ECLI:NL:TAHVD:2026:284 Hof van Discipline 's Gravenhage 260367
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:284 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-09-2026 |
| Datum publicatie: | 03-09-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260367 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 lid 3 Advocatenwet ongegrond. De derde en thans vierde executieveiling zijn een gevolg van het niet-nakomen door klager van afspraken in de vaststellingsovereenkomst. In de door klager aangevoerde argumenten ziet het hof geen nieuwe feiten of omstandigheden die maken dat de vierde executieveiling een andere (nieuwe) kwestie betreft die los staat van de reeds plaatsgevonden executieveilingen. Dit betekent dat het aanwijzingsverzoek van klager betrekking heeft op dezelfde kwestie waarvoor al eerder aan klager een advocaat is aangewezen. Verder heeft klager in juni 2026 contact gelegd met een advocaat die bereid was klager bij te staan. Klager heeft op 27 juli 2026 laten weten de opdracht niet te kunnen verstrekken vanwege zijn financiële situatie. Dat klager de declaratie volgens zijn zeggen niet heeft kunnen betalen omdat hij het daarvoor benodigde geld niet had ontvangen (van derden), betekent niet dat de deken daarom nu een advocaat moet aanwijzen aan klager. |
Beslissing van 3 september 2026
in de zaak 260367
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
mr. F.A. ten Berge
advocaat en deken van de Orde van Advocaten Midden-Nederland
de deken
1 de procedure
Bij de deken
1.1 Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 21 augustus 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat reeds eerder aan klager een advocaat is aangewezen, de deken niet is gebleken dat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden, klager een advocaat bereid heeft gevonden hem bij te staan en een procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 22 augustus 2026 een beklagschrift tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken
- de repliek
- de dupliek
1.5 Het hof heeft het beklag behandeld op basis van de stukken in het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Op 24 juni 2026 heeft klager bij de deken Noord-Nederland een verzoek tot aanwijzing van een advocaat ingediend. Het verzoek is op 3 augustus 2026 doorgestuurd naar de deken.
2.2 Het aanwijzingsverzoek heeft betrekking op een door de notaris bij brief van 23 april 2026 voor de vierde maal aangezegde executieveiling van de woning van klager op 8 september 2026. Klager heeft daarbij aangevoerd dat het een complex en omvangrijk geschil betreft met de ([naam bank], hierna: de bank) en dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden.
2.3 Volgens klager zijn de belangrijkste gewijzigde omstandigheden:
- de derde executieveiling heeft niet geleid tot een definitieve overdracht;
- de discussie over de roerendheid van de woning heeft zich verder ontwikkeld;
- klacht over de register-taxateur (en hoger beroep van de uitspraak van het tuchtcollege);
- nieuwe ontwikkelingen rondom besluitvorming van de bank;
- voortschrijdende ontwikkelingen in het bestuursrechtelijke traject.
2.4 Per e-mail van 6 augustus 2026 heeft de stafjurist bij het Ordebureau van de deken klager geïnformeerd over de voorwaarden om in aanmerking te komen voor aanwijzing van een advocaat en is klager verzocht om stukken en/of informatie te overleggen. Concreet is om het volgende verzocht:
“(i) De deken is ambtshalve bekend dat op 11 oktober 2024 aan u een advocaat is toegewezen in verband met de aanzegging van de tweede executieveiling van uw tiny house, dat als gevolg van deze advocaat tussen u en de [bank] een vaststellingsovereenkomst is gesloten (8 en 11 november 2024). Ook is de deken ermee bekend dat als gevolg van het (door [de bank] gestelde) niet nakomen door u van de vaststellingsovereenkomst, op verzoek van [de bank] aan u de derde executieveiling van uw tiny house voor maart 2026 is aangezegd en dat een advocaat op uw verzoek in januari/februari 2026 een executie kort geding is gestart. De uitkomst van het kort geding is voor u negatief uitgevallen, zodat de executieveiling van uw tiny house doorgang heeft gevonden. Graag ontvang ik van u in kopie het vonnis in kort geding van februari 2026.
(ii) Gezien het voorgaande, meer in het bijzonder het voor u negatieve vonnis in kort geding en de doorzetting van de executieveiling in maart 2026, is de vraag relevant wat maakt dat er andere of bijzondere feiten of omstandigheden nadien hebben voorgedaan die volgens u noodzaken om een advocaat toe te wijzen. Graag uw toelichting.
(iii) Graag verneem ik uw toelichting waarom de executieverkoop van uw tiny house op 26 maart 2026 geen (verdere) doorgang heeft gekregen. Wat is de reden dat de koop/verkoop door de koper (buitengerechtelijk) is ontbonden?
(iv) Graag verneem ik van u wat voor procedure u wenst in te stellen en wat u van een advocaat verwacht. Wat is volgens u de grondslag om de geplande executieveiling van uw tiny house tegen te houden? Welke andere argumenten dan in het kort geding van januari/februari 2026 gaat u naar voren brengen? Ik zie uw toelichting graag tegemoet.
(v) Nu u op 11 oktober 2024 een advocaat toegewezen heeft gekregen (in verband met de tweede executieveiling van uw tiny house) en u in de periode van januari/februari 2026 een advocaat in de arm heeft genomen in verband met de derde executieveiling, wat verwacht u van een advocaat dat door de voorgaande advocaten niet is bereikt? Graag uw toelichting.
(vi) Uit het webformulier begrijp ik dat u niet actief advocaten(kantoren) heeft benaderd met de vraag of deze u in bedoelde kwestie willen of kunnen bijstaan. Ik verzoek u (alsnog) een lijst toe te zenden van actief benaderde advocaten(kantoren), maar ook een lijst van schriftelijke afwijzingen waaruit (de reden) blijkt dat de advocaten u niet willen of kunnen bijstaan in deze kwestie.”
2.5 Verder heeft de stafjurist in zijn e-mail van 6 augustus 2026 klager als volgt geïnformeerd onder het kopje ‘opmerkingen vooraf’:
“Bij besluit van 11 oktober 2024 heeft [de] deken aan u, gelet op uw verzoek van 18 juni 2024 tot aanwijzing van een advocaat ex artikel 13 van de Advocatenwet, in het kader van de tweede executieveiling van uw tiny house (gepland op 12 november 2024) [naam advocaat, hierna: mr. Van den B) als advocaat aangewezen. Aan u is meegedeeld dat "Verder hecht ik eraan u erop te wijzen dat ik voor de onderhavige kwestie slechts eenmalig een advocaat toewijs."”
In dat kader is tussen u en de bank op 8 en 11 november 2024 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Zoals hierboven vermeld, is (volgens de bank) de vaststellingsovereenkomst door u niet nagekomen, zodat een derde executieveiling is aangezegd voor februari/maart 2026. Hiertegen is op uw verzoek door een advocaat een kort geding procedure gevoerd. Uw vorderingen zijn afgewezen, en de executieveiling heeft in maart 2026 doorgang gevonden. De deken begrijpt dat de veilingverkoop van uw tiny house door de koper (buitengerechtelijk) is ontbonden, waardoor nu op verzoek van de bank een vierde executieveiling aan u is aangezegd.
Ik wijs u erop dat de mogelijkheid bestaat dat uw op 24 juni 2026 ingediende verzoek tot aanwijzing van een advocaat wordt afgewezen, aangezien de deken reeds eerder voor een vergelijkbare kwestie (namelijk een executieveiling) een advocaat heeft aangewezen (en zij maar éénmalig een advocaat toewijst) en van de omstandigheid dat de op verzoek van de bank aan u aangezegde derde en de huidige vierde executieveiling het gevolg zijn van uw nalaten (terwijl u contractueel gehouden was financieel te presteren richting de bank). Daarnaast is niet gebleken, nu dit verzoek tot aanwijzing van een advocaat in de kern hetzelfde verzoek betreft als uw op 18 juni 2024 ingediende verzoek tot aanwijzing van een advocaat, dat geleid heeft tot het besluit van 11 oktober 2024 tot aanwijzing van mr. Van den B als advocaat, van gewijzigde feiten en omstandigheden.”
2.6 Ten slotte is de stafjurist in dezelfde e-mail van 6 augustus 2026 ingegaan op de voorwaarden om in aanmerking te komen voor aanwijzing van een advocaat ex artikel 13 van de Advocatenwet.
2.7 Op 7 augustus 2026 heeft klager nadere informatie verstrekt (in totaal 15 pagina’s). Door klager is daarbij het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 2 februari 2026 overgelegd (in de zaak van klager als eisende partij tegen de bank als gedaagde partij). De vorderingen van klager in kort geding zijn afgewezen, waarbij klager in de proceskosten is veroordeeld. In die procedure werd klager bijgestaan door mr. De J. In het proces-verbaal staat onder andere:
1.4 In oktober 2024 hebben partijen alsnog met elkaar afspraken kunnen maken over de wijze waarop zij definitief afscheid zouden nemen van elkaar. Deze afspraken zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst van 11 november 2024 (hierna: de VSO). Bij het sluiten van deze VSO had [klager] bijstand van een advocaat.
1.5. In de VSO is onder meer opgenomen dat [klager] eind september 2025 een bedrag van zo’n € 25.000,- moet betalen aan [de bank] (de kosten die [de bank] al had gemaakt voor het tot twee keer toe opstarten van het openbare verkooptraject). Verder zou de bancaire relatie tussen partijen per 1 november 2025 eindigen. Daarvoor diende [klager] uiterlijk op 31 oktober 2025 de volledige openstaande (hypothecaire) schuld aan [de bank] te voldoen. Verder hadden partijen afgesproken dat [klager] tot dat moment alle lopende verplichtingen stipt moest nakomen, dat hij zijn lopende klachten zou intrekken en dat hij geen nieuwe klachtprocedures meer zou beginnen. ]De bank] zou alle externe registraties van [klager] uiterlijk op 15 augustus 2025 verwijderen.
1.6. [Klager] heeft niet voldaan aan zijn eerste betalingsverplichting van ongeveer € 25.000,- uit de VSO. [Klager] heeft op 31 oktober 2025 ook niets ingelost op zijn totale schuld aan [de bank] van op dat moment zo’n € 287.000. Daarop heeft [de bank] een notaris opgedragen om de openbare verkoop van de woning van [klager] weer op te starten. De executieveiling zal plaatsvinden op 26 maart 2026.
2.8 In de toelichting van klager op zijn aanwijzingsverzoek heeft klager gesteld dat dit verzoek niet gericht is op een herbeoordeling van dit vonnis in kort geding, maar dat zich ná dat vonnis nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die toen niet aan de voorzieningenrechter konden worden voorgelegd. Daarnaast verwacht klager dat een onafhankelijk gespecialiseerd advocaat de huidige situatie opnieuw beoordeelt aan de hand van het inmiddels gewijzigde feitencomplex, de nieuwe juridische vraagstukken analyseert en beoordeelt welke rechtsmaatregelen in de huidige omstandigheden passend en kansrijk zijn.
2.9 Per e-mail van 7 augustus 2026 heeft de stafjurist nadere vragen gesteld aan klager en verzocht om de volgende stukken:
“(a) Uit de door u verstrekte informatie is het mij niet duidelijk wat voor soort procedure u wenst te voeren tegen de bank en wat u van de bank wenst te vorderen. Graag uw toelichting op dat punt.
(b) Uit uw informatie begrijp ik dat u reeds een advocaat bereid heeft gevonden om u in deze kwestie te adviseren. Voor zover mijn aanname correct is, voldoet u in dat geval niet aan de criteria van artikel 13 van de Advocatenwet, namelijk het criterium van het niet slagen van het vinden van een advocaat om u bij te staan. Voor zover mijn aanname niet correct is, verneem ik graag uw toelichting welke opdracht de door u bedoelde advocaat van u heeft gekregen en waarom de door u bedoelde advocaat u in deze kwestie niet kan bijstaan.
(c) Ondanks mijn verzoek aan u om een lijst van ten minste vijf recent door u actief benaderde advocaten(kantoren) toe te zenden, waaronder ook een lijst van schriftelijke afwijzingen, heeft u hieraan niet voldaan. Niet voldoende is uw verwijzing naar voorgaande periode(n). Ik verzoek u hier alsnog aan te voldoen, te meer u vanaf 23 april 2026 kennis draagt dat op verzoek van de bank een vierde executieveiling aan u is aangezegd.
(d) Graag ontvang ik uw zienswijze naar aanleiding van mijn "opmerkingen vooraf" als bedoeld in mijn e-mail van 6 augustus jl., meer in het bijzonder met betrekking tot de mededeling dat de deken slechts éénmalig een advocaat aanwijst. ”
2.10 Op 9 augustus 2026 heeft klager nadere informatie met bijlagen verstrekt (in totaal 93 pagina’s) aan de deken. Een van deze stukken is een brief van mr. B (door de deken Noord-Nederland als advocaat aangewezen aan klager om advies te verstrekken) aan klager van 13 maart 2026 waarin mr. B het instellen van hoger beroep tegen de uitspraak in kort geding van 2 februari 2026 niet kansrijk acht. Voorts bevatten deze stukken een e-mail van mr. De V aan klager d.d. 29 juli 2026 waarin mr. De V mededeelt dat hij het dossier zal sluiten en de voorschotnota zal crediteren. Dit was de reactie van mr. De V op de eveneens door klager overgelegde e-mail van klager dd. 27 juli 2026 dat hij “vanwege een moeilijke financiële situatie, de opdracht niet (kan) verstrekken (…)”.
2.11 Per e-mail van 11 augustus 2026 heeft klager een aanvulling gegeven op zijn verzoek tot aanwijzing van een advocaat. Klager geeft hierin aan dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland op 22 juli 2026 een beschikking heeft gewezen naar aanleiding van het door de bank ingeroepen beheers- en ontruimingsbeding (inzake de woning van klager), welke beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en aan de bank verstrekkende bevoegdheden verleent ten aanzien van beheer, het onder zich nemen en de ontruiming van de woning van klager. Klager wenst tegen deze beschikking hoger beroep in te stellen in welk verband klager opnieuw aan de orde stelt dat er concrete juridische en processuele vragen voorliggen, die door een advocaat moeten worden beoordeeld.
2.12 Op 13 augustus 2026 heeft klager gerappelleerd bij de deken om een beslissing op zijn verzoek tot aanwijzing van een advocaat te nemen.
2.13 Op 19 augustus 2026 heeft klager gebeld met het Ordebureau en een terugbelverzoek achtergelaten. Per e-mail van 20 augustus 2026 heeft de stafjurist de van klager ontvangen e-mails bevestigd en klager geïnformeerd dat een beslissing op zijn verzoek spoedig zal worden genomen.
2.14 Op 26 augustus 2026 is aan klager de beschikking van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 22 juli 2026 betekend en is de ontruiming van de woning van klager aangezegd tegen 3 september 2026 om 09.30 uur.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen waartoe klager (samengevat) het navolgende aanvoert.
3.2 Volgens klager is de vierde executieveiling niet dezelfde kwestie als de tweede executieveiling waarvoor een advocaat door de deken is aangewezen omdat zich na die procedure nieuwe feitelijke en juridische ontwikkelingen hebben voorgedaan:
- de derde executieveiling heeft niet tot een definitieve overdracht geleid;
- ontwikkelingen rond de juridische kwalificatie van de mantelzorgunit;
- de klachtprocedure betreffende de register-taxateur;
- verdere bestuursrechtelijke ontwikkelingen;
- de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 22 juli 2026 inzake het beheers- en ontruimingsbeding.
3.3 Verder voert klager aan dat hij niet een andere advocaat bereid heeft gevonden
om hem bij te staan omdat klager niet tijdig geld had ontvangen om de voorschotnota
van die advocaat te betalen. Klager heeft richting de deken niet bedoeld aan te geven
dat hij geen advocaat op toevoegingsbasis nodig had of wenste. Klager betwist dat
een procedure geen redelijke kans van slagen heeft omdat het aanwijzingsverzoek een
andere temporele en feitelijke grondslag heeft. Het gaat om de actuele situatie voorafgaand
aan de vierde executieveiling en mede om ontwikkelingen die zich na het vonnis van
2 februari 2026 hebben voorgedaan zoals de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland
van 22 juli 2026.
3.4 Klager vraagt ten slotte ook aandacht voor het feit dat de deken Noord-Nederland zijn aanwijzingsverzoek na meer dan vijf weken heeft doorgestuurd naar de deken terwijl de datum van de executieveiling (8 september 2026) toen al bekend was. De beslissing van de deken volgde echter pas op 21 augustus 2026. Het beklag van klager richt zich ook op de effectiviteit van de vangnetvoorziening van artikel 13 Advocatenwet.
Verweer
3.5 De deken verzoekt het hof het beklag ongegrond te verklaren. Volgens de deken
betreft de vierde executieveiling dezelfde kwestie als de tweede executieveiling waarvoor
de deken op
11 oktober 2024 aan klager een advocaat heeft aangewezen. Volgens de deken zijn
de derde en nu de vierde executieveiling het gevolg van het financieel nalaten van
verplichtingen aan de zijde van klager jegens de bank. De derde executieveiling heeft
daadwerkelijk op 26 maart 2026 plaatsgevonden, maar de koper heeft de koopovereenkomst
(buitengerechtelijk) ontbonden als gevolg van omstandigheden die volgens de deken
aan klager te wijten zijn.
3.6 De deken voert verder aan dat uit de vertrouwelijke correspondentie tussen klager en mr. De V (in de periode van 4 mei tot en met 5 augustus 2026) een beeld naar voren komt van al begonnen werkzaamheden (advisering) door mr. De V op basis van door klager toegezonden stukken. Los van het antwoord op de vraag of er tussen klager en mr. De V een advocaat-cliënt relatie is ontstaan, blijkt hieruit volgens de deken dat klager een advocaat bereid heeft gevonden om hem bij te staan in de onderhavige kwestie. Aan de vereisten van artikel 13 van de Advocatenwet heeft klager daarom niet voldaan. Klager heeft verder volgens de deken zijn stelling dat hij niet het geld heeft ontvangen om de voorschotnota van mr. De V te kunnen betalen, niet schriftelijk onderbouwd. Dat het antwoord van klager op de vraag in het webformulier over gefinancierde rechtsbijstand berust op een verkeerde interpretatie vindt de deken opmerkelijk omdat klager al vaker dit webformulier heeft moeten invullen.
3.7 Ten slotte blijft de deken van mening dat de procedure (executiegeschil in kort
geding) geen redelijke kans van slagen heeft. De deken verwijst daarbij naar de vaststellingsovereenkomst
van
8 en 11 november 2024, het vonnis (executiegeschil) in kort geding van 2 februari
2026 en het advies van mr. B van 13 maart 2026 inzake de (uiterst geringe) kans van
slagen van hoger beroep tegen het vonnis in kort geding van 2 februari 2026. De beschikking
van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 22 juli 2026 brengt
volgens de deken voldoende tot uitdrukking dat er een noodzaak is dat de bank beheer-
en ontruimingsbevoegdheden ten aanzien van het tiny house heeft gekregen. Daarnaast
is de deken van mening dat beantwoording van de door de klager gezochte (rechts)vragen zich niet lenen voor een procedure in kort geding (executiegeschil).
3.8 Ten aanzien van het tijdsverloop voert de deken aan dat de beslissing op de aanvraag van klager binnen de redelijke termijn, als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht, is genomen. De deken heeft haar beslissing genomen binnen achttien dagen nadat het verzoek op 3 augustus 2026 is doorgezonden. De afwijzingsbeslissing is dan ook tijdig genomen. Het indienen van een aanwijzingsverzoek betekent volgens de deken niet dat zij een advocaat moet aanwijzen. Er moet steeds worden getoetst aan de criteria van artikel 13 van de Advocatenwet.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Beoordeling
4.2 Uit de stukken leidt het hof af dat door de deken aan klager in 2024 in verband
met de aanzegging van de tweede executieveiling van zijn woning een advocaat is aangewezen
waarna in november 2024 een vaststellingsovereenkomst tussen klager en de bank tot
stand is gekomen.
De derde en thans vierde executieveiling zijn een gevolg van het niet-nakomen door
klager van afspraken in deze vaststellingsovereenkomst. In de door klager aangevoerde
argumenten ziet het hof geen nieuwe feiten of omstandigheden die maken dat de vierde
executieveiling een andere (nieuwe) kwestie betreft die los staat van de reeds plaatsgevonden
executieveilingen. Dit betekent dat het aanwijzingsverzoek van klager betrekking heeft
op dezelfde kwestie waarvoor al eerder aan klager een advocaat is aangewezen.
4.3 Verder heeft klager in juni 2026 contact gelegd met een advocaat (mr. De V) die bereid was klager bij te staan. Klager heeft op 27 juli 2026 aan mr. De V laten weten de opdracht niet te kunnen verstrekken vanwege zijn financiële situatie. Dat klager die declaratie volgens zijn zeggen niet heeft kunnen betalen omdat hij het daarvoor benodigde geld niet had ontvangen (van derden), betekent niet dat de deken daarom nu een advocaat moet aanwijzen aan klager.
4.4 Het hof begrijpt de urgentie bij klager. De vangnetfunctie van artikel 13 Advocatenwet reikt in de omstandigheden van deze casus echter niet zover dat de deken aan klager een advocaat moet aanwijzen. Het is voor het hof niet duidelijk waarom de deken Noord-Nederland het aldaar op 24 juni 2026 ingediende aanwijzingsverzoek eerst op 3 augustus 2026 heeft doorgestuurd. In het licht van de toen al bekende datum van de aangekondigde executieveiling had eerdere toezending op zijn plaats geweest. De deken heeft evenwel – gelet ook op de omvang van de door klager aangeleverde stukken – met voortvarendheid op het aanwijzingsverzoek van klager beslist.
Slotsom
4.5 Het hof ziet in de door klager aangevoerde argumenten en overgelegde stukken geen reden om tot een andere beslissing dan de deken te komen. Dat leidt ertoe dat het hof het beklag ongegrond zal verklaren.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 21 augustus 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten Midden-Nederland ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter, mrs. V. Wolting en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2026 .
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 3 september 2026.