ECLI:NL:TAHVD:2026:282 Hof van Discipline 's Gravenhage 250433

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:282
Datum uitspraak: 31-08-2026
Datum publicatie: 31-08-2026
Zaaknummer(s): 250433
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: De advocaat privé
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Deze zaak betreft een klacht over privégedragingen van een advocaat. Klaagster 2 heeft over verweerder eerder (in mei 2021) een klacht ingediend maar heeft die weer ingetrokken.  Vervolgens is de klacht door klaagsters op 20 februari 2024 bij de deken ingediend. Anders dan de raad acht het hof ten aanzien van klaagster 2 geen strijd met het ne-bis-in-idembeginsel (artikel 47b lid 1 Advocatenwet) omdat over die eerdere klacht geen onherroepelijke tuchtrechtelijke eindbeslissing is genomen. Het hof ziet hierin evenmin aanknopingspunten voor misbruik van het tuchtrecht door klaagster 2.  Anders dan de raad acht het hof ook de maatschap op grond van een eigen rechtstreeks belang ontvankelijk in de klacht. Klaagsters zijn echter niet-ontvankelijk in hun klacht voor zover die ziet op gedragingen van verweerder van voor 20 februari 2021. Voor zover de klacht ziet op gedragingen van na die tijd is de klacht ongegrond.  

Beslissing  van 31 augustus 2026

in de zaak 250433

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klaagsters

tegen:

verweerder

gemachtigde: mr. Ch.L. van den Puttelaar

1 INLEIDING

1.1 Deze zaak betreft een klacht over privégedragingen van een advocaat. Klaagster 2 heeft over verweerder eerder (in mei 2021) een klacht ingediend maar heeft die weer ingetrokken.  Vervolgens is de klacht door klaagsters op 20 februari 2024 bij de deken ingediend. Anders dan de raad acht het hof ten aanzien van klaagster 2 geen strijd met het ne-bis-in-idembeginsel (artikel 47b lid 1 Advocatenwet) omdat over die eerdere klacht geen onherroepelijke tuchtrechtelijke eindbeslissing is genomen. Het hof ziet hierin evenmin aanknopingspunten voor misbruik van het tuchtrecht door klaagster 2.  Anders dan de raad acht het hof ook de maatschap op grond van een eigen rechtstreeks belang ontvankelijk in de klacht.  Klaagsters zijn echter niet-ontvankelijk in hun klacht voor zover die ziet op gedragingen van verweerder van voor 20 februari 2021. Voor zover de klacht ziet op gedragingen van na die tijd is de klacht ongegrond.  

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagsters in beroep zijn gekomen en hoe het hof tot zijn beslissing is gekomen.   

2 DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline

2.1 De raad heeft in de zaak tussen klaagsters en verweerder (zaaknummer: 24-397/DH/RO) een beslissing genomen op 10 november 2025. In deze beslissing is de klacht van klaagster 1 niet-ontvankelijk verklaard en zijn de klachten van klaagsters 2 en 3 deels niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:226 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3 Het beroepschrift van klaagsters tegen de beslissing is op 10 december 2025 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:

  • de stukken van de raad;
  • het verweerschrift van verweerder.

De nagekomen stukken van klaagsters van 26 mei 2026 en 1 juni 2026 (geluidsopnamen en transcripties) maken geen deel uit van het dossier omdat deze te laat en ook overigens zonder nadere toelichting zijn ingediend.  

2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 5 juni 2026. Daar is de gemachtigde van verweerder verschenen die het standpunt van verweerder heeft toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. Klaagsters hebben kort voor de zitting in een e-mailbericht laten weten niet aanwezig te zullen zijn. De daarbij door klaagsters meegestuurde spreekaantekeningen maken geen deel uit van het dossier omdat klaagsters deze niet ter zitting hebben voorgedragen.  

3 FEITEN

3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2 Klaagster 1 is een psychologenpraktijk met als specialisatie hoogbegaafdheid. Klaagsters 2 en 3 zijn de maten van klaagster 1 en doen onder meer gespecialiseerd diagnostisch onderzoek.

3.3 In juli 2019 hebben verweerder en zijn vrouw contact opgenomen met klaagsters voor hulp ten behoeve van hun zoon. Op 29 augustus 2019 heeft een eerste gesprek plaatsgevonden tussen verweerder, zijn vrouw en klaagsters 2 en 3. Klaagsters 2 en 3 zijn vervolgens als hulpverleners bij het gezin van verweerder betrokken geweest.

3.4 Op 2 januari 2020 heeft verweerder de behandelrelatie beëindigd. Verweerder heeft daarna aangedrongen op een verslag van het onderzoek van zijn zoon, maar klaagsters wilden daarvoor eerst een gesprek plannen.

3.5 Op 8 april 2020 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen verweerder en klaagsters 2 en 3 in het souterrain van het advocatenkantoor waar verweerder werkzaam is.

3.6 Op 31 juli 2020 hebben klaagsters vertrouwelijke stukken laten bezorgen op het privéadres van verweerder, voorzien van een factuur. Op 20 augustus 2020 heeft verweerder zijn secretaresse alle stukken laten terugsturen. Op 24 augustus 2020 heeft verweerder de factuur onder protest betaald.

3.7 Op 23 maart 2021 heeft klaagster 2 bij het advocatenkantoor een klacht over verweerder ingediend. In de adressering van de brief is vermeld “[advocatenkantoor], t.a.v. de heer [verweerder]”.

3.8 Op 31 mei 2021 heeft klaagster 2 bij de deken een klacht over verweerder ingediend. Deze klacht heeft betrekking op de afhandeling van de op 23 maart 2021 bij het advocatenkantoor van verweerder ingediende klacht.

3.9 Op 22 juni 2021 heeft verweerder op de klacht gereageerd.

3.10 Bij brief van 23 juni 2021 heeft klaagster 3 aan de deken laten weten dat zij geheel achter de klacht van haar collega staat. Zij schrijft dat de informatie in haar brief als vertrouwelijke achtergrondinformatie of ‘signaal’ moet worden beschouwd.

3.11 Op 12 september 2021 heeft klaagster 2 gereageerd op verweerders reactie van 22 juni 2021. Bij brief van dezelfde datum heeft zij een aanvullende reactie ingediend, waarin zij laat weten dat haar tuchtklacht ook ziet op onder meer “seksueel ongepast, intimiderend en seksistisch gedrag, bedreiging, manipulatie, chantage en victim blaming. We zijn geprest te zwijgen.”

Bij de reactie is een brief  van 12 september 2021 van klaagster 3 aan de deken gevoegd, waarin zij de handelwijze van klaagster 2 ondersteunt.   

3.12 Op 22 oktober 2021 heeft de gemachtigde van verweerder gereageerd. Op 18 januari 2022 heeft de gemachtigde van verweerder op verzoek van de deken inhoudelijk op de aanvullende klacht van 12 september 2021 van klaagster 2 gereageerd. In deze reactie staat onder meer:

“Hoewel [klaagster 2] beweert dat [klaagster 1] niet in [N] is gevestigd, althans gehuisvest, blijkt het tegendeel uit bijgevoegd uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (bijlage 1).”

Bijlage 1 betreft het genoemde uittreksel, waarin ook het privéadres van klaagster 2 is vermeld.

3.13 Op 22 juni 2022 heeft klaagster 2 een reactie c.q. aanvulling bij de deken ingediend. In deze reactie heeft klaagster 2 een overzicht van het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder opgenomen, waaronder ook misbruik van bevoegdheden door het opvragen van een uittreksel KvK met afgeschermde privéadressen. 

3.14 Op 13 juli 2022 heeft de gemachtigde van verweerder gereageerd, waarna de deken bij brief van 2 augustus 2022 zijn visie op de klacht van klaagster 2 heeft gegeven.

3.15 Op 2 september 2022 heeft de deken de klacht doorgezonden aan de raad van discipline (zaaknummer 22-697/DH/RO). Op 25 oktober 2022 heeft mr. H zich als advocaat namens klaagster 2 gesteld.

3.16 Op 29 november 2022 heeft mr. H in een e-mail aan de raad geschreven:

“Inzake bovenvermeld deel ik u hierbij namens [klaagster 2] mee dat de klacht tegen [verweerder] wordt ingetrokken.”

Diezelfde dag heeft mr. H naar de gemachtigde van verweerder gestuurd:

“Cliënte kiest ervoor op dit moment de klacht tegen [verweerder] in te trekken omdat zij via mij deze opnieuw en uitgebreider wenst voor te leggen aan de Deken.”

3.17 Bij brief van 5 december 2022 heeft de griffier van de raad van discipline aan mr. H en verweerders gemachtigde bevestigd dat de klacht is ingetrokken, dat de raad geen redenen van algemeen belang ziet om de klacht voort te zetten en dat het dossier wordt gesloten.

3.18 Bij brief van 23 december 2022 heeft mr. H aan de deken geschreven:

“Ten aanzien van [verweerder] geldt dat ik u heb aangekondigd deze klacht nader te specificeren en aan te vullen. Ik doe dat met deze brief.

Van belang is dat de klacht van [klaagster 2] nader zal worden geduid maar ook dat de klacht thans mede wordt ingediend door [klaagster 3]. (…)

Gezien de grote hoeveelheid stukken waarover ik ben komen te beschikken heb ik mij in het bovenstaande beperkt tot een samenvatting van de klachten van cliënten die van belang zijn bij een verzoek aan u om zich opnieuw over deze zaak te buigen. Daarbij verzoek ik u mij in de gelegenheid te stellen om de bovenvermelde klachten tegen [verweerder] nader te omschrijven en onderbouwen en mogelijk uit te breiden binnen een door u te geven termijn.”

3.19 Op 27 december 2022 heeft de deken gereageerd richting mr. H:

“U geeft daarbij aan nu enkel de samenvatting van de klachten te zenden en u verzoekt om een uitstel om de klachten nader te omschrijven, onderbouwen en mogelijk uit te breiden.

Naar aanleiding daarvan bericht ik u dat ik dit onwenselijk acht; er is al eens een uitgebreide klachtprocedure op mijn bureau gevoerd met latere aanvullingen en forse uitbreidingen. In beginsel geldt dat ik graag zie dat een klacht duidelijk omschreven wordt en zo compleet mogelijk wordt ingediend om complicaties in het onderzoek en het verweer te voorkomen. Dit is zeker aangewezen nu de klacht ziet op een al geruime tijd achter ons liggend feitencomplex waarin zich geen ontwikkelingen meer hebben voorgedaan.

Verder behoort een klacht te worden ingediend via het daartoe bestemde webformulier op onze website. Ik verzoek u daarvan gebruik te maken en de stukken compleet in te dienen, zodat de klacht vervolgens zo efficiënt mogelijk kan worden behandeld.”

3.20 Verweerder en/of zijn gemachtigde hebben geen kopie van de brief van 23 december 2022 van mr. H en de reactie van 27 december 2022 van de deken ontvangen.

3.21 Begin 2023 hebben klaagsters mevrouw B (hierna: B), deskundige op het gebied van sociale veiligheid op de werkvloer, ingeschakeld, in een poging tot een oplossing te komen.

3.22 Op 20 februari 2024 hebben klaagsters 2 en 3, mede namens klaagster 1, een klacht over verweerder bij de deken ingediend. Als bijlage 61 bij de klacht is een verslag dat klaagsters eind mei 2023 voor mr. H hebben gemaakt “waarin de gang van zaken in dit traject en uitingen van verweerder zijn beschreven”.

3.23 Bij het verweer (d.d. 26 maart 2024) op de klacht is een e-mail d.d. 22 maart 2024 van B aan verweerder gevoegd waarin B onder meer heeft vermeld:

“Dank voor het delen van het verslag welke door de dames zelf geformuleerd van de gesprekken die ik met jou heb gevoerd en pagina 62 en 63 van het klaagschrift dat ze tegen je hebben ingediend. (…)

Ik heb ze op jouw verzoek gelezen en moet je eerlijk zeggen dat ik ook best geschrokken ben van de situatie die hier wordt geschetst. (…)

Deze heb ik met beide dames gedeeld maar zeker niet op de manier waarop het nu in dit document wordt neergezet.

Mijn woorden zijn verdraaid of in een andere context geplaatst en sommige dingen zijn niet gezegd. (…)

Ik herken woorden maar niet de verhalen in het document – het is volledig naar hun eigen hand gezet.”

4 KLACHT

4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagsters verwijten verweerder het volgende:

a)    het gedragen jegens klaagsters in zijn hoedanigheid van cliënt van klaagsters waardoor het  vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad (gedragsregel 9 lid 2);

b)    het nalaten ervoor zorg te dragen dat geen misverstand kan bestaan over de hoedanigheid waarin verweerder in een gegeven situatie optreedt (gedragsregel 9 lid 1);   

c)    het verstrekken van feitelijke informatie over klaagsters waarvan verweerder weet, althans behoort te weten, dat die onjuist is (gedragsregel 8), en het zich onnodig grievend uitlaten (gedragsregel 7).

4.2 Klaagsters hebben bij de raad verzocht om een kostenveroordeling ex artikel 48ac juncto 48 lid 2 Advocatenwet. Zij verzochten betaling van hun onkosten voor een bedrag van omstreeks € 30.000,-. Dit betreft kosten verbonden aan (hulp bij) het indienen van de klacht en alle pogingen om verweerder op zijn handelen en laten aan te spreken.

5 BEOORDELING RAAD

Ontvankelijkheid kl aagster 1 – geen rechtstreeks belang

5.1 De raad heeft overwogen dat in deze kwestie niet duidelijk geworden wat het eigen c.q. directe belang van klaagster 1 is bij de klacht over verweerder. De raad heeft geen rechtstreeks belang van klaagster 1 bij de klacht gezien en heeft de klacht van klaagster 1 daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Ontvankelijkheid klaagster 2 – ne bis in idem/misbruik van procesrecht

5.2 De raad heeft geoordeeld dat de eerste klacht van klaagster 2 op 29 november 2022 definitief is ingetrokken door haar advocaat mr. H. Een beroep op een eventuele andere bedoeling bij deze intrekking van klaagster 2 kon haar niet baten. Het bericht van mr. H aan de raad kon namelijk niet anders worden opgevat dan als een ondubbelzinnige intrekking van de klacht. Door het intrekken van de klacht heeft klaagster 2 haar recht om opnieuw over hetzelfde feitencomplex te klagen, prijsgegeven. Een intrekking van een klacht betreft immers een definitieve rechtshandeling waarop niet meer kan worden teruggekomen. Dat mr. H diezelfde dag aan verweerders gemachtigde heeft laten weten dat hij de klacht opnieuw en uitgebreider wenst voor te leggen aan de deken, maakte dat niet anders.

5.3 Technisch gezien was er volgens de raad geen sprake van schending van het beginsel van ne bis in idem, omdat de eerste klacht van klaagster 2 niet heeft geleid tot een uitspraak van de tuchtrechter. De raad heeft deze tweede klacht van klaagster 2 echter als misbruik van procesrecht beschouwd; door de eerdere klacht over dezelfde feiten ondubbelzinnig in te trekken na kennisname van de dekenvisie heeft klaagster 2 bij verweerder het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat deze kwestie tuchtrechtelijk was afgewikkeld. Door toch opnieuw een tuchtklacht in te stellen over dezelfde feiten handelt klaagster 2 in strijd met de ratio van het ne bis in idem-beginsel en heeft zij misbruik van haar bevoegdheid gemaakt om een tuchtklacht in te dienen. De raad heeft klaagster 2 daarom niet-ontvankelijk verklaard voor zover de klacht handelen en/of nalaten van verweerder betreft dat al in de eerste klacht(procedure) aan de orde is geweest.

Ontvankelijkheid klaagster 3 – tijdsverloop

5.4 De raad heeft geoordeeld dat klaagster 3 te laat is met haar klacht voor zover die ziet op gedragingen van verweerder voor 20 februari 2021. Hetgeen klaagster 3 heeft aangevoerd vormde geen grond om de vastgestelde termijnoverschrijding verschoonbaar te achten. Voor dat gedeelte van de klacht heeft de raad klaagster 3 niet-ontvankelijk verklaard.

Inhoudelijk toetsingskader

Uitlatingen verweerder

5.5 Gelet op de uiteenlopende feitelijke stellingen heeft de raad feitelijk niet kunnen vaststellen wat er in het traject met B is voorgevallen. De raad heeft de klacht op dit punt bij gebrek aan feitelijke grondslag ongegrond verklaard.

5.6 Klaagsters 2 en 3 hebben geklaagd over uitlatingen van verweerder richting de school van zijn zoon. Klaagsters hebben hun klacht op dit punt toegelicht maar niet met stukken onderbouwd en verweerder heeft het verwijt betwist. De raad heeft de feitelijke juistheid van de klacht daarmee niet kunnen vaststellen en ook dit deel van de klacht ongegrond verklaard.

5.7 De raad heeft niet kunnen vaststellen dat verweerder in de klachtprocedures de grenzen van de betamelijkheid heef overschreden. Verder heeft de raad ook geen feitelijke onjuistheden geconstateerd. Gezien het langdurende geschil tussen klaagsters en verweerder is het volgens de raad niet onbegrijpelijk dat klaagsters de visie van verweerder als kwetsend hebben ervaren. De raad heeft echter geen onnodig grievende uitlatingen gezien en niet is gebleken dat verweerder zich onnodig negatief, grof en/of grievend heeft uitgelaten over klaagsters. Ook deze klachtonderdelen zijn ongegrond verklaard.

Het KvK-uittreksel

5.8 De raad heeft klaagster 2 op dit punt niet-ontvankelijk verklaard vanwege misbruik van recht.  Het verwijt op dit punt was onderdeel van de eerdere klacht van klaagster 2 en zij kan  deze kwestie niet opnieuw aan de orde stellen. De raad heeft klaagster 3 wel ontvankelijk verklaard omdat zij hierover nog niet eerder had geklaagd, maar heeft niet ingezien welk redelijk belang van klaagster 3 is geschaad. Het privéadres van klaagster 3 kwam toen immers overeen met het vestigingsadres van de maatschap. Verweerder mocht – als advocaat – een dergelijk uittreksel opvragen. Hij en zijn gemachtigde wensten dat te gebruiken ter onderbouwing van het verweer. Het is niet aan klaagsters om voor verweerder te bepalen wat wel en niet noodzakelijk is in het door hem te voeren verweer tegen de tuchtklacht. Dat verweerder hiermee de grenzen van de betamelijkheid te buiten is gegaan, is de raad niet gebleken. Ook dit klachtonderdeel heeft de raad ongegrond verklaard.

5.9 Gelet op de uitkomst van de procedure heeft de raad de door klaagsters verzochte kostenveroordeling afgewezen.

6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klaagsters

Procedureel

6.1 Volgens klaagsters heeft de raad het door klaagsters ingediende bewijs niet, althans onvoldoende, meegenomen in zijn beslissing. Ook heeft de raad onvoldoende en willekeurig feiten opgenomen waardoor een onjuist en onvolledig beeld is ontstaan.

6.2 Klaagster 1 heef wel een rechtstreeks, eigen belang bij de klacht omdat door de handelwijze van verweerder klaagster 1 (de maatschap) schade heeft geleden in de vorm van aantasting van de goede naam en doordat klaagster 2 door ziekte is uitgevallen waardoor de werkzaamheden van klaagster 1 vertraging opliepen. De klacht over het opvragen van het KvK-uittreksel heeft ook betrekking op klaagsters 1.

6.3 Volgens klaagsters is er geen sprake van schending van (de ratio van) het ne-bis-in-idembeginsel omdat de gemachtigde van verweerder op 29 november 2022 is geïnformeerd door de advocaat van klaagsters dat de klacht bij de deken zou worden ingetrokken en aangehouden met de bedoeling de klacht uit te breiden en aan te vullen. Volgens klaagsters wist verweerder dat de klacht zou worden uitgebreid. Voorts was daarover volgens klaagsters ook overleg gaande tussen de gemachtigde van klaagsters en de deken, onder meer op 4 november 2022. Daarom kan de intrekking op 30 november 2022 niet als een definitieve rechtshandeling worden beschouwd zoals de raad heeft gedaan. Uit de bewijsstukken volgt volgens klaagsters dat zij nooit een onherroepelijke intrekking hebben bedoeld. Er is ook geen schending met (de ratio van) dit beginsel omdat er geen onherroepelijke uitspraak ligt over hetzelfde feitencomplex (artikel 47 b lid 1 Advocatenwet). De intrekking van een klacht houdt volgens klaagsters in dat de behandeling wordt gestaakt (artikel 47a lid 2 Advocatenwet) en dat is geen tuchtrechtelijke eindbeslissing aldus klaagsters. 

6.4 Volgens klaagsters heeft de raad het handelen van klaagster 2 ten onrechte als misbruik van procesrecht gekwalificeerd. Klaagster 2 heeft niet onredelijk gebruik gemaakt van het tuchtrecht. De stelling van de raad dat verweerder erop mocht vertrouwen dat de klacht onherroepelijk was ingetrokken is volgens klaagsters onjuist. Daarbij stellen klaagsters dat de deken erop heeft gewezen dat de klacht mocht worden aangevuld. 

6.5 De aangevulde klacht is volgens klaagsters op 23 december 2022 ingediend bij de deken en niet op 24 februari 2024 zoals de raad heeft overwogen, daargelaten dat het dan 20 februari 2024 moet zijn, aldus klaagsters. Volgens klaagsters wordt ten onrechte 20 februari 2024 als datum van indiening beschouwd. Indienen via het webformulier kan volgens klaagsters niet als argument gebruikt worden om aan 23 december 2022 als datum van indiening voorbij te gaan omdat de indiening van de klacht op 20 februari 2024 ook niet via een webformulier is gedaan.

6.6 De door klaagsters aangevoerde argumenten dat een eventuele termijnoverschrijding verschoonbaar is, zijn door de raad niet juist beoordeeld stellen klaagsters. Klaagsters handhaven deze argumenten in beroep. Daarbij wijzen klaagsters erop dat zij in 2020 (na het beëindigen van de opdracht op 2 januari 2020 door verweerder) vooral bezig zijn geweest met hun  verantwoordelijkheden als hulpverleners en hun conflict van plichten daaromtrent. Klaagsters stellen dat zij de keuze om een traject met mevrouw B. in te zetten, hebben gemaakt in de veronderstelling (door uitlatingen van hun advocaat) dat de klacht daarna kon worden doorgezet als de inzet van mevrouw B. geen effect zou hebben.

6.7 In het geval de eerste klacht op 30 november 2022 zou zijn ingetrokken, bevat de klacht die is ingediend op 20 februari 2024 nieuwe feiten, namelijk de gedragingen van verweerder in 2023. Daarmee zijn klaagsters in ieder geval op tijd geweest.

Inhoudelijk

6.8 Klaagsters blijven van mening – onder verwijzing naar de ingebrachte stukken, in het bijzonder de aansprakelijkstelling van mevr. B en klachtonderdeel 3 (20 februari 2024) – dat verweerder zich jegens hen onnodig grievend, negatief, intimiderend en grof heeft uitgelaten. Het sturen van de ‘liefde’ apps door verweerders was volgens klaagsters grensoverschrijdend en binnen het tuchtrechtelijk kader van verweerder niet toegestaan. Volgens klaagsters is de raad ten onrechte uitgegaan van een visie van klaagsters. Het betreft geen visie aldus klaagsters. Wat klaagsters stellen, volgt uit de feiten die in de ingebrachte stukken staan, aldus klaagsters. 

6.9 Volgens klaagsters heeft verweerder misbruik gemaakt van zijn bevoegdheid om als advocaat een uittreksel bij de Kamer van Koophandel op te vragen met vermelding van het privéadres van klaagster 2 (en 3). Sinds 1 januari 2022 worden privéadressen van ondernemers niet meer getoond. Alleen speciaal bevoegde beroepsbeoefenaren hebben toegang tot de privégegevens. Verweerder was niet bevoegd om de privégegevens van klaagsters op te vragen aldus klaagsters. Volgens klaagsters faalt het argument van verweerder dat hij wilde aantonen dat klaagster 1 gevestigd was in Nijmegen omdat verweerder al wist dat de maatschap toentertijd in Almelo was gevestigd.  Er was voor verweerder geen noodzaak om de privégegevens op te vragen en verweerder was er volgens klaagsters al van op de hoogte dat het adres van klaagster 2 was afgeschermd. Verweerder heeft hiermee onbetamelijk gehandeld (inbreuk op de privacy van klaagster 2 en 3).

Verweer verweerder

6.10 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

7 BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

7.2 Ook als een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid, bijvoorbeeld in privé, kan voor hem het advocatentuchtrecht blijven gelden. Als hij zich in die andere hoedanigheid gedraagt op een wijze waardoor het vertrouwen in de advocatuur wordt geschaad, zal in het algemeen sprake zijn van handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt. De advocaat zal in dat geval een tuchtrechtelijk verwijt gemaakt kunnen worden. Privégedragingen van een advocaat zijn overigens alleen dan tuchtrechtelijk van belang als er voldoende verband bestaat met de praktijkuitoefening of als de gedraging voor een advocaat in het licht van zijn beroepsuitoefening absoluut ongeoorloofd moet worden geacht en het vertrouwen in de advocatuur ondermijnt.

Overwegingen hof

7.3 Het hof zal zich allereerst uitlaten over de ontvankelijkheid van de klacht omdat het beroep van klaagsters mede is gericht tegen het oordeel van de raad dat klaagster 1 niet-ontvankelijk is in haar klacht en klaagsters 2 en 3 gedeeltelijk niet-ontvankelijk zijn in hun klachten.

Ontvankelijkheid klaagster 1  

7.4 Het is vaste jurisprudentie van het hof dat slechts kan worden geklaagd over een advocaat indien de klager door het handelen of nalaten van deze advocaat (rechtstreeks) in zijn eigen belang is of kan zijn getroffen. Het persoonlijke karakter van het tuchtrecht brengt mee dat alleen diegene die onheus is bejegend over die bejegening kan klagen (HvD 2 maart 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:66).

7.5 De vraag die voorligt is of de maatschap een rechtstreeks, eigen belang heeft bij de klacht.  Het hof beantwoordt deze vraag – met verwijzing naar de uitspraak van het hof van 10 november 2025 (ECLI:NL:TAHVD:2025:228) – bevestigend. Klaagster 1 (de maatschap) kan uitsluitend handelen door haar maten (klaagsters 2 en 3). Dit betekent dat feitelijk de maatschap en de maten niet van elkaar kunnen worden gescheiden: het bedrijfsmatig handelen van de maten raakt daarmee de belangen van de maatschap. Gelet hierop heeft de maatschap een eigen, rechtstreeks belang bij de klacht van 20 februari 2024. Klaagster 1 is daarom ontvankelijk met inachtneming van het hierna bepaalde ten aanzien van de reikwijdte van de klacht in het licht van artikel 46g lid 1a Advocatenwet.

Ontvankelijkheid klaagster 2  

7.6 Nadat klaagster 2 op 31 mei 2021 een klacht over verweerder heeft ingediend bij de deken, heeft haar gemachtigde (mr. H) op 29 november 2022 aan verweerder (en de raad) laten weten dat die klacht werd ingetrokken omdat klaagster haar klacht opnieuw en uitgebreider zou gaan voorleggen aan de deken. Deze nieuwe klacht is op 20 februari 2024 ingediend bij de deken.

7.7 In tegenstelling tot de raad is het hof van oordeel dat klaagster 2 met de intrekking van haar klacht op 29 november 2022 haar recht om opnieuw een klacht over verweerder over hetzelfde feitencomplex in te mogen dienen niet heeft prijsgegeven. Uit de berichtgeving van de gemachtigde van klaagster 2 volgt duidelijk dat de intrekking alleen bedoeld was om de klacht uit te breiden en daarna opnieuw in te dienen. Klaagster 2 heeft dan ook geenszins ondubbelzinnig afstand gedaan van haar recht om een klacht over verweerder in te dienen, noch tegenover de raad noch tegenover verweerder. De handelwijze van klaagster 2 kwalificeert ook niet als misbruik van recht en evenmin is er – ook niet indirect – sprake van schending door klaagster 2 van het ne-bis-in-idembeginsel (artikel 47b lid 1 Advocatenwet). Daarvan kan alleen sprake kan zijn als op de klacht van 31 mei 2021 door de raad of het hof onherroepelijk zou zijn beslist. Dat is niet het geval. Het hof oordeelt dat de raad klaagster 2 ten onrechte om deze reden niet-ontvankelijk heeft verklaard.

7.8 Klaagster 2 heeft haar klacht over verweerder opnieuw bij de deken ingediend op 20 februari 2024. Dit  betekent dat de klacht uitsluitend betrekking kan hebben op het handelen of nalaten van verweerder vanaf 20 februari 2021 (artikel 46g lid 1a Advocatenwet). In zoverre de klacht van klaagster 2 ziet op gebeurtenissen van vóór 20 februari 2021 is klaagster 2 niet-ontvankelijk.

Ontvankelijkheid klaagster 3

7.9 De ontvankelijkheid van klaagster 3 volgt hetzelfde spoor als dat van klaagster 2 (zie randnummers 7.7 en 7.8). Uit het dossier heeft het hof niet kunnen vaststellen dat klaagster 3 op een eerdere datum dan 20 februari 2024 ondubbelzinnig een eigen klacht over verweerder heeft ingediend. Ook ten aanzien van klaagster 3 geldt dat de klacht uitsluitend betrekking kan hebben op het handelen of nalaten van verweerder vanaf 20 februari 2021 (artikel 46g lid 1a Advocatenwet).  In zoverre de klacht van klaagster 3 ziet op gebeurtenissen van vóór 20 februari 2021 is klaagster 3, zoals ook de raad heeft beslist, niet-ontvankelijk.

7.10 Uit het voorgaande volgt dat het hof klaagsters niet volgt in hun stelling dat de (aanvullende) klacht al op 23 december 2022 geacht wordt te zijn ingediend. Gelet op de brief van de deken van 27 december 2022 mochten klaagsters daar ook niet van uitgaan. Van verschoonbaarheid voor het later indienen van de klacht op (uiteindelijk) 20 februari 2024 is het hof niet gebleken. Het daarvoor aangevoerde is ontoereikend.

Beroep tegen de feiten

7.11 Het hof heeft de voor de beoordeling van het beroep van belang zijnde feiten zelfstandig vastgesteld onder randnummer 3 van deze beslissing. Dat betekent dat de beroepsgronden die klaagsters hebben gericht tegen de vaststelling van de feiten door de raad geen bespreking meer behoeven.

Klachtonderdeel a): verweerders gedrag jegens klaagsters

7.12 Uit de toelichting van klaagsters volgt dat dit klachtonderdeel gaat over de gedragingen van verweerder in de periode vóór 20 februari 2021. Zoals hiervoor onder randnummers 7.7 t/m 7.9 toegelicht, zijn klaagsters in zoverre niet-ontvankelijk waardoor de beroepsgronden tegen dit klachtonderdeel geen behandeling behoeven.

Klachtonderdelen b) en c) : gebruik zakelijk e-mailadres, opvragen KvK-uittreksel, uitlatingen van verweerder over klaagsters tegenover mevrouw B en ingenomen standpunten in de klachtprocedures

7.13 Klaagsters zijn niet-ontvankelijk voor zover deze klachtonderdelen zich richten op gedragingen van verweerder in de periode vóór 20 februari 2021. Daaronder valt het verwijt van klaagsters over het gebruik van het kantoor van verweerder op 8 april 2020 voor een gesprek tussen klaagsters en verweerder. De verwijten van klaagsters over verweerder die het hof inhoudelijk zal toetsen hebben betrekking op het volgende: gebruikmaken van het zakelijk e-mailadres, het opvragen van het KvK-uittreksel van de maatschap (klaagster 1) en de uitlatingen van verweerder over klaagsters tegenover mevrouw B.   

7.14 Het hof dient eerst vast te stellen of deze gedragingen zijn gedaan door verweerder in zijn hoedanigheid van advocaat althans of dit privégedragingen zijn met voldoende aanknopingspunten met de praktijkuitoefening van verweerder. In dat geval vindt een volle toets aan de betamelijkheidsnorm van artikel 46 Advocatenwet plaats. Anders geldt de beperkte maatstaf die inhoudt of de betreffende gedraging van verweerder in het licht van zijn beroepsuitoefening absoluut ongeoorloofd moet worden geacht (HvD 26 augustus 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:136). Het hof zal – behoudens het opvragen van het KvK-uittreksel door verweerder – de beperkte maatstaf toepassen omdat aan de klacht evident een privékwestie ten grondslag ligt die losstaat van de praktijkuitoefening van verweerder.

7.15  Zowel het gebruik van het zakelijk e-mailadres door verweerder als de wijze waarop verweerder zich heeft verweerd in de klachtprocedures en zich heeft gedragen bij mevrouw B doorstaat de toets aan de aan de hiervoor (randnummer 7.14) genoemde beperkte maatstaf. Het hof licht dit als volgt toe.

7.16 Naar het oordeel van het hof heeft verweerder er jegens klaagsters nooit onduidelijkheid over laten bestaan dat hij in privéhoedanigheid handelde. Dat geldt ook voor de momenten waarop verweerder aan klaagsters berichten stuurde vanaf zijn zakelijke e-mailadres omdat die berichten betrekking hadden op of samenhingen met de onderliggende privékwestie. Het enkele gebruik van het zakelijke e-mailadres maakt niet dat verweerder op die momenten in hoedanigheid van advocaat handelde. Daarvoor zijn de context, strekking en inhoud van de berichten bepalend en die wijzen in deze zaak op de onderliggende privékwestie. Het ware wel beter geweest als verweerder in deze privékwestie over de behandeling van zijn zoon niet zijn zakelijk e-mailadres had gebruikt.

7.17 Het hof constateert op basis van de stukken in het dossier dat de uitlatingen van verweerder over klaagsters (na 20 februari 2021) niet altijd even fraai zijn geweest. Dat geldt ook voor de wijze waarop verweerder zich over klaagsters heeft uitgelaten bij deskundige B, die door klaagsters in 2023 was ingeschakeld, en de school van de zoon van verweerder. Het betreft volgens het hof evenwel uitlatingen die verweerder heeft gedaan als een betrokken en emotionele vader in een voortslepende privékwestie met klaagsters. Het hof kan zich voorstellen dat klaagsters de uitlatingen en bejegening van verweerder als kwetsend hebben ervaren, maar deze zijn in het licht van de toepasselijke beperkte maatstaf niet tuchtrechtelijk verwijtbaar.

7.18 Verweerder heeft op 5 januari 2022 het KvK-uittreksel van de maatschap (klaagster 1) opgevraagd en op 18 januari 2022, in de fase van het dekenaal onderzoek, als onderbouwing van zijn verweer ingebracht in de toen lopende klachtprocedure naar aanleiding van de op 31 mei 2021 ingediende klacht. Met de raad is het hof van oordeel dat verweerder dat in zijn hoedanigheid van advocaat mocht doen en daarmee niet in strijd heeft gehandeld met de betamelijkheidsnorm van artikel 46 Advocatenwet.

Slotsom

7.19 Uit het voorgaande volgt dat klaagster 1 met klaagsters 2 en 3 ontvankelijk is binnen de in overwegingen 7.8 en 7.9 aangegeven grenzen. Inhoudelijk oordeelt het hof dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en ook overigens is het hof niet gebleken dat verweerder in de hoedanigheid van privépersoon het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Daarom zal het hof de klacht van klaagster 1 en 2 alsnog ongegrond verklaren en de beslissing van de raad voor het overige bekrachtigen, ook wat betreft de door de raad afgewezen kostenveroordeling. 

8 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

8.1 vernietigt de beslissing van 10 november 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, genomen onder nummer 24-397/DH/RO, voor zover klaagster 1 en klaagster 2 niet-ontvankelijk zijn verklaard;

en doet opnieuw recht:

8.2 verklaart klaagsters 1 en 2 ontvankelijk voor zover zij klagen over gedragingen van verweerder van ná 20 februari 2021;

8.3 verklaart de klacht van klaagsters 1 en 2 ongegrond;

8.4 bekrachtigt de beslissing van 10 november 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, genomen onder nummer 24-397/DH/RO, voor het overige;

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. J.D. Streefkerk, A. van Holten, G.C. Endedijk en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, en in het openbaar uitgesproken op 31 augustus 2026.

griffier                                                                                     voorzitter             

De beslissing is verzonden op 31 augustus 2026 .