ECLI:NL:TAHVD:2026:279 Hof van Discipline 's Gravenhage 260053
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:279 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-08-2026 |
| Datum publicatie: | 31-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260053 |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klacht over de eigen advocaat in een fiscale (bezwaar)procedure. Anders dan de raad is het hof van oordeel dat verweerder duidelijk met klaagster heeft gecommuniceerd over de reikwijdte van zijn opdracht en ook zorgvuldig jegens klaagster heeft gehandeld. Het hof vernietigt de beslissing van de raad waarbij onder meer een maatregel is opgelegd en verklaart de desbetreffende klachtonderdelen alsnog ongegrond. |
Beslissing van 28 augustus 2026
in de zaak 260053
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerder
tegen:
klaagster
1 INLEIDING
1.1 Klacht over de eigen advocaat in een fiscale (bezwaar)procedure. Anders dan de raad is het hof van oordeel dat verweerder duidelijk met klaagster heeft gecommuniceerd over de reikwijdte van zijn opdracht en ook zorgvuldig jegens klaagster heeft gehandeld. Het hof vernietigt de beslissing van de raad waarbij onder meer een maatregel is opgelegd en verklaart de desbetreffende klachtonderdelen alsnog ongegrond.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch (hierna: de raad) heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 25-657/DB/LI) een beslissing genomen op 26 januari 2025. In deze beslissing zijn de klachtonderdelen b) en d) gegrond en de klachtonderdelen a), c) en e) ongegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van een berisping opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2026:14 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 24 februari 2026ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van klaagster met 21 producties;
- een e-mail van verweerder van 19 juni 2026 met de bijlagen A-C;
- een e-mail van klaagster van 20 juni 2026;
- een e-mail van klaagster van 22 juni 2026.
2.5 Klaagster heeft in haar voormelde e-mail van 20 juni 2026 bezwaar gemaakt tegen de door verweerder op 19 juni 2026 overgelegde stukken.
2.6 Bij e-mail van 22 juni 2026 heeft de griffier van dit hof namens het hof bericht dat het hof vooralsnog geen reden ziet om de door verweerder tijdig ingediende nagekomen stukken te weigeren en dat op de zitting zal worden beoordeeld of de stukken worden toegelaten tot het dossier.
2.7 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 3 juli 2026. Daar zijn verweerder en klaagster verschenen. Klaagster heeft haar standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof. Het hof heeft beslist dat de bijlagen A-C worden toegelaten tot het dossier, maar dat het hof alleen op die onderdelen daarvan acht slaat waar verweerder uitdrukkelijk naar verwijst.
3 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.1 Klaagster heeft zich op 18 juli 2023 tot verweerder gewend voor bijstand in een bezwaarprocedure tegen de belastingaanslag ‘Inkomstenbelasting / Premie Volksverzekeringen 2020’ (hierna: IB 2020). Het bezwaarschrift is eerder op 21 december 2022 ingediend namens klaagster door de Belastingrechtswinkel Rotterdam.
3.2 Op 21 juli 2023 hebben klaagster en verweerder een intakegesprek gevoerd. Tijdens het intakegesprek is gebleken dat klaagster in aanmerking kwam voor een toevoeging. Verweerder heeft vervolgens contact gezocht met de Raad voor Rechtsbijstand met de vraag of, in afwijking van het uitgangspunt dat voor fiscale zaken in bezwaar geen toevoeging wordt verleend, vanwege bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid toch een toevoeging kon worden verleend. Deze is vervolgens verleend.
3.3 Bij brief van 24 juli 2023 heeft verweerder schriftelijk bevestigd wat er op 21 juli 2023 is besproken. Hij heeft daarbij de opdracht bevestigd om klaagster verder bij te staan in de bezwaarprocedure ter zake de IB 2020, die klaagster zelf is gestart.
3.4 Op 30 augustus 2023 heeft de Belastingdienst aan verweerder geschreven:
“Op 7 augustus 2023 heb ik u per e-mail toegezegd dat ik u een vooraankondiging zou schrijven naar aanleiding van het bezwaar van uw cliënte tegen de definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2020. In deze vooraankondiging zou ik u mijn standpunt en de onderbouwing daarvan kenbaar maken zodat u hierop kunt reageren.
Echter, met dagtekening 1 september 2023 is er een definitieve aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2019 vastgesteld. In deze definitieve aanslag is aan uw cliënte een persoonsgebonden aftrek toegekend van € 13.364. Dit resulteert in een restant persoonsgebonden aftrek van € 8.785. Er staat een bezwaartermijn open van zes weken tegen deze aanslag en dus ook tegen de bijbehorende beschikking waarop het restant persoonsgebonden aftrek staat aangegeven.
Uw cliënte heeft, in haar bezwaarschrift aangaande belastingjaar 2020, eveneens bezwaar
aangetekend tegen de afwijzing van de persoonsgebonden aftrek. In haar aangifte voor
belastingjaar 2020 voerde zij namelijk een bedrag op van € 17.800 aan restant persoonsgebonden
aftrek, wat in zijn geheel is afgewezen. Aangezien het nu toegekende restant persoonsgebonden
aftrek van
€ 8.785 lager ligt dan de door uw cliënte verzochte € 17.800, wil ik graag van u
weten of er bezwaar wordt gemaakt tegen het bedrag van € 8.785 aan restant persoonsgebonden
aftrek dat is toegekend voor belastingjaar 2019. Indien dit namelijk het geval is
dan kan de bezwaarprocedure voor 2020 pas worden voortgezet op het moment dat er een
beslissing op bezwaar is genomen aangaande belastingjaar 2019. Als u aangeeft dat
er geen bezwaar zal worden gemaakt dan kan ik de bezwaarprocedure voor 2020 voortzetten
en stuur ik u een vooraankondiging.”
3.5 Op 8 september 2023 hebben klaagster en verweerder een gesprek gevoerd. Verweerder heeft daarvan een gespreksverslag gemaakt:
“(…) Nu in het bezwaarschrift aangaande belastingjaar 2020 bezwaar is aangetekend
tegen de afwijzing van de persoonsgebonden aftrek. Geldt dat de definitieve aanslag
2019 dus invloed heeft op deze bezwaarprocedure. Aangezien het nu toegekende restant
persoonsgebonden aftrek van
€ 8.785 lager ligt dan de door [klaagster] verzochte € 17.800 over 2019, gaat [klaagster]
bezwaar maken tegen de definitieve aanslag 2019. Nu ik daar niet voor wordt toegevoegd
en [klaagster] dat ook niet wenst, zal zij zelf komende week dus zelf bezwaar maken
en mij van dat bezwaarschrift een kopie ingescand toesturen.
Vervolgens wachten we dan de definitieve aanslag 2018 eerst af en verzoeken we de beslistermijn in de bezwaarschriftprocedures aangaande de definitieve aanslagen 2019 en 2020 nog even aan te houden totdat de definitieve aanslag 2018 is opgelegd.
Op basis van de inhoud van die nog te ontvangen definitieve aanslag 2018 bepalen we vervolgens onze verdere strategie in de bezwaarschriftprocedure tegen de definitieve aanslag 2020. [Klaagster] zal dan zelf desgewenst het bezwaar tegen de definitieve aanslag 2019 voortzetten. (…)”
3.6 Op 11 september 2023 heeft klaagster (zelfstandig) bezwaar gemaakt tegen de IB 2019.
3.7 Op 20 september 2023 heeft de Belastingdienst de behandeling van het bezwaarschrift tegen de IB 2020 aangehouden totdat op het bezwaar tegen de IB 2019 is beslist.
3.8 Op 9 oktober 2023 en 17 oktober 2023 heeft verweerder klaagster desgevraagd kenbaar gemaakt nog niets te hebben vernomen van de Belastingdienst. Daarbij heeft verweerder op 17 oktober 2023 aan klaagster geschreven:
“(…) Als gezegd verricht ik alleen werkzaamheden in bezwaar IB 2020. Dat betekent dat ik deze e-mail nog eenmaal coulancehalve zond aan de Belastingdienst. Mocht daarop reactie uitblijven dan wel een reactie komen waarmee je naar jouw idee niet verder kunt, dan wil ik je adviseren zelf te bezien welke rechtsmiddelen je dan zou kunnen aanwenden. Ik kan je daarbij immers enkel na acceptatie van een nieuwe opdracht verder helpen. (…)”
3.9 Daarop heeft klaagster gereageerd:
“(…) Ik ben mij ervan bewust dat je alleen actie kunt ondernemen op basis van het bezwaar van 2020 en daarom heb ik geprobeerd over de aangifte 2018 zelf op te volgen. Het is inderdaad een lastige situatie dat er een verband is tussen de voorgaande jaren(2018 en 2019) en het bezwaar van 2020 en je ondanks de aansluiting met het bezwaar van 2020 geen vergoeding kunt krijgen over de voorgaande jaren.
Zoals eerder vermeld, als je tijdens jouw communicatie met de Belastingdienst het gevoel heeft dat er sprake is van complexiteit met betrekking tot de aangiften 2018 en 2019, zou ik het op prijs stellen om van je te horen, zodat we kunnen bespreken hoe we verder moeten gaan.”
3.10 Op 8 april 2024 hebben klaagster en verweerder een bespreking gehouden. Daarvan heeft verweerder een gespreksverslag gemaakt:
“(…) [Klaagster] geeft tijdens dat gesprek aan dat zij inmiddels wat betreft de andere belastingtijdvakken die volgens haar kennelijk in onderzoek zijn, fiscale bijstand heeft van de heer [H]. Kortom, de vragen die ze mij stelde over andere tijdvakken dan het tijdvak 2020 – het tijdvak waarin ik ben toegevoegd en waarop mijn opdracht ziet – kunnen volgens [klaagster] daarmee als voldoende beantwoord worden beschouwd. Mijn hulp en eventuele aanvullende toevoeging als advocaat is daarvoor dan ook niet nodig. Ik zal die vragen dan ook als niet gesteld beschouwen zo spraken wij af.
Er is ook een bezwaarschriftprocedure aanhangig tegen de definitieve aanslag 2019 waarin ik geen bijstand verleen omdat ik daarin niet ben toegevoegd als advocaat en er evenmin opdracht toe is gegeven. (…)”
3.11 Op 1 mei 2024 heeft de Belastingdienst een voorgenomen beslissing op bezwaar gestuurd, inhoudende een gedeeltelijke gegrondverklaring.
3.12 Op 15 mei 2024 en 22 mei 2024 hebben klaagster en verweerder gesprekken gevoerd. Daarin zijn de resterende, niet gegrond verklaarde bezwaargronden besproken. Uit het gespreksverslag van de bespreking van 15 mei 2024 volgt:
“(…) Verder hebben we besproken dat [klaagster] dit onderdeel aangaande de specifieke zorgkosten ivm genees- en heelkundige hulp, om haar moverende redenen niet verder wenst te onderbouwen. [Klaagster] is van mening dat zij alle relevante gegevens heeft overgelegd. Zij wenst daar aan de Belastingdienst geen nadere toelichting op te geven. Dit vanwege het feit dat ook sprake is van leningen van derden en de in dat kader aan [klaagster] gedane contante uitbetalingen van die leningen. Dit zou dan mogelijk tot nadere vragen kunnen leiden welk risico en welk potentieel financieel nadeel niet opweegt tegen de mogelijke financiële resultaten te behalen met onderhavige bezwaarschriftprocedure. (…)”
3.13 Op 23 mei 2024 heeft verweerder aan klaagster geschreven:
“(…) Uit de door jou en door de Inspecteur overgelegde (proces)stukken is mij gebleken dat niet alle bankafschriften over het 2020 aan de Inspecteur zijn overgelegd. Evenmin is aan de Inspecteur bekend gemaakt de aanvangs- en eindsaldi. Bovendien beschikt de Inspecteur niet over (informatie omtrent de totale hoogte van) de af- en bijschrijvingen over die periode aangaande die lopende rekening. Jij bevestigde deze situatie gisteren ook aan mij. (…) Deze ontvangsten bedroegen in totaal meer dan € 12.000,-. Ik heb daarop aangegeven dat in deze situatie een potentieel fiscaal risico voor je schuilt. Immers zou de Inspecteur bij wetenschap van die ontvangsten zich op het standpunt kunnen stellen dat dit fiscaal belastbaar inkomen (bijvoorbeeld resultaat uit overige werkzaamheden oftewel ROW) is. Het is (dan) dus aan jou om aannemelijk te maken dat deze ontvangsten uit een andere bron verkregen zijn, bijvoorbeeld ten titel van een lening of een schenking. Echter, gaf je mij te kennen dit onvoldoende aannemelijk te kunnen maken. Althans bleek mij naar enig doorvragen dat er geen bewijs voorhanden is ter onderbouwing van die andere titels. Vorenstaande is van belang gelet op wat de Inspecteur schrijft in de vooraankondiging van 1 mei jl. Immers wijkt hij (onder meer) van de bezwaren af vanwege het feit dat onduidelijk is met welke gelden de medische kosten zijn voldaan. Door nu de bankafschriften over te leggen en daarmee te laten zien dat deze kosten wel degelijk door jou zijn gemaakt en dus op jou hebben gedrukt, geef je aldus prijs dat je ook meer ontvangsten hebt gehad dan tot nu toe bekend. Een deel van die ontvangsten is (goed) verklaarbaar en te onderbouwen. Voornoemd deel ad ruim € 12.000,- is dat echter niet. In potentie dus een nieuw fiscaal probleem dat kan leiden tot aanvullende belastingheffing (eventueel in de zin van een navordering) en zo mogelijk zelfs tot het opleggen van een (vergrijp)boete. Kortom, ik heb je geadviseerd om indien je in dat kader geen risico wenst te lopen, jouw bezwaargronden dienaangaande niet nader aan te vullen noch deze verder te onderbouwen met bijvoorbeeld bankafschriften. Je gaf mij ook te kennen geen verdere risico's te willen lopen. (…) Kortom, je kwam zo tot de conclusie dat wij niet naar de hoorzitting van a.s. maandag gaan maar dat wij verzoeken uitspraak te doen op bezwaar conform de vooraankondiging. (…) Indien je reeds nu al kunt bevestigen dat je niet meer wenst dat de hoorzitting plaatsvindt en je daarmee dus verzoekt te beslissen conform de vooraankondiging verneem ik dat graag voor 18:00u van je. Ik zal dat dan vandaag nog aan de bezwaarbehandelaar laten weten. Indien je diens e-mail wenst af te wachten verzoek ik je jouw standpunt uiterlijk morgenochtend voor 11:00 uur kenbaar te maken.”
3.14 Op 24 mei 2024 (om 9.22 uur) heeft verweerder aan klaagster geschreven:
“(…) Ter discussie staat als gezegd de vraag of die kosten in 2020 op jou drukten. Dat kun je aantonen door volledige inzage in jouw financiële positie te geven, dus door alle bankafschriften over te leggen. Echter, onze analyse van die bankafschriften blijkt dat er voor meer dan € 12.000,- ontvangsten zijn, bestaande uit meer dan 95 overboekingen aan jou van steeds relatief kleine bedragen afkomstige van een behoorlijk aantal verschillende natuurlijke personen. Uit jouw beantwoording van mijn vragen dienaangaande is mij gebleken dat je de herkomst van die bedragen althans de titel die aan die overboekingen ten grondslag ligt, niet kunt onderbouwen. Derhalve is mijn conclusie daarmee dat je hier een (nieuw) potentieel aanzienlijk fiscaal risico loopt. Je gaf aan dat risico niet te willen lopen. Daarom is mijn advies ook geen verdere financiële verantwoording meer af te leggen door inzage te geven in jouw financiën. Ik verwijs naar mijn eerdere e-mails hierover. (…)”
En: “Vanochtend hebben wij alles bij elkaar bijna een uur met elkaar gebeld. Daarnaast hadden wij nog uitgebreid contact via e-mail en Whatsapp. Tevens heb ik nog tweemaal telefonisch overleg gehad met jouw belastingadviseur de heer [naam]. Zoals besproken en zoals ik begreep ook door [naam] aan jou bevestigd, is in casu een te groot fiscaal risico aanwezig in het volledig openheid geven van jouw financiële situatie in 2020. Immers, de bewijslast dienaangaande rust op jou en uit de door jou verstrekte informatie daarover slaag je daar slechts ten dele in. In ieder geval is het risico te groot dat de door jou via de bank ontvangen bedragen over het jaar 2020 alsnog in de heffing worden betrokken met alle gevolgen van dien. Ik lichtte je daarbij ook nog voor over het leerstuk van de onjuiste aangifte, de navordering en de praktijk van de verzuim- en vergrijpboetes. De risico's die in dat kader voor je bestaan acht ik te groot om te adviseren verdere financiële openheid te geven. Ik adviseer je dan ook om in te stemmen met de vooraankondiging en ik verwijs daarvoor wel naar al mijn eerdere correspondentie van met name vandaag en gisteren en hetgeen ik je verteld heb. Ook [naam] gaf mij te kennen te vinden dat je dergelijke risico's niet moet willen lopen. Daarbij realiseer ik mij als gezegd dat dat betekent dat je nu dus niet alle standpunten van de Inspecteur kunt weerleggen. Dat is zuur en begrijpelijkerwijs frustrerend, doch helaas een gevolg van de bewijslast(verdeling) in fiscale aangelegenheden. Zeker in de sfeer van de Inkomstenbelasting. Je hebt zojuist dan ook telefonisch en via Whatsapp aan mij laten weten dat je alsnog berust in deze situatie omdat je zelf ook geen verder risico wil lopen. Om die reden heb ik in samenspraak met jou bijgaande e-mail aan de Belastingdienst in concept opgesteld. De inhoud is zoals we zojuist besproken hebben en is ook in lijn met wat we afgelopen woensdag bespraken. Graag verneem ik of je instemt daarmee, ik zal dan tot verzending overgaan. De hoorzitting van a.s. maandag 27 mei heeft daarmee dan geen doorgang. Er zal naar verwachting per omgaande een uitspraak op bezwaar volgen in lijn met de vooraankondiging. Deze kunnen we dan inhoudelijk bespreken bij mij op kantoor. Ik houd je natuurlijk op de hoogte.”
3.15 Daarop heeft klaagster op 24 mei 2024 per e-mail om 9.25 uur gereageerd en geschreven dat ze niet begrijpt waarom alle bankafschriften ingediend moeten worden en waarom verweerder zegt dat klaagster niet kan bewijzen dat zij de bedragen niet als lening van haar vader heeft ontvangen.
3.16 Vervolgens hebben klaagster en verweerder met elkaar gebeld en heeft verweerder om 12.18 uur aan klaagster gemaild dat hij die ochtend ook nog met de belastingadviseur van klaagster had overlegd en dat hij en de belastingadviseur het een te groot fiscaal risico vonden om volledig openheid te geven over klaagsters financiële situatie in 2020. Verweerder had in concept een e-mail toegevoegd om aan de belastingdienst te sturen waardoor de hoorzitting van 27 mei 2024 niet door hoefde te gaan. Klaagster heeft daarop om 13.15 uur gemaild dat de mail verzonden kan worden als duidelijk is dat klaagster aanspraak maakt op immateriële schadevergoeding en een dwangsom.
3.17 Verweerder heeft nadien aan de Belastingdienst kenbaar gemaakt dat de hoorzitting niet hoeft te worden gehouden en dat er een beslissing kan worden genomen.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover van toepassing, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat hij:
a) […];
b) klaagster van onjuist advies en onvoldoende begeleiding heeft voorzien, waardoor haar persoonsgebonden aftrekbare kosten niet zijn toegewezen;
c) […];
d) de voorkeur geeft aan de gemakkelijkste oplossingen, zonder rekening te houden met de voordelen voor klaagster;
e) […].
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft aan de gegrondverklaring van de klachtonderdelen b) en d) de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.
5.2 De klachtonderdelen b) en d) zien op de inhoudelijke bijstand van verweerder in de belastingprocedure. De raad heeft geoordeeld dat verweerder hierin tekort is geschoten. Dat is als volgt toegelicht. Uit de berichten van de Belastingdienst is al snel gebleken dat de uitkomst van het bezwaar tegen de IB 2020 afhankelijk was van de IB 2018 en 2019. Verweerder heeft dat zelf ook bevestigd aan klaagster. Daarbij heeft hij zich echter op het standpunt gesteld dat bijstand bij de bezwaarprocedures tegen de IB 2018 en 2019 buiten de reikwijdte van zijn opdracht en de verleende toevoeging vielen. De raad acht dit standpunt te kort door de bocht. Aangezien de IB 2018 en 2019 van belang waren voor de uitkomst van de bezwaarprocedure tegen de IB 2020, vielen deze werkzaamheden ook onder de reikwijdte van de toevoeging en diende verweerder klaagster daarin ook bij te staan of voor ieder van deze jaren een nieuwe toevoeging aanvragen waarbij dan samenhang zou zijn tussen deze drie toevoegingen.
5.3 Verweerder heeft dit miskend. Daarmee heeft hij niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelen advocaat mag worden verwacht.
5.4 De raad heeft verder overwogen dat verweerder onvoldoende acht heeft geslagen op de leningsovereenkomst van klaagster, terwijl overlegging daarvan kon bijdragen aan het inzichtelijk maken van de herkomst van de gelden. Uit de gespreksverslagen van 15 mei 2024 en 22 mei 2024 volgt dat verweerder wel over het bestaan daarvan is geïnformeerd, maar hij deze niet heeft opgevraagd bij klaagster. De raad heeft geoordeeld dat verweerder dit wel had moeten doen, om te beoordelen of dit document tóch voldoende aannemelijk kon maken dat het geld afkomstig was uit een lening. Verweerder heeft deze verantwoordelijkheid niet genomen, maar heeft volstaan met het opmerken dat klaagster meende dat dit niet zo was. Daarmee is hij tekortgeschoten in zijn zorgplicht richting klaagster.
5.5 Wel juist heeft de raad geacht het advies van verweerder om, gelet op de bij hem bekende stukken, af te zien van de hoorzitting in verband met het risico dat een vergrijpboete zou worden opgelegd , aangezien dit financieel nadeliger zou zijn voor klaagster. Dat heeft hij klaagster ook uitvoerig toegelicht, waarna zij daarmee heeft ingestemd. Verweerder heeft op dit punt gehandeld zoals van hem kon worden verwacht.
Maatregel
5.6 Verweerder heeft niet gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat betaamt, door zijn opdracht en de verleende toevoeging beperkt te achten tot strikt de bezwaarprocedure IB 2020 terwijl gedurende de procedure bleek dat ook de uitkomsten van de IB 2018 en 2019 daarmee onlosmakelijk verbonden waren. Ook heeft verweerder zich onvoldoende ingespannen om alle door klaagster aangedragen bewijzen op te vragen en te bestuderen, waardoor hij tekort is geschoten in zijn zorgplicht. Daarmee heeft verweerder onvoldoende deskundig gehandeld en is hij tekortgeschoten in de belangenbehartiging aan klaagster. Omdat dit raakt aan de kernwaarde deskundigheid, achtte de raad de oplegging van een waarschuwing niet voldoende. De raad heeft daarom een berisping opgelegd.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerder
Hoor- en wederhoor
6.1 De raad heeft het recht op hoor- en wederhoor geschonden. Verweerder is niet in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de toelaatbaarheid van de door klaagster op 25 november 2025 ingediende stukken. De raad heeft de stukken ongemotiveerd aan het dossier toegevoegd. Voorts blijkt uit het proces-verbaal dat aan klaagster op de zitting de gelegenheid is gegeven andere, gehele nieuwe stukken aan de procedure toe te voegen, althans de inhoud van deze stukken aan de raad kenbaar te maken en deze stukken op zitting nader te mogen toelichten zonder dat verweerder op enigerlei wijze gelegenheid heeft gekregen zich daarover uit te laten. Het gaat dan met name en in ieder geval om de situatie dat klaagster op de zitting kennelijk “een uitspraak van november 2025” heeft getoond.
Inhoudelijk
Klachtonderdeel b) verweerder heeft klaagster van onjuist advies en onvoldoende begeleiding voorzien, waardoor haar persoonsgebonden aftrekbare kosten niet zijn toegewezen
- Verweerder betwist dat hij tekort is geschoten in de inhoudelijke bijstand aan klaagster in de bezwaarprocedure tegen de Belastingdienst. Dit oordeel van de raad is niet begrijpelijk en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd;
- Verweerder betwist ook dat de uitkomst van het bezwaar tegen de IB 2020 afhankelijk was van de IB 2018 en 2019. De IB 2018 en 2019 waren enkel relevant voor de doorrekening (het doorschuiven) van de persoonsgebonden aftrek voor de IB 2020, niet voor de inhoud van het bezwaar tegen de IB 2020.
- Er is bij wijze van uitzondering een toevoeging verleend voor het geschil inzake de IB 2020, omdat er een rechtsvraag voorlag. De toevoeging zag niet op andere tijdvakken (2018/2019), waarin het enkel een geschil van feitelijke of rekenkundige aard betrof.
Klachtonderdeel d) verweerder heeft de voorkeur gegeven aan de gemakkelijkste oplossingen, zonder rekening te houden met de voordelen voor klaagster
- Verweerder wijst allereerst op de hoeveelheid werk, tijd en aandacht die hij aan de rechtsbijstand voor klaagster heeft besteed, hetgeen ook volgt uit zijn urenspecificatie;
- Het oordeel van de raad dat verweerder onvoldoende acht zou hebben geslagen op de leningsovereenkomst van klaagster, terwijl overlegging daarvan kon bijdragen aan het inzichtelijk maken van de herkomst van de gelden, mist iedere grondslag. Uit het dossier blijkt niets van een leningsovereenkomst. Klaagster heeft pas bij de zitting van de raad het bestaan van schriftelijke overeenkomst expliciet naar voren gebracht. Bovendien volgt uit de correspondentie tussen verweerder en klaagster ontegenzeglijk dat verweerder met klaagster heeft besproken dat de bewijslast van haar stellingen bij klaagster lag.
Maatregel
6.2 De opgelegde maatregel is volgens verweerder niet in lijn is met andere uitspraken van het hof in vergelijkbare situaties. De opgelegde maatregel is daarmee onbegrijpelijk en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd en onderbouwd.
Verweer klaagster
6.3 Klaagster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Omvang van het beroep
7.1 Verweerder is in beroep gekomen tegen de gegrondverklaring van klachtonderdelen b) en d). De beoordeling in hoger beroep blijft dan ook hiertoe beperkt.
Maatstaf
7.2 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
7.3 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.
Hoor en wederhoor
7.4Het hof overweegt dat de behandeling in hoger beroep bij het hof mede ten doel heeft om eventuele onjuistheden en omissies bij de behandeling door de raad recht te zetten. Verweerder heeft alsnog op alle in eerste aanleg in het geding gebrachte stukken en ingenomen stellingen kunnen reageren, zowel in de schriftelijke ronde als tijdens de mondelinge behandeling bij het hof. Het hof is daarom van oordeel dat verweerder geen belang meer heeft bij deze beroepsgrond.
Ten aanzien van de klachtonderdelen b) en d)
7.5 Het hof ziet het hof aanleiding de klachtonderdelen b) en d) gezamenlijk te bespreken.
7.6 Klaagster voert aan dat verweerder door haar was aangesteld voor de IB 2020, maar dat gedurende de procedure bleek dat ook de uitkomsten van de IB 2018 en 2019 daarmee onlosmakelijk verbonden waren. Klaagster verwijt verweerder dat hij heeft geweigerd om de belastingjaren 2018 en 2019 bij zijn opdracht te betrekken. Daarmee heeft hij volgens klaagster niet deskundig gehandeld en heeft hij haar belangen geschaad.
7.7 Het hof stelt vast dat niet in geschil is dat uit de opdrachtbevestiging van 24 juli 2023 volgt dat enkel de opdracht is aanvaard voor rechtsbijstand in het kader van de - door klaagster zelf aanhangig gemaakte - bezwaarprocedure tegen de aanslag IB 2020.
7.8 Naar aanleiding van de berichtgeving van de belastingdienst over de definitieve aanslag IB 2019 - en in afwachting van de definitieve aanslag IB 2018 - hebben klaagster en verweerder overleg gevoerd. Het hof verwijst in dit verband naar de hiervoor vastgestelde feiten.
7.9 Verweerder heeft hetgeen hij met klaagster heeft besproken vastgelegd in gespreksverslagen. Ter zitting heeft verweerder onweersproken verklaard dat hij die verslagen ook aan klaagster heeft verstrekt, waarbij hij haar heeft gewezen op de mogelijkheid om daarop inhoudelijk te reageren. Het hof begrijpt dat klaagster van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt. Het hof heeft dan ook geen reden om de inhoud van de door verweerder overgelegde gespreksverslagen in twijfel te trekken.
7.10 Uit de overgelegde gespreksverslagen en de daaropvolgende correspondentie tussen klaagster en verweerder blijkt dat verweerder klaagster bij herhaling erop heeft gewezen dat hij alleen werkzaamheden voor klaagster verrichtte inzake de bezwaarprocedure tegen de aanslag IB 2020 en dat het hem duidelijk was geworden dat klaagster voor de andere belastingtijdvakken bijstand had van haar belastingadviseur.
7.11 Zo heeft verweerder op 17 oktober 2023 aan klaagster geschreven: “Als gezegd verricht ik alleen werkzaamheden in bezwaar IB 2020”.
7.12 Op 8 april 2024 heeft verweerder in zijn verslag van de bespreking op 8 april 2024 met klaagster geschreven: “(…) Klaagster geeft tijdens dat gesprek aan dat zij inmiddels wat betreft de andere belastingtijdvakken die volgens haar kennelijk in onderzoek zijn, fiscale bijstand heeft van de heer H. Kortom, de vragen die ze mij stelde over andere tijdvakken dan het tijdvak 2020 – het tijdvak waarin ik ben toegevoegd en waarop mijn opdracht ziet – kunnen volgens [klaagster] daarmee als voldoende beantwoord worden beschouwd. Mijn hulp en eventuele aanvullende toevoeging als advocaat is daarvoor dan ook niet nodig. (…)”
7.13 Op 24 mei 2024 heeft verweerder aan klaagster geschreven: “Mijn advies voor nu is om deze situatie in ieder geval te bespreken met de adviseur die je daarvoor in de arm hebt genomen nu mijn rechtsbijstand immers enkel ziet op onderhavige bezwaarprocedure aangaande de aanslag inkomstenbelasting 2020”.
7.14 Uit de overgelegde correspondentie volgt ook dat klaagster heeft geaccepteerd dat verweerder alleen werkzaamheden voor klaagster zou verrichten inzake de bezwaarprocedure tegen de aanslag IB 2020 en dat zij voor de andere tijdvakken zich moest wenden tot haar belastingadviseur. Zo heeft klaagster aan verweerder teruggeschreven: “(…) Ik ben mij ervan bewust dat je alleen actie kunt ondernemen op basis van het bezwaar van 2020 […]”.
7.15 Voorts was afgesproken dat klaagster zelf bezwaar zou maken tegen de definitieve aanslag IB 2019, hetgeen zij ook heeft gedaan.
7.16 Klaagster heeft de voormelde geschetste gang van zaken niet weersproken.
7.17 Bij deze stand van zaken - waarbij verweerder naar het oordeel van het hof duidelijk naar klaagster toe heeft gecommuniceerd over de reikwijdte van zijn opdracht, dat ook schriftelijk heeft vastgelegd, en heeft mogen begrijpen dat de heer H bijstand ging verlenen voor de IB 2018 en 2019 - is het hof van oordeel dat het verwijt dat klaagster verweerder maakt dat hij heeft nagelaten de IB 2018 en 2019 bij zijn opdracht te betrekken, niet terecht is. Verweerder heeft zich er bovendien van vergewist dat klaagster voor de andere tijdvakken bijstand had. Dat klaagster het restant van haar persoonsgebonden aftrek uit 2018 en 2019 kan opgeven bij de aangifte IB 2020, maakt dit niet anders. De stellingen van partijen over de reikwijdte van de verleende toevoeging, kunnen gelet op het voorgaande onbesproken blijven. Verweerder mocht zich dus houden aan de hem verstrekte opdracht en heeft daarbij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.
7.18 Klaagster verwijt verweerder ook dat hij tekort is geschoten in zijn onderzoeksplicht, omdat hij heeft genegeerd dat klaagster beschikte over bewijs ter onderbouwing van haar stelling dat de stortingen/overboekingen (ten bedrage van ruim € 12.000,-) geldleningen betroffen. Klaagster beschikte immers over (drie) leningovereenkomsten (met onder andere haar vader en een vriend van de familie). Zij heeft verweerder daar herhaaldelijk op gewezen. Verweerder wilde daar echter geen kennis van nemen, omdat hij die niet relevant vond, aldus klaagster. Verweerder zocht volgens klaagster de makkelijkste oplossing, door zijn advies om te berusten in de situatie (en daarmee niet naar de hoorzitting te gaan) enkel en alleen te willen baseren op de door klaagster overgelegde bankafschriften.
7.19 In hoger beroep is duidelijk geworden dat klaagster de door haar gestelde leningovereenkomsten niet op enig moment daadwerkelijk aan verweerder heeft getoond of verstrekt.
7.20 Ook is het hof duidelijk geworden dat verweerder en klaagster uitvoerig met elkaar hebben gesproken over de herkomst van de door klaagster ontvangen geldbedragen en de mogelijkheid om te bewijzen dat het om geldleningen gaat, gelet op de door de Belastingdienst gestelde vragen.
7.21 Dat klaagster verweerder bij herhaling heeft gewezen op het bestaan van (3) leningsovereenkomsten is door verweerder uitdrukkelijk en gemotiveerd weersproken en het hof ziet voor de juistheid van die stelling van klaagster geen aanknopingspunt in de stukken.
7.22 Uit de overgelegde stukken leidt het hof af dat verweerder klaagster bij herhaling om een onderbouwing heeft gevraagd van de stortingen/overboekingen en de titel(s) daarvan.
7.23 In zijn e-mail van 23 mei 2024 schrijft verweerder onder meer aan klaagster: “Het is (dan) dus aan jou om aannemelijk te maken dat deze ontvangsten uit een andere bron verkregen zijn, bijvoorbeeld ten titel van een lening of een schenking. Echter, gaf je mij te kennen dit onvoldoende aannemelijk te kunnen maken. Althans bleek mij naar enig doorvragen dat er geen bewijs voorhanden is ter onderbouwing van die andere titels.”
7.24 In zijn e-mail aan klaagster van 24 mei 2024 merkt verweerder nogmaals op dat hem is gebleken dat klaagster de herkomst van de gestorte bedragen, althans de titel die aan die overboekingen ten grondslag ligt, niet kan onderbouwen . Later die dag heeft verweerder datzelfde nogmaals schriftelijk aan klaagster bevestigd, naar aanleiding van een telefonisch contact.
7.25 Uit de overlegde correspondentie volgt ook dat klaagster zelf heeft aangegeven dat zij alle relevante gegevens heeft overgelegd aan de Belastingdienst en geen nadere toelichting wenste te geven.
7.26 Verweerder heeft klaagster uiteindelijk geadviseerd om, gelet op de grote hoeveelheid overboekingen op haar bankrekening, de omschrijvingen daarbij, de grote hoeveelheid verschillende namen van natuurlijke personen en het ontbreken van een onderbouwing voor de gestelde lening of leningen, de bankafschriften niet aan de Belastingdienst te overleggen (en niet naar de hoorzitting te gaan) en daarmee te berusten in de situatie. Verweerder heeft daarover ook meermaals overleg gevoerd met de heer H, de belastingadviseur van klaagster, die kennelijk dezelfde mening was toegedaan.
7.27 Het hof acht het advies van verweerder, gelet op de informatie die op dat moment voorhanden was en het risico dat klaagster liep dat de door haar ontvangen bedragen alsnog in de heffing zouden worden betrokken met alle gevolgen van dien, niet onbegrijpelijk en ook niet evident onjuist.
7.28 Het hof is van oordeel dat verweerder zorgvuldig jegens klaagster heeft gehandeld en klaagster goed heeft begeleid door haar meer dan eens te wijzen op haar bewijslast en het risico dat zij liep als zij in die bewijslast niet zou slagen. Dat klaagster nadien in de procedure in beroep bij de rechtbank kennelijk wel alsnog een leningsovereenkomst heeft ingebracht en die als onderbouwing van haar stellingen is geaccepteerd, werpt geen ander licht op de handelwijze van verweerder.
Slotsom
7.29 Het voorgaande leidt er toe dat het beroep tegen de gegrondverklaring van de klachtonderdelen b) en d) slaagt. De beslissing van de raad waarin die klachtonderdelen gegrond zijn verklaard, een maatregel is opgelegd en verweerder is veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten zal worden vernietigd en de klachtonderdelen b) en d) zullen alsnog ongegrond worden verklaard.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
8.1 vernietigt de beslissing van 26 januari 2025 van de Raad van Discipline in het ressort ’s-Hertogenbosch, gewezen onder nummer 25-657/DB/LI, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, de klachtonderdelen b) en d) gegrond zijn verklaard, verweerder een berisping is opgelegd en verweerder is veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en de proceskosten;
en doet opnieuw recht:
8.2 verklaart de klachtonderdelen b) en d) alsnog ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg en G.C. Endedijk, l eden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijtzes, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2026 .
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 28 augustus 2026.