te ver en is het een advocaat onwaardig om in je woede, zoals verweerder die had, de betrouwbaarheid van een politieambtenaar in twijfel te trekken. Daarbij staat ook vast, zoals bevestigd door de collega, dat verweerder klaagster ook persoonlijk heeft aangevallen met volstrekt onbetamelijke uitlatingen. Verweerder heeft zich bovendien niet alleen laten gaan richting klaagster in aanwezigheid van zijn eigen cliënte – die zal hebben gemerkt dat er iets niet in orde was – maar bovenal ook in bijzijn van de collega van klaagster en bewakers in het cellencomplex. De raad begrijpt zelfs uit de verklaring van de collega dat het zodanig grimmig werd, dat zij klaagster heeft meegenomen om verdere problemen voor te zijn.

5.3    Wat op 16 augustus 2023 tussen verweerder en klaagster is voorgevallen, kan als een eenmalig incident worden gezien. Verweerder had zich echter achteraf moeten realiseren dat hij te ver was gegaan. De raad acht het van belang dat verweerder na 16 augustus 2023 niets heeft gedaan om het met klaagster uit te praten. Hij had klaagster kort daarna kunnen bellen om excuses aan te bieden. Dat had hij daarna ook kunnen doen tijdens het bemiddelingsgesprek bij de deken of in het kader van de door de korpschef voor klaagster ingediende klacht. Verweerder heeft tijdens de zitting van de raad voor een deel zijn excuses aangeboden, maar de raad is niet gebleken dat sprake is van welgemeende excuses aan klaagster. De raad heeft aan verweerder de maatregel van waarschuwing opgelegd. 


6    BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder

6.1    Verweerder heeft het volgende aangevoerd.

6.2    De raad gaat voorbij aan de essentie van zijn bezwaar tegen klaagster, dat is gelegen in het feit dat hij zeer nadrukkelijk met haar had afgesproken dat zij cliënte nimmer buiten zijn aanwezigheid zou benaderen. Die toezegging deed klaagster. De afspraak was gemaakt dat verweerder en klaagster elkaar zouden treffen in de hal van de rechtbank te Arnhem, en daarna gezamenlijk naar beneden zouden gaan, waar zijn cliënte zich in het cellencomplex bevond. In strijd met deze afspraak, is klaagster toch naar beneden gegaan, waar zij als politiemedewerker toegang had tot dat gedeelte waar zich de cellen bevinden en waar verweerder als advocaat niet kan komen. Aan advocaten wordt een spreekkamer toegewezen, waar door een glazen scheidingswand rechtstreeks contact met cliënten mogelijk is. Achter deze glazen wand verscheen klaagster met in haar hand het DNA-formulier dat cliënte zou ondertekenen. Aangezien zij samen met cliënte verscheen, leidde verweerder daaruit af dat er rechtstreeks contact was gelegd met cliënte.

6.3    Deze gang van zaken, het niet op verweerder wachten in de hal van de rechtbank en het gebruik van haar bevoegdheid om daar te komen in het cellencomplex waar verweerder geen toegang had, is reden genoeg om te menen dat klaagster in strijd met hun afspraak, cliënte toch buiten verweerders aanwezigheid rechtstreeks had benaderd. Waarom klaagster zich nu zo opwindt over het verwijt van verweerder dat zij het vertrouwen had geschaad dat verweerder in haar mocht stellen en haar daar een verwijt van gemaakt, ontgaat verweerder, nu zijn uitlatingen in ieder geval de grenzen van hetgeen hij in het belang van zijn cliënte mag doen niet hebben overschreden. Van de politie, maar ook van advocaten, mag worden verwacht dat zij zich aan afspraken houden, die uitdrukkelijk zijn gemaakt en die van belang zijn in het kader van de bijstand door een advocaat aan zijn cliënt. Er is hier sprake van schending van dat vertrouwen, dat wel degelijk past in verweerders rechtsbijstand aan zijn cliënte en in ieder geval valt binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting. 

Reactie klaagster

6.4     Klaagster heeft bij e-mail van 17 maart 2026 aan het hof geschreven dat zij het eens is met de beslissing van de raad en dat zij verder niet de behoefte heeft om op het beroepschrift van verweerder te reageren.


7    BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1    De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

7.2    Het hof stelt vast dat het gaat om het handelen van de advocaat die niet de advocaat of wederpartij van klaagster was, maar de advocaat van een cliënte bij wiens (straf)zaak klaagster als politieambtenaar betrokken was. 

7.3    De maatstaf die het hof bij de beoordeling daarvan aanlegt, is mede ingegeven door de voor advocaten geldende kernwaarde partijdigheid en houdt het volgende in. Een advocaat geniet een grote mate van vrijheid om de belangen van zijn cliënt te behartigen op de wijze die hem passend voorkomt. Deze vrijheid mag niet ten gunste van een wederpartij of een derde worden beperkt, tenzij haar respectievelijk zijn belangen nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Zo mag de advocaat (a) zich niet onnodig grievend uitlaten, (b) geen feiten poneren waarvan hij de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen, (c) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij of een derde niet onnodig of onevenredig schaden zonder redelijk doel. Daarbij geldt verder dat de advocaat de belangen van zijn cliënt dient te behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat hoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij of een derde toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Overwegingen hof

7.4    Verweerder heeft niet ontkend de gewraakte uitlatingen te hebben gedaan, zodat deze daarmee als onweersproken vaststaan. Evenals de raad is ook het hof van oordeel dat de gedane uitlatingen van verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn. 

7.5    Op basis van het onderzoek in hoger beroep ziet het hof geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad. Anders dan verweerder ziet het hof in het door verweerder aangevoerde argument dat hij de afspraak met klaagster had gemaakt om niet zonder hem de cliënte te spreken in het cellencomplex geen rechtvaardigingsgrond voor de door hem gebruikte woorden. De door verweerder gebruikte bewoordingen zijn onnodig grievend jegens klaagster en daarmee heeft verweerder de betamelijkheidsnorm van artikel 46 Advocatenwet overschreden. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad en neemt die over. 

Slotsom

7.6    Het hof verwerpt de beroepsgronden van verweerder en zal de beslissing van de raad bekrachtigen. Het hof ziet geen aanleiding om de door de raad opgelegde maatregel te matigen, mede nu verweerder ook ter zitting er weinig blijk van heeft gegeven enig zelfinzicht te tonen in de laakbaarheid van zijn handelen. 


8    PROCESKOSTEN

8.1     Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:    
                                                                                                                              
a) € 50,- kosten  van klaagster (forfaitair); 
b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
c) € 1.000,- kosten van de Staat.

8.2     Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 50,- aan kosten van klaagster binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

8.3     Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.


9    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

9.1    bekrachtigt de beslissing van 9 februari 2026 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, genomen onder nummer 25-660/AL/MN;

9.2    veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
9.3     veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.


Deze beslissing is gewezen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. Z.J. Oosting en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Land-Smorenburg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op  4 september 2026.
 

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 4 september 2026.