ECLI:NL:TAHVD:2026:281 Hof van Discipline 's Gravenhage 250253

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:281
Datum uitspraak: 28-08-2026
Datum publicatie: 31-08-2026
Zaaknummer(s): 250253
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klaagster heeft (beperkt) hoger beroep ingesteld. De gemachtigde van klaagster noch klaagster zelf is ter zitting bij het hof verschenen. Het hof ziet geen aanleiding om de zitting te heropenen, zoals door de gemachtigde van klaagster is verzocht. Het hof is het eens met de beslissing van de raad en bekrachtigt deze beslissing, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen

Beslissing van 28 augustus 2026

in de zaak 250253

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klaagster

gemachtigde: [naam]

tegen:

verweerder

1 INLEIDING

1.1 Klaagster heeft (beperkt) hoger beroep ingesteld. De gemachtigde van klaagster noch klaagster zelf is ter zitting bij het hof verschenen. Het hof ziet geen aanleiding om de zitting te heropenen, zoals door de gemachtigde van klaagster is verzocht. Het hof is het eens met de beslissing van de raad en bekrachtigt deze beslissing, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom de gemachtigde van klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2 DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline

2.1 De Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 25-206/DB/OB) een beslissing gewezen op 23 juni 2025. In deze beslissing is de klacht van klaagster in alle onderdelen ongegrond verklaard.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:102 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is na doorzending door de griffie van de raad op 21 juli 2025 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:

  • de stukken van de raad;
  • het verweerschrift.  

2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 3 juli 2026. Daar is verweerder verschenen. Klaagster noch haar gemachtigde is verschenen.

2.6 Na de mondelinge behandeling is bij het hof op 3 juli 2026 een e-mail (met bijlagen) van de zijde van de gemachtigde van klaagster ingekomen, waarin de gemachtigde van klaagster het hof verzoekt om aanhouding of heropening van de zaak wegens het ontbreken van een videoverbinding (waardoor klaagster en haar gemachtigde niet aan de zitting hebben deelgenomen).

2.7 Het hof heeft de gemachtigde van klaagster daarop schriftelijk medegedeeld dat het onderzoek ter zitting op 3 juli 2026 is gesloten en de uitspraak is bepaald op 28 augustus 2026 en dat het verzoek om het klachtdossier te heropenen en een nieuwe zittingsdatum te bepalen zal worden meegenomen in de verdere beoordeling van de zaak.

2.8 Het hof heeft verweerder in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek van de gemachtigde van klaagster. Zijn reactie is bij het hof ingekomen op 7 juli 2026. Verweerder heeft verklaard dat hij zich verzet tegen heropening van de klachtzaak, maar zich refereert aan het oordeel van het hof.

3 FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.1 Klaagster is verwikkeld (geweest) in een arbeidsgeschil met haar voormalig werkgever [naam]. Klaagster is in februari 2023 arbeidsongeschikt geworden. Het geschil had – onder meer – betrekking op de vraag of [naam] haar re-integratieverplichtingen naar behoren was nagekomen. Het UWV heeft op 18 maart 2024 een deskundigenoordeel gegeven, inhoudend dat [naam] was tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende re-integratieverplichtingen.

3.2 Klaagsters rechtsbijstandsverzekeraar heeft de behandeling van het arbeidsgeschil op 10 juli 2024 uitbesteed aan verweerders kantoor. Mr. De W, (destijds) werkzaam als juridisch medewerker bij verweerders kantoor, heeft het dossier onder verantwoordelijkheid van verweerder in behandeling genomen. Nadat op 10 juli 2024 een eerste telefoongesprek tussen klaagsters echtgenoot en mr. De W had plaatsgevonden, heeft klaagsters echtgenoot op 11, 13 en 21 juli 2024 aanvullende informatie aan mr. De W toegestuurd. Op 22 juli 2024 heeft tussen mr. De W en klaagster (althans haar echtgenoot) een gesprek plaatsgevonden, waarbij is besproken dat mr. De W de juridische mogelijkheden tot hervatting van de re-integratie zou onderzoeken. Klaagsters echtgenoot zou ondertussen proberen mediation in gang te zetten. Op 24 juli 2024 heeft de bedrijfsarts mediation afgeraden.

3.3 Op 6 augustus 2024 heeft tussen klaagsters echtgenoot en mr. De W een telefoongesprek plaatsgevonden. Klaagsters echtgenoot heeft aan mr. De W medegedeeld dat hij mediation wilde afdwingen en niet vooraf in gesprek te willen gaan met de werkgever en het re-integratiebedrijf. Mr. De W heeft klaagster geadviseerd om een driegesprek te voeren en vooraf schriftelijk vast te leggen dat het driegesprek kon worden gevoerd onder de voorwaarde dat direct mediation gestart kon worden. Klaagsters echtgenoot was het niet eens met dit advies. Klaagsters echtgenoot heeft aangegeven dat mr. De W mediation moest afdwingen en dat hij anders terug zou gaan naar de rechtsbijstandsverzekeraar.

3.4 Bij e-mail van 7 augustus 2024 heeft de echtgenoot van klaagster zich bij verweerder beklaagd over de kwaliteit van de door mr. De W verleende bijstand en heeft hij verweerders kantoor aansprakelijk gesteld. Eveneens op 7 augustus 2024 heeft verweerder op de klacht gereageerd en geconcludeerd dat mr. De W klaagster correct en adequaat had geadviseerd. Verweerder heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen. Verder heeft verweerder aan de echtgenoot van klaagster medegedeeld dat sprake was van een vertrouwensbreuk, zodat de werkzaamheden werden neergelegd. Verweerder heeft (de echtgenoot van) klaagster geadviseerd om voor verdere rechtsbijstand contact te zoeken met de rechtsbijstandsverzekeraar.

3.5 Op 8 augustus 2024 heeft (de echtgenoot van) klaagster over verweerder een klacht ingediend bij de deken.

4 KLACHT

4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende:

Mr. De W, juridisch medewerker die onder verweerders verantwoordelijkheid werkt, is tekort geschoten in de behandeling van klaagsters zaak doordat zij:

1. heeft verzuimd om het contact met de werkgever en het reïntegratiebedrijf van klaagsters echtgenoot over te nemen;

2. geen actie heeft ondernomen en niet is overgegaan tot dagvaarden;

3. heeft verzuimd om ervoor te zorgen dat de re-integratieverplichtingen door het UWV (met kostenverhaal op [naam]) zouden worden overgenomen;

4. de zaak niet voortvarend (genoeg) heeft opgepakt ondanks dat bij herhaling is aangegeven dat spoed geboden was;

5. heeft nagelaten een deugdelijk advies te geven voor wat betreft het (aannemen en/of aanhouden van een) vakantiebaantje;

6. niet heeft onderkend dat de weigerachtige houding van de wederpartij ter zake de re-integratieverplichtingen werd ingegeven door een bepaalde tactiek.

5 BEOORDELING RAAD

5.1 De raad heeft de klacht van klaagster in alle onderdelen ongegrond verklaard en daartoe het navolgende overwogen.

Klachtonderdeel 1 – geen overname contact werkgever / re-integratiebedrijf

5.2 Klaagster verwijt verweerder dat mr. De W heeft verzuimd om het contact met de werkgever en het reïntegratiebedrijf van klaagsters echtgenoot over te nemen. Verweerder heeft gemotiveerd bestreden dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar nalaten sprake is. Verweerder heeft in dat verband naar voren gebracht dat mr. W op goede gronden heeft ontraden om het contact met de werkgever en het reïntegratiebedrijf over te nemen. De raad heeft geoordeeld dat mr. De W zich in haar advisering aan klaagster op het verdedigbare standpunt gesteld dat inmenging van een jurist (in dit geval mr. De W) mogelijk zou leiden tot een verharding van de verhouding tussen klaagster en haar werkgever, hetgeen gezien klaagsters wens tot mediation, niet in klaagsters belang was. Het is voorts niet ongebruikelijk dat een juridisch adviseur of advocaat onder de gegeven omstandigheden op de achtergrond adviseert. De raad heeft op grond van het voorgaande geoordeeld dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen of nalaten geen sprake is geweest. De raad heeft klachtonderdeel 1 ongegrond verklaard.

Klachtonderdelen 2, 3 en 4 – onvoldoende actie en voortvarendheid

5.3 Klaagster verwijt verweerder dat mr. De W geen voortvarende actie heeft ondernomen, niet is overgegaan tot dagvaarden en dat zij heeft verzuimd om ervoor te zorgen dat de re-integratieverplichtingen door het UWV zouden worden overgenomen. Deze klachtonderdelen heeft de raad gezamenlijk behandeld. Verweerder heeft ook deze klachtonderdelen gemotiveerd weersproken. De raad heeft overwogen  dat bij de beoordeling van de klacht het korte tijdsbestek – van 10 juli 2024 tot 7 augustus 2024 – waarin mr. De W klaagsters dossier in behandeling heeft gehad in aanmerking moet worden genomen. De raad heeft overwogen dat het onderzoek naar de juridische mogelijkheden en het vervolgens tot stand komen van een weloverwogen (proces-)advies in een arbeidsgeschil als het onderhavige nu eenmaal enige tijd kost. Bij het nemen van rechtsmaatregelen is in arbeidsgeschillen als de onderhavige bovendien behoedzaamheid geboden, omdat het nemen van rechtsmaatregelen tot een (verdere) verstoring van de arbeidsrelatie kan leiden. Dat mr. De W niet direct tot dagvaarding is overgegaan betekent niet automatisch dat zij in klaagsters dossier onvoldoende actie heeft ondernomen. Uit de aan de raad overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is naar het oordeel van de raad gebleken dat mr. De W zich in het korte tijdsbestek dat zij klaagsters dossier in behandeling heeft gehad in voldoende mate voor klaagster heeft ingezet. Nu aan de werkzaamheden van mr. De W vanwege de ontstane vertrouwensbreuk voortijdig een einde is gekomen, bestaat voor het maken van een tuchtrechtelijk verwijt dat mr. De W te weinig voor klaagster heeft gedaan of bereikt geen aanleiding. Ook de klachtonderdelen 2, 3 en 4 heeft  de raad dan ook ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel 5 – geen deugdelijk advies over vakantiebaan

5.4 Klaagster verwijt verweerder dat mr. De W heeft nagelaten een deugdelijk advies te geven voor wat betreft het (aannemen en/of aanhouden van een) vakantiebaantje. Ook dit klachtonderdeel is gemotiveerd weersproken door verweerder. Verweerder heeft in dat verband naar voren gebracht dat klaagster de vakantiebaan in april 2024 heeft aangenomen en dat mr. De W toen nog niet betrokken was bij de zaak. Verder heeft verweerder naar voren gebracht dat de vakantiebaan nooit onderwerp van gesprek is geweest tussen klaagster en mr. De W en dat uit het bericht van D Advocaten, door welk kantoor klaagster eerder was bijgestaan, ook niet bleek dat van een hulpvraag op dit punt. Tegenover het verweer van verweerder heeft klaagster de klacht naar het oordeel van de raad onvoldoende onderbouwd, terwijl in de overgelegde stukken ook geen aanknopingspunten kunnen worden gevonden voor de juistheid van klaagsters verwijt dat mr. De W haar geen deugdelijk advies over de vakantiebaan heeft gegeven. Klachtonderdeel 5 is op grond van het voorgaande eveneens ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel 6 – niet onderkennen tactiek wederpartij

5.5 Klaagster verwijt verweerder dat mr. De W niet heeft onderkend dat de weigerachtige houding van de wederpartij ter zake de re-integratieverplichtingen werd ingegeven door een bepaalde tactiek. Verweerder heeft in zijn verweer tegen de klacht gesteld dat het tot een inhoudelijke beoordeling van de beweerdelijke tactiek van de (voormalig) werkgever niet is gekomen omdat de behandeling van klaagsters dossier wegens de ontstane vertrouwensbreuk werd neergelegd voordat het onderzoek van mr. W naar de juridische mogelijkheden in klaagsters zaak was afgerond. De raad heeft verweerder in dat verweer gevolgd. Zoals hierboven overwogen (hof: randnummer 5.3) was de raad van oordeel dat mr. De W zich in voldoende mate voor klaagster heeft ingezet. Dat de wederpartij een bepaalde tactiek hanteerde is uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht niet gebleken, zodat de feitelijke grondslag van dit klachtonderdeel ontbreekt. Ook klachtonderdeel 6 is daarom ongegrond verklaard.

5.6 De raad is tot de slotsom gekomen dat de door mr. De W verleende bijstand niet getuigt van een kwaliteit van dienstverlening die onder de maat blijft van wat van een behoorlijk handelend advocaat mag worden verwacht.

6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klaagster

6.1 De beslissing van de raad is onvoldoende gemotiveerd. De raad is niet ingegaan op:

- de audiobewijzen: die aantonen dat het initiatief tot beëindiging bij verweerder lag, terwijl klaagster uitdrukkelijk verder wilde; het beginsel van fair hearing (artikel 6 EVRM) is geschonden;

- de Poortwachter-termijnen: verweerder heeft zes weken laten verstrijken zonder sommatie, conceptdagvaarding of overname van communicatie, hetgeen strijd oplevert met gedragsregel 10;

- het vasthouden aan “eerst mediation” wat feitelijk onjuist, juridisch onhoudbaar en belangen-schadelijk was en strijd oplevert met gedragsregels 8 en 10;

- de taalbarrière: het advies “ga zelf mediation” was daardoor praktisch onuitvoerbaar, hetgeen een extra schending oplevert van de gedragsregels 8 en 10;

- het door verweerder zelf gecreëerde beletsel: Mr. De W adviseerde om via de bedrijfsarts een verklaring op te vragen. Het negatieve advies van de bedrijfsarts (de bedrijfsarts raadde mediation af) is vervolgens als excuus gebruikt om niets meer te doen;

- manipulatie rond vertrouwensbreuk: tijdens het gesprek op 6 augustus 2024 schermt mr. De W. met een vertrouwensbreuk “die er al vanaf het begin zou zijn”. Dit staat haaks op haar eigen oordeel van drie weken daarvoor (“contact prima en prettig”). Door eerst het beeld van goed vertrouwen te schetsen en later het tegenovergestelde te beweren, probeert mr. De W klaagsters weigering om “beiderzijds gebrek aan vertrouwen” te tekenen te forceren, hetgeen strijd oplevert met de gedragsregels 7 en 8;

- onjuiste informatie over tuchtrecht: op 11 juli zegt mr. De W: “U kunt het kantoor bij de deken aanklagen.” Een kantoor is evenwel niet klachtgerechtigd. Mr. De W heeft haar zorgplicht geschonden;

- schade en causaliteit: door het stilvallen na week 75 verergerde het loonsanctierisico en zijn de re-integratiekansen van klaagster geschaad.

Verweer verweerder

6.2 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.

7 BEOORDELING HOF

Het verzoek om heropening van de mondelinge behandeling            

7.1 Het hof overweegt als volgt. Uit het klachtdossier volgt dat de mondelinge behandeling aanvankelijk stond gepland op 30 maart 2026, maar is verplaatst naar 3 juli 2026. Verweerder is daarmee - weliswaar onder protest - akkoord gegaan. Het hof stelt vast dat verweerder voor de zitting van 3 juli 2026 geen verzoek heeft gedaan om aan de zitting deel te nemen via een videoverbinding. Daarbij heeft volgens het Protocol online of fysieke zitting hof van discipline te gelden dat een fysieke zitting uitgangspunt is en dat bij een videozitting vooraf door het hof een Teams-link  wordt gestuurd. De gemachtigde van klaagster heeft geen link ontvangen en heeft er dus ook niet op mogen vertrouwen dat hij de zitting per videoverbinding kon bijwonen. Het had op zijn weg gelegen om tijdig aan te geven en toe te lichten dat zijn eerdere verzoek van 9 oktober 2025 nog altijd opgeld deed en ook gold voor de zitting van 3 juli 2026. Bij gebreke daarvan is een fysieke zitting uitgangspunt. Het hof stelt voorts vast dat klaagster deugdelijk is opgeroepen voor de fysieke zitting, waarop niet is gereageerd. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen aanleiding om de zitting te heropenen. Het hof wijst het verzoek van de gemachtigde van klaagster daarom af.

Inhoudelijke beoordeling

Omvang beroep

7.2 Klaagster heeft een aantal beroepsgronden geformuleerd. Het hof maakt uit het beroepschrift op dat de beroepsgronden zich enkel richten tegen de ongegrondverklaring van de klachtonderdelen 2, 3 en 4, zodat aan het hof slechts ter beoordeling voorligt of mr. De W verweten kan worden dat zij op meerdere punten onvoldoende (voortvarend) actie heeft ondernomen. De beoordeling in hoger beroep blijft dan ook hiertoe beperkt.

7.3 Klaagster heeft in beroep ook nieuwe verwijten tegen verweerder geformuleerd. Zo heeft klaagster aangevoerd dat verweerder haar onjuist heeft geïnformeerd over het tuchtrecht. Het hof laat deze buiten beschouwing. Het hof kan slechts oordelen over klachten die eerst zijn onderzocht door de deken en waarover de raad vervolgens heeft geoordeeld (vgl. art. 46c lid 1 en 3 Advocatenwet). In hoger beroep worden geen nieuwe klachten in behandeling genomen.

Maatstaf

7.4 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van mr. De W, (voorheen) werkzaam als juridisch medewerker op verweerders kantoor. Als niet weersproken staat vast dat mr. De W klaagsters dossier onder verweerders verantwoordelijkheid in behandeling heeft gehad en dat verweerder voor het optreden van mr. De W ook in tuchtrechtelijke zin verantwoordelijkheid draagt.

7.5 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.

7.6 Het hof beoordeelt de klacht en de tegen de beslissing van de raad gerichte beroepsgronden aan de hand van de hiervoor geformuleerde maatstaven.

7.7 Het hof ziet op basis van de beroepsgronden en het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klachtonderdelen 2, 3 en 4 te komen dan de raad. Het hof is niet gebleken van feiten en omstandigheden die naar het oordeel van het hof tot een ander oordeel nopen. Het hof acht de beslissing van de raad juist gemotiveerd en sluit zich hierbij aan.

Conclusie

7.8 Het hof verwerpt de beroepsgronden en zal de beslissing van de raad bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

8 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

8.1 bekrachtigt de beslissing van 23 juni 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 25-206/DB/OB, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg en G.C. Endedijk, l eden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijtzes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026 .

griffier                                                                                     voorzitter             

De beslissing is verzonden op 28 augustus 2026.