ECLI:NL:TAHVD:2026:283 Hof van Discipline 's Gravenhage 260340

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:283
Datum uitspraak: 03-09-2026
Datum publicatie: 03-09-2026
Zaaknummer(s): 260340
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing
Beslissingen: Verwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen deken niet verwezen. Het klachtrecht is niet bedoeld om te klagen over procedurele beslissingen die een deken tijdens het klachtonderzoek neemt (zoals het toelaten van stukken of het voeren van regie). Klaagster kan, na afronding van het klachtonderzoek door de deken en na betaling van het griffierecht, haar klacht over mr. B laten toetsen door de raad van discipline.

Beslissing van de voorzitter van

het Hof van Discipline

in de zaak 260340

naar aanleiding van het verzoek van:

klaagster

tegen:

verweerster

1 HET VERZOEK

1.1 De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht van 5 augustus 2026 van klaagster. Hierin verzoekt klaagster aan de voorzitter van het hof een klacht over verweerster te verwijzen naar een andere deken voor onderzoek en behandeling.

1.2 Klaagster heeft de klacht als volgt omschreven:

Er is aan de heer B, advocaat verzocht om inzicht te geven in de financiële afhandeling       na een uitspraak van de Raad van State in mijn voordeel over de gelden die gemoeid waren met die uitspraak en waarvan er een gedeelte van mij was. De klacht is door de deken             doorgezonden voor commentaar, daarin is nog immer geen overzicht gegeven. De advocaat B kreeg een maand uitstel tot heden om hierop alsnog antwoord te geven. Dat heeft hij niet gedaan, waarna ik heden een mail kreeg dat de Deken van Den Haag hem wederom een maand uitstel geeft om te reageren. Ik ben van mening dat een maand meer dan voldoende is om de gevraagde gegevens te produceren en te onderbouwen. Zo moeilijk is het uiteindelijk niet. De financiële verantwoording dient de advocaat gewoon af te leggen en te kunnen overleggen. Daar is niets vreemds aan. Het wederom een maand uitstel geven door de deken is dan ook niet acceptabel.”

2 DE BEOORDELING

2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht tegen een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.

2.2  Uit de klacht leidt de voorzitter af dat de klacht betrekking heeft op een procedurele beslissing van de deken (het geven van uitstel voor verweer) in een lopend klachtonderzoek van de deken.

2.3  Het klachtrecht is niet bedoeld om te klagen over procedurele beslissingen die een deken tijdens het klachtonderzoek neemt (zoals het toelaten van stukken of het voeren van regie). Klaagster kan, na afronding van het klachtonderzoek door de deken en na betaling van het griffierecht, haar klacht over mr. B laten toetsen door de raad van discipline. Binnen de kaders van die procedure kan klaagster al haar bezwaren over het klachtonderzoek door de deken en de daarin door de deken genomen procedurele beslissingen onder de aandacht van de raad van discipline brengen. Daarom zal de voorzitter de klacht over de deken niet verwijzen.

3 BESLISSING

De voorzitter van het Hof van Discipline:

wijst het verzoek tot verwijzing af.



Deze beslissing is genomen op 3 september 2026 door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter.

Plaatsvervangend voorzitter

De beslissing is verzonden op 3 september 2026.