ECLI:NL:TAHVD:2026:28 Hof van Discipline 's Gravenhage 250352
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:28 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 30-01-2026 |
| Datum publicatie: | 30-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250352 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Beklag |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Klager heeft – ondanks herhaalde uitnodiging daartoe door de deken op 4 en 25 september 2025 – niet aangetoond dat hij zich voldoende heeft ingespannen om eerst zelf een advocaat te vinden die hem kan bijstaan in de door klager gewenste procedure. Het verweer van klager dat hij het Juridisch loket niet kon bereiken alsook zijn eigen samenvatting van wat advocaten van zijn zaak vonden, maakt dit niet anders. Klager kon ook telefonisch of via internet contact opnemen met advocaten in Nederland. De deken heeft het aanwijzingsverzoek van klager daarom op juiste gronden afgewezen. |
Beslissing van 30 januari 2026
in de zaak 250352
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 6 oktober 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klager zich onvoldoende heeft ingespannen om een advocaat te vinden, althans heeft klager het zoeken naar een advocaat onvoldoende aangetoond. Door klager zijn geen schriftelijke afwijzingen toegestuurd ondanks verzoek daartoe door de deken.
Bij het hof
1.3 Klager heeft op 19 oktober 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken
- e-mailbericht met bijlagen van klager d.d. 2 november 2025
- e-mailbericht van de deken d.d. 10 november 2025.
1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Bij webformulier van 17 augustus 2025 heeft klager een verzoek tot aanwijzing van een advocaat ingediend bij de deken Midden-Nederland. Op 19 augustus 2025 is dit verzoek doorgezonden aan de deken. Klager gaf aan dat hij een advocaat zocht die namens hem hoger beroep in kon stellen tegen de beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht van 18 juli 2025.
2.2 Bij brief van 21 augustus 2025 is de ontvangst van het verzoek om aanwijzing aan Vonk bevestigd. Daarbij heeft klager de Richtlijn aanwijzing advocaat en informatie over een verzoek ex artikel 13 toegezonden gekregen. In dezelfde brief is klager geïnformeerd over de vereisten waaraan een verzoek om aanwijzing moet voldoen en welke criteria worden gehanteerd bij beoordeling van zijn verzoek. In het bijzonder is klager erover geïnformeerd dat het aan hem als verzoeker is om aan te tonen dat hij inspanning heeft geleverd om zelf een advocaat te vinden.
2.3 Klager heeft niet gereageerd op de brief van verweerder van 21 augustus 2025. Bij e-mail van 4 september 2025 heeft de deken klager geïnformeerd dat zijn verzoek om aanwijzing niet verder in behandeling kan worden genomen zonder de gevraagde informatie. Klager is vervolgens voor de laatste maal in de gelegenheid gesteld zijn verzoek aan te vullen.
2.4 Bij e-mails van 8 en 18 september 2025 heeft klager aangegeven dat hij geen contact kon opnemen met het Juridisch Loket en dat het hem niet zou lukken zelf een advocaat te vinden omdat klager buiten Nederland verblijft.
2.5 Bij brief van 25 september 2025 is klager nog éénmaal in de gelegenheid gesteld om aan te tonen dat hij zich voldoende had ingespannen om zelf een advocaat te vinden. Gelet op de aflopende termijn voor hoger beroep, heeft klager daarvoor één week de tijd gekregen. Klager heeft niet gereageerd op deze brief.
2.6 Bij beschikking van 6 oktober 2025 is het verzoek van klager tot aanwijzing van een advocaat afgewezen. In de beschikking is onder het kopje ‘conclusie en besluit’ het volgende opgenomen:
“De deken geeft geen gehoor aan uw verzoek en zal geen advocaat aanwijzen.
De deken heeft de volgende punten meegewogen bij de beoordeling van uw verzoek.
U heeft zich onvoldoende tot advocaten gewend die werkzaam zijn op het rechtsgebied waar u verplichte rechtsbijstand voor nodig zou hebben, althans u heeft die zoektocht onvoldoende aangetoond. U heeft geen schriftelijke afwijzingen toegestuurd, ondanks dat de deken daar meermaals om heeft verzocht.
Ten overvloede deel ik u mede dat de deken bij de beoordeling van een verzoek om aanwijzing ook de kans van slagen in aanmerking neemt. De deken kan het advies van uw voormalig advocaat om geen hoger beroep in te stellen, betrekken in zijn oordeel. Omdat uw verzoek om aanwijzing is afgewezen, komt de deken aan deze beoordeling niet toe.”
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen omdat de formele weigering van de deken voorbijgaat aan de inhoud van de zaak. Volgens klager zijn er ernstige fouten gemaakt en daarom wil klager hoger beroep instellen tegen de beschikking van 18 juli 2025 van de rechtbank Midden-Nederland. Verder voert klager aan dat er geen advocaten zijn die hem willen bijstaan omdat men er geen heil in ziet, het te duur wordt of men het te ingewikkeld vindt. De adviezen aan klager waren derhalve negatief.
Verweer
3.2 De deken heeft aangevoerd dat hij het beklag van klager zo samenvat dat klager zich op het standpunt stelt dat zijn verzoek om aanwijzing van een advocaat niet op goede gronden is afgewezen.
3.3 De deken heeft in zijn brief van 21 augustus 2025 klager erop gewezen aan welke vereisten een verzoek om aanwijzing dient te voldoen en welke criteria worden gehanteerd bij de beoordeling van zo’n verzoek. Door klager zijn geen schriftelijke afwijzingen toegestuurd waaruit bleek dat hij zelf advocaten had benaderd. Op de brief van de deken van 25 september 2025 heeft klager in het geheel niet meer gereageerd. Klager heeft niet aangetoond dat hij zich voldoende heeft ingespannen om zelf een advocaat te vinden. Daarom is het verzoek van klager volgens de deken op juiste gronden afgewezen.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
Beoordeling
4.2 De deken heeft in zijn brief met bijlagen van 21 augustus 2025 aan klager uitvoerig toegelicht aan welke criteria zijn verzoek om aanwijzing van een advocaat dient te voldoen. Daarbij heeft de deken er onder meer op gewezen dat klager moet aantonen dat hij zich voldoende heeft ingespannen om eerst zelf een advocaat te vinden die hem kan bijstaan in de door klager gewenste procedure. Klager dient dit te doen door schriftelijke opgave van de advocaten die hij heeft benaderd vergezeld van hun reacties met de reden van afwijzing.
4.3 Klager heeft – ondanks herhaalde uitnodiging daartoe door de deken op 4 en 25 september 2025 – dit niet gedaan zodat niet is komen vast te staan dat klager zich voldoende heeft ingespannen om eerst zelf een advocaat te vinden. Het verweer van klager dat hij het Juridisch loket niet kon bereiken alsook zijn eigen samenvatting van wat advocaten van zijn zaak vonden, maakt dit niet anders. Klager kon ook telefonisch of via internet contact opnemen met advocaten in Nederland. De deken heeft het aanwijzingsverzoek van klager daarom op juiste gronden afgewezen.
4.4 Op grond van het voorgaande is het beklag ongegrond.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 6 oktober 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. V. Wolting en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 30 januari 2026.