ECLI:NL:TAHVD:2026:280 Hof van Discipline 's Gravenhage 250454 250455 250456
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:280 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-08-2026 |
| Datum publicatie: | 31-08-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Deze procedure betreft een klacht die is ingediend door klaagster jegens vier verweerders allen van hetzelfde kantoor. De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft de klachtonderdelen gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Klaagster is niet opgekomen tegen de beslissing van de raad over verweerder 4 (de klachtenfunctionaris van het kantoor). In hoger ligt allereerst de ontvankelijkheidstoets voor in verband met termijnoverschrijding. De raad heeft een aantal klachtonderdelen niet-ontvankelijk verklaard in verband met het verstrijken van de driejaarstermijn. Het hof is van oordeel dat klaagster voldoende heeft onderbouwd dat zij pas na het verstrijken van de driejaarstermijn bekend is geworden met de gevolgen van het handelen of nalaten van verweerders. Niettemin oordeelt het hof dat de termijn van artikel 46g lid 2 Advocatenwet is overschreden. Het hof bekrachtigt in zoverre de beslissing van de raad ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid. Met betrekking tot de inhoud van de overige klachtonderdelen oordeelt het hof dat klaagster niet kan worden ontvangen in het door haar ingestelde beroep, wegens gebrek aan gronden. |
Beslissing van 28 augustus 2026
in de zaken 250454, 250455, 250456
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klaagster
gemachtigde: mr. C.G. Mensink
tegen:
1. [naam] (250454)
gevestigd te [plaats]
hierna: verweerster 1
2. [naam] (250455)
advocaat te [plaats]
hierna: verweerder 2
3. [naam] (250456)
advocaat te [plaats]
hierna: verweerder 3
hierna tezamen ook te noemen: verweerders
gemachtigde: [naam] (tevens verweerder 3)
1 INLEIDING
1.1 Deze procedure betreft een klacht die is ingediend door klaagster jegens vier verweerders allen van hetzelfde kantoor. De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft de klachtonderdelen gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond verklaard. Klaagster is niet opgekomen tegen de beslissing van de raad over verweerder 4 (de klachtenfunctionaris van het kantoor). In hoger ligt allereerst de ontvankelijkheidstoets voor in verband met termijnoverschrijding. De raad heeft een aantal klachtonderdelen niet-ontvankelijk verklaard in verband met het verstrijken van de driejaarstermijn. Het hof is van oordeel dat klaagster voldoende heeft onderbouwd dat zij pas na het verstrijken van de driejaarstermijn bekend is geworden met de gevolgen van het handelen of nalaten van verweerders. Niettemin oordeelt het hof dat de termijn van artikel 46g lid 2 Advocatenwet is overschreden. Het hof bekrachtigt in zoverre de beslissing van de raad ten aanzien van de niet-ontvankelijkheid. Met betrekking tot de inhoud van de overige klachtonderdelen oordeelt het hof dat klaagster niet kan worden ontvangen in het door haar ingestelde beroep, wegens gebrek aan gronden.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerders (zaaknummers: 25-375/A/A, 25-379/A/A, 25-380/A/A en 25-381/A/A) een beslissing gewezen op 24 november 2025. In deze beslissing zijn, voor zover in hoger beroep van belang, de klachtonderdelen a), b), c), e), f) en g) over verweerders 1, 2 en 3 niet-ontvankelijk verklaard, is klachtonderdeel d) over verweerders 1, 2 en 3 ongegrond verklaard en is klachtonderdeel h) over verweerster 1 ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:215 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 19 december 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 3 juli 2026. Daar zijn de gemachtigde van klaagster en verweerders verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. Klaagster heeft via een Teamsverbinding deelgenomen aan de mondelinge behandeling.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 De klacht is - voor zover in beroep nog van belang - gericht tegen de (voormalig) eigen advocaat van klaagster (verweerder 2), zijn kantoor (verweerster 1) en een kantoorgenoot (verweerder 3). Klaagster is bestuurder van meerdere besloten vennootschappen waaronder R B.V.
3.3 Op 8 oktober 2015 is ten behoeve van een procedure van klaagster (en/of haar vennootschappen) tegen [naam] een opdrachtovereenkomst tot stand gekomen tussen klaagster en verweerder 2 namens het kantoor (verweerster 1). De opdrachtbevestiging is in oktober 2015 aan klaagster aangeboden in haar hoedanigheid van bestuurder van meerdere vennootschappen en aan haar in privé. Klaagster heeft de opdracht op 8 oktober 2015 aanvaard en de opdrachtbevestiging ondertekend.
3.4 In artikel 2 van de opdrachtovereenkomst is overeengekomen dat klaagster ook in privé hoofdelijk schuldenaar is voor de nakoming van de afspraken volgend uit het [naam]-dossier. Deze bepaling luidt:
“De cliënt en debiteur zijn nader door jou te benoemen. Naast deze te benoemen (rechts)persoon ben jij in privé hoofdelijk verbonden voor de nakoming van de afspraken.”
3.5 De werkzaamheden die het kantoor heeft verricht, zagen op vermeende vorderingen van klaagster en haar vennootschappen op [naam] uit hoofde van toerekenbare tekortkomingen in de nakoming van contractuele verplichtingen, onrechtmatige daad en andere rechtsbetrekkingen. Tussen 2014 en 2018 heeft verweerder 2 werkzaamheden voor klaagster verricht. Voor deze werkzaamheden zijn in de periode van 14 maart 2016 tot en met 20 maart 2018 facturen gestuurd, waaronder een voorschotnota van € 121.000,- op 11 februari 2016. Klaagster heeft de facturen niet betaald.
3.6 Verweerster 1 heeft hierop incassomaatregelen genomen. Verweerder 3 is daarbij opgetreden als advocaat van verweerster 1.
3.7 Bij verzoekschrift van 13 maart 2019 heeft verweerder 3 de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) om verlof gevraagd tot het leggen van conservatoir beslag op de woning van klaagster. Het verlof is op 18 maart 2019 verleend. Op 18 maart 2019 heeft de deurwaarder beslag gelegd op de woning.
3.8 Op 25 maart 2019 heeft verweerder 3 klaagster namens verweerster 1 gedagvaard. Dit heeft geleid tot een verstekvonnis van 7 augustus 2019 waarbij klaagster is veroordeeld om aan verweerster 1 een bedrag te betalen van ruim € 32.000,-.
3.9 De vordering van verweerster 1 heeft vervolgens gediend als steunvordering bij de aanvraag van het faillissement van klaagster.
3.10 Op 4 juli 2023 is klaagster failliet verklaard en heeft verweerster 1 de vordering bij de curator ingediend. Het faillissement is op het moment van het indienen van onderhavige klacht nog niet opgeheven.
3.11 Klaagster heeft in januari 2022 onder meer een vordering op verweerster 1 aan (…) Consultancy B.V. gecedeerd. Uit hoofde van die cessie heeft dat consultancykantoor conceptbrieven opgesteld en die voor verzending ter beoordeling aan de gemachtigde van klaagster voorgelegd. Dat was op 26 en 29 september 2023. In het (tweede) concept van 29 september 2023 is vermeld dat verweerster 1 wordt verweten dat zij in strijd met tuchtrecht ten laste van klaagster extra zekerheden heeft bedongen. De gemachtigde van klaagster had het consultancykantoor daarop gewezen.
3.12 Bij brief van 26 oktober 2023 heeft het consultancykantoor dit namens klaagster aan verweerders laten weten. De brief luidt voor zover relevant als volgt:
“Op 6 oktober 2015 (volgens mij wordt bedoeld 8 oktober 2015) is een overeenkomst gesloten tussen [klaagster] en u c.q. [verweerder 2] voor te verrichten werkzaamheden voor diverse bedrijven tegen een vastgesteld uurtarief voor de bedrijven [van klaagster] en voor [klaagster] privé. In deze overeenkomst is in artikel 2 bedongen dat [klaagster] privé hoofdelijk verbonden is, dus zich persoonlijk garant stelt voor het geval de bedrijven in gebreke blijven met betaling. Dit artikel is in strijd met regel 19 van de gedragsregels voor advocaten, daarin staat dat het advocaten verboden is om zekerheden te vragen of te verlangen voor toekomstige betalingen. Van ‘bijzondere gevallen’ zoals bedoeld in regel 19 is niets gebleken, laat staan van overleg met de deken. Dat werpt een ander licht op uw vorderingen op [klaagster]. In de procedures hebt u [klaagster] ten onrechte verantwoordelijk gehouden voor de totale vordering. Voor een juiste afwikkeling dienen de facturen naar de bedrijven te worden verzonden waarvoor de werkzaamheden zijn verricht en dienen die bedrijven aansprakelijk worden gesteld.”
3.13 Op deze brief is geen reactie gekomen.
3.14 Op 19 november 2021 heeft klaagster een eerdere klacht tegen verweerder 3 ingediend. Deze klacht ging over verweerders gedragingen in die incassoprocedure die tegen klaagster is gevoerd. De klacht is bij beslissing van de raad van 31 oktober 2022 (ECLI:NL:TADRAMS:2022:215) ongegrond verklaard. Het Hof van Discipline heeft bij beslissing van 10 juli 2023 (ECLI:NL:TAHVD:2023:115) de beslissing van de raad bekrachtigd.
3.15 Op 7 november 2024 heeft klaagster tegen verweerders (en verweerder 4) een klacht ingediend.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover van toepassing, in dat verweerders tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder(s):
Klachtonderdelen over verweerders 1, 2 en 3
- verweerders hebben op 8 oktober 2015 in strijd met de gedragsregels een andere zekerheid aanvaard dan een voorschot in geld door met klaagster een borgstellingsovereenkomst af te sluiten.
- verweerders hebben in rechte een vordering ingesteld tegen klaagster die is gebaseerd op de borgstellingsovereenkomst.
- verweerders hebben conservatoir beslag laten leggen voor de (vermeende) vordering op klaagster uit hoofde van de borgstelling.
- verweerders hebben hun (vermeende) vordering op klaagster ingezet als steunvordering voor het aanvragen van het faillissement van klaagster, terwijl zij wisten dat die vordering voortvloeide uit de borgstelling.
- verweerders hebben excessief gedeclareerd door op 11 februari 2016 een voorschotnota van € 121.000,- inclusief BTW aan R B.V. te sturen.
- verweerders zijn in hun offerte van 8 oktober 2015 niet duidelijk geweest over de wederpartij van R B.V. bij de overeenkomst met R B.V.
- verweerders hebben klaagster noch R B.V. ooit gewezen op hun klachtenregeling.
Klachtonderdeel over verweerster 1
- Verweerster 1 heeft ondanks daartoe gesommeerd te zijn, geweigerd om de dossierstukken (of wat daarvan nog over is) aan klaagsters gemachtigde te sturen.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft, voor zover hier van belang, het navolgende aan haar beslissing ten grondslag gelegd.
Klachtonderdelen a), b), c), e), f) en g) over verweerders 1, 2, en 3
5.2 In klachtonderdelen a) en f) verwijt klaagster verweerders dat zij in de opdrachtovereenkomst van 8 oktober 2015 in strijd met de gedragsregels een borgstellingsovereenkomst met haar zijn overeengekomen (klachtonderdeel a) en dat zij niet duidelijk geweest zijn over de wederpartij van R B.V. (klachtonderdeel f).
5.3 Deze klachtonderdelen gaan over de overeenkomst die op 8 oktober 2015 met klaagster is gesloten. De klachttermijn is in verband daarmee aangevangen op 8 oktober 2015 en drie jaar later (op 7 oktober 2018) geëindigd. De raad heeft klaagster niet gevolgd in haar stelling dat de vervaltermijn pas in oktober 2023 is gaan lopen, toen haar door juridisch advies duidelijk was geworden dat de destijds overeengekomen overeenkomst mogelijk in strijd met de gedragsregels was. Voor het aanvangen van de klachttermijn heeft de raad niet van belang geacht of klaagster het besef had dat het handelen van verweerders mogelijk klachtwaardig zou zijn. Het gaat om de feitelijke kennisneming van het handelen of nalaten van de advocaat (of de advocaten) waarop de klacht betrekking heeft (zie Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden van 25 augustus 2025, ECLI:NL:TADRARL:2025:196). Klaagster was met het ondertekenen van de opdrachtovereenkomst van 8 oktober 2015 feitelijk bekend met de bepaling (artikel 2) in die overeenkomst, zodat zij vanaf dat moment drie jaar de tijd had om hierover een klacht in te dienen. Dat betekent, zo heeft de raad geoordeeld, dat ten tijde van indiening van de klacht op 7 november 2024 de driejaarstermijn voor de klachtonderdelen a) en f) was overschreden.
5.4 In klachtonderdelen b) en c) verwijt klaagster verweerders dat zij op basis van deze (volgens klaagster klachtwaardige (borgstellings)overeenkomst een vordering tegen haar hebben ingesteld, conservatoir beslag hebben laten leggen op haar woning en haar in rechte hebben betrokken. Deze gedragingen hebben plaatsgevonden tussen 13 maart 2019 (de datum van het verzoekschrift tot het leggen van conservatoir beslag) en het verstekvonnis van 7 augustus 2019. Klaagster had derhalve vanaf 7 augustus 2019 drie jaar de tijd om een klacht over deze gedragingen in te dienen. Op het moment dat klaagster op 7 november 2024 over deze gedragingen klaagde, was ook de driejaarstermijn voor deze klachtonderdelen reeds overschreden, aldus de raad.
5.5 In klachtonderdeel e) verwijt klaagster verweerders excessief te hebben gedeclareerd door op 11 februari 2016 een voorschotnota van € 121.000,- inclusief BTW aan R B.V. te sturen. Nu niet is gesteld of gebleken dat klaagster op een later moment dan op 11 februari 2016 kennis heeft genomen van deze nota, is de vervaltermijn op 11 februari 2016 gaan lopen en heeft klaagster volgens de raad haar klacht van 7 november 2024 ook voor wat betreft dit klachtonderdeel buiten de vervaltermijn ingediend.
5.6 In klachtonderdeel g) verwijt klaagster verweerders dat zij haar of R B.V. nooit hebben gewezen op een klachtenregeling. Naar de raad heeft geoordeeld is ook dit klachtonderdeel buiten de vervaltermijn ingediend. Er zijn in de periode tussen 2014 en 2018 werkzaamheden voor klaagster verricht. De klachtenregeling had derhalve volgens klager in die periode aan haar verstrekt moeten worden. De klacht van klaagster van 7 november 2024 is derhalve volgens de raad ook voor dit klachtonderdeel buiten de vervaltermijn ingediend.
5.7 De raad is op grond van het voorgaande tot de slotsom gekomen dat de klacht van klaagster voor wat betreft deze klachtonderdelen ruimschoots na afloop van de in artikel 46g lid 1 Advocatenwet genoemde termijn van drie jaar zijn ingediend. Het is de raad niet gebleken dat sprake is van (zeer) bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding toelaatbaar (verschoonbaar) zou kunnen worden geacht. Voor zover klaagster heeft betoogd dat een termijn van drie jaar te kort is en het tuchtrecht daardoor slechts marginale bescherming biedt, heeft de raad dit verworpen. De termijn van drie jaar is immers ook bedoeld om te waarborgen dat een advocaat niet tot in lengte van dagen hoeft te vrezen voor tuchtklachten over gedragingen uit het (verre) verleden.
5.8 Om voorgaande redenen zijn de klachtonderdelen a), b), c), e), f) en g) niet-ontvankelijk verklaard.
Inhoudelijk oordeel van de raad
5.9 De raad heeft vastgesteld dat de overige klachtonderdelen binnen de driejaarstermijn zijn ingediend en daarmee inhoudelijk beoordeeld konden worden. Voor zover de klachtonderdelen (mede) betrekking hebben op verweerster 1 (als het kantoor) - te weten het indienen van een steunvordering voor het faillissement van klaagster (klachtonderdeel d) en het opvragen van het dossier (klachtonderdeel h) - zijn deze onderdelen van de klacht ontvankelijk verklaard, nu zij gericht zijn op de organisatie van het kantoor als zodanig.
Klachtonderdeel d) over verweerders 1, 2 en 3
5.10 In dit klachtonderdeel verwijt klaagster verweerders 1, 2 en 3 dat zij de vordering op klaagster hebben aangeboden als steunvordering voor de aanvraag van het faillissement van klaagster. Verweerders hadden deze vordering nooit als steunvordering mogen presenteren.
5.11 Dit klachtonderdeel heeft geen doel getroffen. Uit de onderliggende stukken blijkt dat klaagster bij verstekvonnis van 7 augustus 2019 is veroordeeld om aan verweerders een bedrag te betalen van ruim € 32.000,-. Hiertegen heeft klaagster geen rechtsmiddelen ingesteld. Het vonnis is derhalve in kracht van gewijsde gegaan en kon daarmee dienen als steunvordering voor de aanvraag van het faillissement van klaagster. Aan de vraag of de vordering is gebaseerd op een (onbetamelijke) borgstelling, is de raad niet toegekomen, nu de klacht over deze bepaling te laat is ingediend. Bovendien geldt dat de inhoudelijke beoordeling van de vordering is voorbehouden aan de civiele rechter en buiten het bestek van deze tuchtrechtelijke procedure valt. Klachtonderdeel d) is ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel h) over verweerster 1
5.12 Klaagster stelt dat verweerster 1 verwijtbaar heeft en gehandeld door ondanks haar sommatie daartoe niet de dossierstukken (of wat daarvan nog over is) aan klaagster te sturen. Klaagster vermoedt dat ondanks het verstrijken van de bewaartermijn nog wel stukken voorhanden zijn.
5.13 De raad heeft overwogen dat verweerster 1 verantwoordelijk is voor het kantoorbeleid met betrekking tot het bewaren van dossierstukken. De raad was van oordeel dat het niet verstrekken van de door klaagster opgevraagde dossierstukken in dit geval geen verwijtbaar handelen opleverde. Op grond van artikel 7:412 BW geldt voor dossiers een wettelijke bewaartermijn van vijf jaar. Namens verweerster 1 is ter zitting gemotiveerd toegelicht dat het kantoor een ruimere bewaartermijn van zeven jaar hanteert, waarna de dossiers worden afgevoerd en vernietigd. Het [naam]-dossier waarop klaagsters verzoek van september 2024 primair zag, was reeds in 2017 afgesloten en op het moment van het verzoek dus niet meer beschikbaar. Voor zover klaagsters verzoek daarnaast betrekking had op alle andere dossiers van al haar B.V’s heeft de raad geoordeeld dat dit verzoek zodanig ongericht en disproportioneel is, dat van verweerster 1 niet kon worden verwacht dat zij daaraan voldeed. Gelet hierop is klachtonderdeel h) ongegrond verklaard.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klaagster
6.1 Klaagster voert het navolgende aan.
Grief I - onjuiste en te formalistische toepassing Advocatenwet
De raad heeft miskend dat artikel 46g Advocatenwet niet louter formeel, maar materieel rechtvaardig moet worden toegepast. Door zonder belangenafweging uit te gaan van het enkele moment van contractsluiting in 2015, heeft de raad onvoldoende gewicht toegekend aan het gegeven dat klaagster pas in 2023 daadwerkelijk bekend is geworden met het tuchtrechtelijk onrechtmatige karakter van de door verweerder 1 bedongen borgstelling.
Grief II - nalaten verweerster 1 en schending vertrouwen is het handelen waarover wordt geklaagd
Klaagster is zich eerst eind 2023, nadat een externe jurist bij toeval het onrechtmatige handelen vaststelde, bewust geworden van de door verweerders geschonden vertrouwensrelatie en het nalaten van verweerster 1 om haar te informeren over het feit dat de door verweerster 1 bedongen zekerheidsstelling in strijd was met de destijds geldende gedragsregels voor advocaten.
Grief III - schending van redelijkheid en billijkheid; materiële bevoordeling van de normschender
De beslissing van de raad leidt tot een resultaat dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De artikelen 6:2 en 6:248 van het Burgerlijk Wetboek (BW) dienen analoog toegepast te worden.
Verweerster 1 heeft bewust een zekerheidsstelling bedongen die in strijd is met de toen geldende gedragsregel en heeft die borgstelling vervolgens actief geëxploiteerd (incasso, beslag, steunvordering in het faillissement). Verweerster 1 wordt door de niet-ontvankelijkverklaring materieel beloond voor dat eigen normschendende handelen.
Grief IV - onjuiste maatstaf voor ‘bekendheid’ in de zin van artikel 46g Advocatenwet
De raad heeft een te beperkte en onjuiste uitleg gegeven aan het begrip “bekendheid” in artikel 46g Advocatenwet door te oordelen dat feitelijke bekendheid met de tekst van de overeenkomst reeds voldoende is. Deze uitleg miskent dat:
- het hier om een verborgen normschending door een professionele rechtsbijstandverlener gaat;
- van een cliënt niet mag worden verwacht dat zij zelfstandig de tuchtrechtelijke onregelmatigheid van een door haar eigen advocaat geformuleerde bepaling onderkent;
- aansluiting moet worden gezocht bij het civielrechtelijke verjaringscriterium bij onrechtmatige daad (artikel 3:310 BW).
Grief V - onvoldoende gewicht toegekend aan karakter van de normschending
De raad heeft miskend dat het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerders niet beperkt is tot 2015, maar zich heeft voortgezet door:
- het handhaven van de ongeoorloofde zekerheidsstelling;
- het in rechte instellen van vorderingen daarop;
- het leggen van beslag;
- het inzetten van de door de ongeoorloofde zekerheidsstelling verkregen vordering op klaagster als steunvordering in het faillissement;
- het handhaven van die vordering jegens de boedel tot en met heden.
Deze opeenvolgende handelingen vormen een doorlopende normschending, althans nieuwe zelfstandige tuchtrechtelijke gedragingen, waarvoor de klachttermijn op zijn minst opnieuw is gaan lopen.
Grief VI - onvoldoende motivering en oog voor de beschermingsfunctie tuchtrecht
De raad heeft onvoldoende gemotiveerd waarom in dit uitzonderlijke geval geen ruimte bestaat voor een verschoonbare termijnoverschrijding, terwijl:
- sprake is van een duidelijke schending van kernwaarden van de advocatuur (integriteit, onafhankelijkheid);
- het handelen van verweerders het vertrouwen in de advocatuur aantast;
- klaagster aantoonbaar pas in 2023 kennis heeft gekregen van de normschending.
Grief VII (subsidiair) - verzoek om inhoudelijke beoordeling ‘ten overvloede’
Voor het geval het hof tot het oordeel mocht komen dat (een deel van) de klacht niet-ontvankelijk is, wenst klaagster te benadrukken dat een dergelijke uitkomst voor haar bijzonder wrang is. Klaagster verzoekt het hof daarom uitdrukkelijk om in dat geval een overweging ten overvloede te wijden aan de vraag of het bedingen en effectueren van een borgstelling door verweerster 1 in 2015, zonder overleg met de deken en buiten de uitzonderingsgevallen van de gedragsregels, tuchtrechtelijk verwijtbaar is.
Verweer verweerders
6.2 Verweerders hebben gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Oordeel tijdigheid klachtonderdelen a), b), c), e), f) en g) over verweerders
7.1 De raad heeft klaagster in haar klacht voor zover het gaat om de klachtonderdelen a), b), c), e), f) en g) niet-ontvankelijk verklaard. De verwijten die klaagster verweerders in deze klachtonderdelen maakt, hebben alle betrekking op de overeenkomst die op 8 oktober 2015 met klaagster is gesloten, waarin hoofdelijkheid is overeengekomen.
7.2 Klaagster voert aan dat de klachtonderdelen a), b), c), e), f) en g) wel tijdig zijn ingediend en die gedeelten van de klacht daarom ten onrechte door de raad niet-ontvankelijk zijn verklaard. Klaagster betoogt dat de driejaarstermijn ingevolge artikel 46g lid 1 aanhef en onder a Advocatenwet pas is gaan lopen op het moment dat klaagster in september 2023 bekend werd met het feit dat de - wat zij noemt - borgstelling in de opdrachtovereenkomst in strijd is met de gedragsregels. Pas op dat moment was zij objectief bewust van het verwijtbare handelen van verweerders.
7.3 Het hof volgt klaagster niet in haar uitleg van artikel 46g lid 1 aanhef en onder a Advocatenwet. Op grond van dit artikel wordt een klacht niet-ontvankelijk verklaard indien deze wordt ingediend na het verloop van drie jaren na de dag waarop de klager kennis heeft genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen of nalaten van de advocaat waarop de klacht betrekking heeft.
7.4 De hoofdelijkheid is op 8 oktober 2015 overeengekomen. Klaagster was met het ondertekenen van de opdrachtovereenkomst van 8 oktober 2015 feitelijk bekend met de bepaling inzake de hoofdelijkheid (artikel 2 in de overeenkomst). De klachttermijn is in verband daarmee aangevangen op 8 oktober 2015 en drie jaar later (op 7 oktober 2018) geëindigd. Verder was klaagster al op 11 februari 2016 op de hoogte van de voorschotnota van € 121.000,- en in 2019 op de hoogte van de tegen haar ingestelde vorderingen en beslag uit hoofde van hoofdelijke aansprakelijkheid. Op 7 november 2024 toen zij de klacht over verweerders bij de deken indiende was de termijn van drie jaar al ruimschoots verstreken. Dat geldt ook voor klachtonderdeel g), nu de werkzaamheden van verweerder tot 2018 hebben geduurd en de klachtenregeling toentertijd verstrekt had moeten worden volgens klaagster.
7.5 Op grond van het bepaalde in artikel 46g lid 2 Advocatenwet blijft na afloop van de vervaltermijn een niet-ontvankelijkverklaring evenwel achterwege indien de gevolgen van het handelen of nalaten van de betreffende advocaat redelijkerwijs pas nadien bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken (HvD 28 augustus 2020, ECLI:NL:TAHVD:2020:160).
7.6 Het hof is van oordeel dat klaagster met concrete feiten en omstandigheden heeft onderbouwd dat de gevolgen van het handelen of nalaten van verweerders haar pas bekend zijn geworden tussen 26 en 29 september 2023, toen haar naar aanleiding van ingewonnen juridisch advies werd medegedeeld dat de overeenkomst in strijd zou kunnen zijn met gedragsregel 19 (oud) en dat die informatie voor haar noodzakelijk was om een klacht over verweerders te kunnen formuleren. Dit betekent dat klaagster de desbetreffende klachtonderdelen over het vermeende handelen dan wel nalaten van verweerders uiterlijk op 29 september 2024 bij de deken had moeten indienen. Klaagster heeft hiermee echter gewacht tot in november 2024. Met de door haar op 7 november 2024 ingediende klacht is ook de in artikel 46g lid 2 Advocatenwet genoemde termijn van een jaar overschreden. Bij het beroep van klaagster om de door de raad toegepaste vervaltermijn (van drie jaar) te passeren op grond van de redelijkheid en billijkheid heeft klaagster geen belang meer. Het hof acht de klachten immers op grond van het overschrijden van de aanvullende termijn van één jaar op grond van artikel 46g lid 2 Advocatenwet niet-ontvankelijk. Daarbij merkt het hof overigens op dat een vervaltermijn ambtshalve wordt toegepast op grond van de openbare orde en de rechtszekerheid. Hoewel het hof anders de raad de grondslag van artikel 46g lid 2 Advocatenwet heeft toegepast, leidt dit niet tot een andere beslissing dan die van de raad. Deze klachtonderdelen blijven niet-ontvankelijk. In zoverre slagen de gronden van beroep niet. Het hof ziet geen aanleiding om een overweging ten overvloede te wijden aan de vraag of de handelwijze van verweerders ten aanzien van de opdrachtbevestiging van 8 oktober 2015 geoorloofd is. Voor zover klaagster verweerders civielrechtelijk aansprakelijk wil stellen zal die vraag in die procedure dienen te worden beantwoord.
de klachtonderdelen d) en h)
7.7 Klaagster kan in het door haar ingestelde hoger beroep niet worden ontvangen voor zover het beroep zich richt tegen de beslissing van de raad met betrekking tot klachtonderdelen d) en h). Op grond van artikel 56 lid 3 van de Advocatenwet wordt hoger beroep tegen een beslissing van de raad ingesteld bij met redenen omkleed beroepschrift. Dit betekent dat een appellant alle beroepsgronden die hij tegen (de motivering van) de beslissing van de raad wil aanvoeren binnen de beroepstermijn ter kennis van het hof moet brengen en dat het hof van nadien aangevoerde beroepsgronden geen kennis zal kunnen nemen. Klaagster heeft in het beroepschrift noch elders in de gedingstukken uiteen gezet op welke gronden de beslissing van de raad inhoudelijk onjuist zou zijn en een andere beslissing moet volgen.
Slotsom
7.8 De conclusie uit het voorgaande is dat de beslissing van de raad moet worden bekrachtigd ten aanzien van de klachtonderdelen a), b), c), e), f) en g) en dat klaagster niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar ingestelde beroep met betrekking tot de klachtonderdelen d) en h).
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
8.1 verklaart klaagster niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde beroep met betrekking tot de klachtonderdelen d) en h);
8.2 bekrachtigt de beslissing van24 november 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummers 25-375/A/A, 25-379/A/A, 25-380/A/A en 25-381/A/A met betrekking tot de klachtonderdelen a), b), c), e), f) en g).
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijtzes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 28 augustus 2028.