ECLI:NL:TAHVD:2026:285 Hof van Discipline 's Gravenhage 260344
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:285 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-09-2026 |
| Datum publicatie: | 04-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260344 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Het hof is van oordeel dat de deken in redelijkheid tot haar standpunt kon komen dat een cassatieberoep in deze zaak geen redelijke kans van slagen heeft, gelet op de feitelijkheid en begrijpelijkheid van het door het gerechtshof gegeven oordeel. In de beklagprocedure heeft klaagster geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die tot de conclusie zouden moeten leiden dat het standpunt van deken onjuist is en het zinvol zouden maken een advocaat aan te wijzen voor het uitbrengen van een cassatieadvies. Volgens vaste rechtspraak van het hof levert de omstandigheid dat een procedure geen redelijke kans van slagen heeft een gegronde reden op als bedoeld in artikel 13 lid 2 Advocatenwet om een verzoek tot aanwijzing van een advocaat af te wijzen. |
Beslissing van 4 september 2026
in de zaak 260344
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klaagster
tegen:
mr. I. Aardoom-Fuchs
deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Den Haag
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klaagster heeft op 17 juli 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing
van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 31 juli 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat de cassatieprocedure waarvoor klaagster aanwijzing van een advocaat verzoekt geen redelijke kans van slagen heeft.
Bij het hof
1.3 Klaagster heeft op 14 augustus 2026 een beklag, met bijlagen, tegen de beslissing
van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna steeds: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- het verweer, met bijlagen, van de deken van 20 augustus 2026;
- de repliek, met bijlagen, van klaagster van 24 augustus 2026;
- de dupliek van de deken van 27 augustus 2026.
1.5 Het hof heeft een beslissing genomen op basis van de schriftelijke stukken uit het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 De moeder van klaagster (hierna te noemen: erflaatster) is op [datum van overlijden] te [plaats van overlijden] overleden. Erflaatster heeft bij testament van 16 april 2019 klaagster benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder. Klaagster is samen met haar twee broers erfgenaam.
2.2 Eén van de twee broers van klaagster heeft de kantonrechter verzocht klaagster op grond van artikel 4:149 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) wegens gewichtige redenen te ontslaan uit haar functie van executeur en afwikkelingsbewindvoerder.
2.3 De kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft bij vonnis van 27 juni 2025 klaagster met ingang van die datum ontslag verleend van haar taken als executeur en testamentair bewindvoerder in de nalatenschap van erflaatster.
2.4 Klaagster is tegen die beslissing in hoger beroep gekomen. Bij beslissing van 9 juni 2026 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden, voornoemde beschikking van 27 juni 2025 bekrachtigd.
2.5 Bij webformulier van 17 juli 2026 heeft klaagster op grond van artikel 13 Advocatenwet een verzoek tot aanwijzing van een advocaat ingediend. Het door klaagster ingevulde webformulier houdt daartoe onder meer het volgende in:
“Kunt u uitleggen wat voor procedure u wilt starten? Wat is uw belang bij de procedure?
Cassatie tegen beschikking Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 9 juni 2026 met zaaknummer
200.359.748.
(…)
Met mijn kennis van deze nalatenschap is voor mij duidelijk dat zowel de rechtbank
als het gerechtshof fouten hebben gemaakt in het checken, duiden en aan de hand van
de wet afwegen van de aangedragen feiten, waardoor de nalatenschap in gevaar is gekomen
en geschaad wordt, omdat [broer klaagster] geen enkel respect heeft voor wat zijn
ouders heeft bezield en met hun nalatenschap uiteraard aan ons hebben willen overdragen.
Daarom moet ik - nu inmiddels d.m.v. de hiermee gevraagde cassatie - z.s.m. weer in
mijn functie als executeur hersteld worden (…)”
(…)
Naam benaderde advocaat, naam kantoor en vestigingsplaats kantoor (3)
mr. [S] [Naam kantoor en vestigingsplaats]
Datum waarop u de advocaat heeft benaderd
08-07-2026
Wat is de reden tot afwijzing?
(…) Geachte mevrouw V. De beslissing van het hof dat sprake is van gewichtige redenen
is op drie gronden gebaseerd (verstoorde verhouding, vertraging in de afwikkeling
en tekortschieten). Die moeten allemaal in cassatie met succes worden aangevallen.
De eerste grond is de verstoorde verhouding. Dit is een typisch feitelijk oordeel
evenals het duiden van feiten en de afweging daarvan. De Hoge Raad zal de zaak niet
herbeoordelen. Naar mijn mening zal de zaak daarop al stranden. Puur afgaande op de
beslissing van het hof is mijn voorlopige indruk dat de zaak niet geschikt is voor
cassatie. Ik zou wat dieper op de zaak kunnen ingaan en het dossier kunnen bestuderen
maar ik denk dat het zeer waarschijnlijk is dat ik negatief adviseer en dat ik niet
in cassatie ga, ook niet als u dat wel wil. Aangezien ik de indruk hebt dat u heel
graag in cassatie wil kunt u beter een andere advocaat zoeken die er misschien wel
iets in ziet. Ik zal daarom niets met de zaak doen. (…)”
2.6 Bij beslissing van 31 juli 2026 heeft de deken het verzoek afgewezen. De
afwijzingsbrief houdt onder meer het volgende in:
“Als deken wijs ik geen advocaat aan als op voorhand duidelijk is dat met een procedure
bij de rechter niet kan worden bereikt wat de rechtzoekende wil. Er wordt geen advocaat
aangewezen wanneer bij voorbaat de rechtszaak geen redelijke kans van slagen heeft.
Uit de reactie van de door u benaderde advocaat [mr. S] kan ik opmaken dat de beslissing
van het hof dat sprake is van gewichtige redenen om u als executeur te ontslaan op
drie gronden is gebaseerd, te weten verstoorde verhouding, vertraging in de afwikkeling
en tekortschieten. Zoals [mr. S] terecht aanhaalt, betreft de verstoorde verhouding
een feitelijk oordeel dat de Hoge Raad in cassatie niet zal herbeoordelen.
Het advies van [mr. S] komt mij niet ondeugdelijk voor. Hij heeft bij u aangegeven
dat zijn voorlopige indruk is dat de zaak niet geschikt is voor cassatie en dat bij
een nadere bestudering van het dossier het zeer waarschijnlijk is dat hij negatief
adviseert en dat hij niet in cassatie gaat. In aanvulling hierop kan ik zelf uit de
overwegingen 4.4 en 4.5 van de beschikking van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9
juni 2026 opmaken dat uw zaak geen redelijke kans van slagen heeft. In de genoemde
overwegingen staat dat naar het oordeel van het hof de verhoudingen tussen u als executeur
en [broer klaagster] als erfgenaam ernstig zijn verstoord, waardoor [broer klaagster]
geen vertrouwen meer heeft in uw optreden. Dit wantrouwen is objectief gestaafd, mede
gelet op de moeizame communicatie vanuit u, de gebrekkige en nalatige informatievoorziening
door u en het tijdsverloop tussen het overlijden van erflaatster en heden. U heeft
naar het oordeel van het hof onvoldoende aangetoond dat de afwikkeling van de nalatenschap
door [broer klaagster] onmogelijk is gemaakt of is vertraagd. Verder oordeelt het
hof dat u tekort bent geschoten in uw taken als executeur door een deel van de verkoopopbrengst
van de woning in Leeuwarden te investeren in de woning in Turkije, zonder [broer klaagster]
daarvan op de hoogte te stellen. Dit had naar het oordeel van het hof wel gemoeten.
In overweging 4.6 staat dat het hof van oordeel is dat sprake is van gewichtige redenen
in de zin van artikel 4:149 lid 2 BW, wegens een geobjectiveerd gebrek aan vertrouwen
en het niet voldoen aan uw uitvoerende taken als executeur. Hierdoor kan naar het
oordeel van het hof de beslissing van de kantonrechter om u als executeur te ontslaan
in stand blijven. Het hof heeft deze beslissing onderbouwd aan de hand van de feiten
en omstandigheden. De Hoge Raad zal dit feitelijk oordeel in cassatie niet herbeoordelen.
Op grond van het bovenstaande ben ik van mening dat een procedure geen redelijke kans van slagen heeft. Naar mijn mening zijn er dan ook gegronde redenen om uw verzoek tot aanwijzing van een cassatieadvocaat af te wijzen.”
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen, en
dat de beslissing van de deken vooringenomen en onvoldoende gemotiveerd is. In reactie
op de mededeling van de deken dat geen advocaat wordt aangewezen als op voorhand duidelijk
is dat met een procedure bij de rechter niet kan worden bereikt wat de rechtzoekende
wil, vraagt klaagster hoe de deken dat op voorhand goed en duidelijk kan inschatten,
zonder van het gehele dossier en de redenen voor het instellen van cassatieberoep
te hebben kennisgenomen. Daarnaast vraagt klaagster zich af waar de deken de wettelijke
bevoegdheid vandaan haalt om een afwijzingsverzoek op deze grond af te wijzen. Volgens
klaagster is sprake van een ongeoorloofde blokkering van de rechtsgang door de deken.
Daarbij mag de deken zich volgens klaagster niet op de inschatting van een advocaat
baseren die de zaak ook niet inhoudelijk heeft bestudeerd. Verder voert klaagster
aan dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in de rechtsoverwegingen uit de beschikking
waar de deken naar verwijst de feiten en omstandigheden verkeerd heeft geduid en niet
naar behoren heeft begrepen, wat heeft geleid tot een onjuiste onderbouwing van een
eveneens onjuiste beslissing. Klaagster betwist het oordeel van het hof dat sprake
is van gewichtige redenen in de zin van artikel 4:149 lid 2 BW.
3.2 In repliek heeft klaagster aanvullend om uitstel van de cassatietermijn verzocht.
Verweer
3.3 In reactie op het beklag heeft de deken er allereerst op gewezen dat de Hoge
Raad in een cassatieprocedure geen eigen onderzoek naar de feiten verricht, maar zich
baseert op de door de rechter vastgestelde en/of bewezenverklaarde feiten. De deken
heeft uitgelegd dat dit betekent dat een cassatieadvocaat aan de hand van de vastgestelde
en/of bewezenverklaarde feiten in het arrest van het gerechtshof dient te onderzoeken
of er cassatiegronden aanwezig zijn. De deken heeft vervolgens verwezen naar hetgeen
mr. S daarover aan klaagster heeft meegedeeld. In reactie op de door klaagster aangevoerde
argumenten die volgens klaagster tot vernietiging van de beslissing van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwaren zouden moeten leiden, heeft de deken geschreven dat deze enkel zien
op de feitelijke beoordeling en zich dus niet lenen voor het formuleren van cassatieklachten.
Het standpunt van de deken is dat het aanwijzingsverzoek van klaagster op gegronde
redenen is afgewezen, op grond waarvan de deken tot afwijzing van het beklag concludeert.
3.4 In dupliek is het standpunt van de deken, na kennisname van de repliek van klaagster en de daarbij gevoegde documenten, ongewijzigd.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem of haar bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Ten aanzien van het verzoek in deze zaak
4.2 Zoals uit het voorgaande blijkt, heeft klaagster eerst getracht om met het
daartegen ingestelde hoger beroep het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank
Noord-Nederland van 27 juni 2025 vernietigd te krijgen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
is echter met de kantonrechter van oordeel gebleken dat gewichtige redenen het ontslag
van klaagster als executeur hebben gerechtvaardigd. Het gerechtshof heeft dat oordeel
op basis van de voorliggende feiten uitvoerig gemotiveerd. In cassatie kan over een
dergelijke feitelijke beoordeling niet geklaagd worden. Mr. S heeft dit reeds op juiste
wijze aan klaagster uitgelegd, en aangegeven dat een eventueel cassatieberoep tegen
de beslissing van het hof naar zijn inschatting reeds daarop zou stranden. Naar het
oordeel van het hof betrof dit een deugdelijke constatering en stond het de deken
vrij zich daar mede op te baseren. De deken heeft bovendien ook zelf kennisgenomen
van de beslissing van het hof, en in het bijzonder van de rechtsoverwegingen 4.4.
en 4.5 van de beschikking waar het hof de bekrachtiging van het ontslag van klaagster
op heeft gebaseerd.
Het hof is van oordeel dat de deken op basis daarvan in redelijkheid tot haar standpunt
kon komen dat een cassatieberoep in deze zaak geen redelijke kans van slagen heeft,
gelet op de feitelijkheid en begrijpelijkheid van het door het gerechtshof gegeven
oordeel. In deze beklagprocedure heeft klaagster geen feiten en omstandigheden naar
voren gebracht die tot de conclusie zouden moeten leiden dat het standpunt van deken
onjuist is en het zinvol zouden maken een advocaat aan te wijzen voor het uitbrengen
van een cassatieadvies. Volgens vaste rechtspraak van het hof levert de omstandigheid
dat een procedure geen redelijke kans van slagen heeft een gegronde reden op als bedoeld
in artikel 13 lid 2 Advocatenwet om een verzoek tot aanwijzing van een advocaat af
te wijzen. Daarom zal het beklag tegen de beslissing van de deken ongegrond worden
verklaard.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 31 juli 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. V. Wolting en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 september 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 4 september 2026.