ECLI:NL:TAHVD:2026:276 Hof van Discipline 's Gravenhage 260176

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:276
Datum uitspraak: 24-08-2026
Datum publicatie: 25-08-2026
Zaaknummer(s): 260176
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Verzoek tot aanwijzing van een advocaat in meerdere opzichten onvoldoende onderbouwd, waardoor de deken niet in de gelegenheid is gesteld om het verzoek inhoudelijk te beoordelen.

Beslissing van 24 augustus 2026

in de zaak 260176

naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

klager

tegen:

mr. E.W.J. de Groot

Deken van de Orde van Advocaten

in het arrondissement Zeeland-West-Brabant

de deken

1 DE PROCEDURE

Bij de deken

1.1 Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.

1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 12 mei 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd:

- dat klager onvoldoende heeft aangetoond dat hij niet zelf een advocaat kan vinden die bereid is hem bij te staan;

- dat niet is gebleken dat klager bereid en in staat is de eigen bijdrage van de toevoeging te betalen;

- dat het aan klager zelf te wijten is dat hij geen bijstand heeft, omdat hij het vertrouwen in de advocaat die hem bijstond heeft opgezegd;

- en dat klager het verzoek verder onvoldoende heeft onderbouwd.

Klager was gedagvaard in een kort geding op 19 mei 2026, waar hij als gedaagde zelf het woord kon voeren.

Bij het hof

1.3 Klager heeft op 12 mei 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). Op 18 mei 2026 heeft de griffie van het hof aan klager laten weten dat het praktisch niet lukt om voor 19 mei 2026 een beslissing te nemen en de vraag gesteld of klager het beklag wil doorzetten. Dezelfde dag heeft klager laten weten het beklag te willen doorzetten.

1.4 Verder bevat het dossier:

  • de aanvulling op het beklag van 26 mei 2026;
  • het verweer van de deken
  • de repliek
  • de dupliek
  • de feitelijke toelichting van klager van 7 en 13 juli 2026.

1.5 Het hof heeft de beslissing genomen op basis van de stukken in het dossier.

2 FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1 Het hof begrijpt uit de stellingen van klager en uit de (weinige) door hem overgelegde stukken, dat hij sinds 2015 geschillen heeft met de gemeente S (hierna: de gemeente). Klager verwijt de gemeente onbehoorlijk bestuur en stelt door toedoen van de gemeente steeds zieker geworden te zijn. Er liepen en lopen juridische procedures tussen klager en de gemeente.

2.2 Klager stelt dat hij tot en met 2023 behoorlijk werd bijgestaan door een advocatenkantoor op basis van toevoegingen. Toen de zaken wegens het vertrek van zijn advocaat moesten worden overgenomen, heeft de opvolgende advocaat alleen de aansprakelijkheidskwestie overgenomen. Voor die zaak was al een toevoeging verleend. De opvolgend advocaat heeft niet veel meer gedaan. Toen klager rechtstreeks door de advocaat van de gemeente werd aangeschreven en vervolgens een kort gedingdagvaarding kreeg, heeft de opvolgend advocaat aangegeven dat hij niets meer voor klager zou doen, aldus klager.

2.3 De gemeente heeft klager in kort geding gedagvaard. De gemeente stelde dat klager op sociale media onrechtmatige uitlatingen deed en vorderde dat klager die uitlatingen op straffe van een dwangsom moest verwijderen en verwijderd houden. Ook vorderde de gemeente een verbod om nieuwe uitlatingen te doen. Het kort geding vond plaats op 19 mei 2026. Klagers verzoek om digitaal bij de zitting aanwezig te mogen zijn, was afgewezen. Tegen klager is verstek verleend en de voorzieningenrechter heeft de vorderingen bij uitspraak van 2 juni 2026 toegewezen. De uitspraak is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RBZWB:2026:4879.

2.4 Klager wenst een aansprakelijkheidsprocedure tegen de gemeente te voeren. 

3 beklag en verweer

Gronden van het beklag

3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klager wenst (nog steeds) aanwijzing van een advocaat, specifiek voor de aansprakelijkstelling van de gemeente.

3.2 De deken is eraan voorbijgegaan dat klager door zijn medische en financiële situatie niet in staat is zelf een advocaat te vinden die hem op basis van de noodzakelijke toevoeging (aansprakelijkheidstelling) wil bijstaan. Inmiddels heeft klager sinds 12 mei 2026 31 advocatenkantoren aangeschreven, maar geen advocaat bereid gevonden om hem bij te staan.

3.3 Financiële onmacht is geen onwil en mag het recht op rechtsbijstand niet blokkeren. Klager heeft nooit gesteld niet bereid te zijn te betalen. Hij is daartoe wel degelijk bereid, maar kan het niet zelfstandig opbrengen, omdat hij voor de kosten van levensonderhoud en rechtsbijstand is aangewezen op bijzondere bijstand. Dat is geen onwil, maar overmacht en wel een overmacht die rechtstreeks voortvloeit uit de wijze waarop de gemeente klagers huidige fysieke en sociaaleconomische situatie zelf heeft veroorzaakt.

3.4 De deken heeft de ernst van klagers medische aftakeling genegeerd. Klager was fysiek niet in staat om zelf de verdediging te voeren op de zitting van 19 mei 2026 en het was hem niet toegestaan om digitaal aanwezig te zijn. Het dwingen van een zieke rechtzoekende om zonder advocaat te procederen in een complexe zaak tegen de overheid, is in strijd met het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM). Door het ontbreken van een aangewezen advocaat worden klager concrete rechten onthouden, in ieder geval effectieve toegang tot en verdediging in de aansprakelijkheidszaak. Een ernstige, gedocumenteerde medische situatie, die de mogelijkheid van klager om zichzelf te verdedigen rechtstreeks aantast, kan niet zonder enige weging buiten beschouwing worden gelaten.

3.5 Hoewel er een lopende toevoeging is, is de vertrouwensbreuk met klagers laatste advocaat onherstelbaar door het niet volgen van de afgesproken koers (aansprakelijkheidstelling) en het niet reageren op de wederpartij. De vertrouwensbreuk maakt effectieve bijstand feitelijk onmogelijk. Het verlies van dat vertrouwen kan een cliënt nooit worden “aangerekend” als grond om hem vervolgens rechtsbijstand te onthouden. Dat zou erop neerkomen dat niemand meer van advocaat zou kunnen wisselen zonder zijn recht op (vervangende) rechtsbijstand te verliezen. Klagers opzegging was gegrond op twee concrete feiten: het onbesproken laten van het rechtstreekse contact door de advocaat van de wederpartij met klager, terwijl klager werd bijgestaan door een advocaat en het negeren van klagers medische aftakeling. Daarnaast was de toevoeging van klagers laatste advocaat hoe dan ook al beëindigd per 23 april 2026, zodat een aparte schriftelijke bevestiging van zijn kant niet nodig was en redelijkerwijs ook niet van klager kon worden verwacht.

Verweer

3.6 Het verweer van de deken zal hierna, voor zover van belang, worden besproken.

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

Beoordeling

4.2 Het hof overweegt allereerst dat bij de beoordeling van belang is dat de voorziening van artikel 13 Advocatenwet geen absolute waarborg is voor daadwerkelijke toegang tot de rechter. Het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op toegang tot een rechter is niet absoluut, maar mag aan verschillende beperkingen worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen het recht op toegang tot de rechter niet in essentie aantasten, maar moeten een gerechtvaardigd doel dienen en moeten proportioneel zijn aan dat doel. Het Nederlandse wettelijk systeem, waaronder het betalen van een eigen bijdrage, is daarmee niet in strijd (vgl. ABRvS 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1243 en HvD, 20 maart 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:52). Dit systeem levert ook geen schending van enige andere verdragsbepaling op (zie HvD 8 mei 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:79).

4.3 Klager heeft mogelijk geen belang meer bij toewijzing van een advocaat om verzet in te stellen tegen het verstekvonnis van 2 juni 2026, omdat - zoals klager zelf lijkt te stellen, maar het hof niet kan vaststellen - de beslissing van de voorzieningenrechter onherroepelijk is geworden door het verstrijken van de verzettermijn. Voor zover daar evenwel geen sprake is - wat klager niet heeft onderbouwd - heeft klager niet (voldoende) toegelicht op welke wijze hij wenst op te komen tegen het vonnis van 2 juni 2026. De deken heeft ook niet kunnen beslissen om voor dat geval een advocaat aan te wijzen.

4.4 Klager heeft wel belang bij een beslissing voor zover het betreft zijn wens om de gemeente (in een bodemprocedure) aansprakelijk te stellen voor - naar het hof aanneemt - door hem geleden schade als gevolg van handelen en/of nalaten door de gemeente. De deken heeft in dat verband evenwel terecht in zijn beslissing aangegeven dat klager zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd. Het ligt namelijk om te beginnen op de weg van klager om concreet aan te geven wat hij in een procedure van de gemeente wil vorderen en op grond waarvan. Ook zal klager de deken aanknopingspunten moeten aanleveren (met bewijsstukken), aan de hand waarvan de deken kan beoordelen of de door klager gewenste procedure redelijke kans van slagen maakt. Tot op heden heeft klager - ook in de beklagprocedure - het één noch het ander gedaan. Het enige stuk, waaruit (enigszins) valt op te maken wat de aard is van de geschillen is tussen klager en de gemeente, is de uitspraak van de bestuursrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 juli 2026. In die uitspraak is het besluit van de gemeente om geen bijzondere bijstand te verlenen voor dieetkosten vernietigd en moet de gemeente een nieuw besluit op bezwaar nemen. Aangezien de gemeente een nieuw besluit moet nemen, kan klager niet worden gevolgd in zijn stelling dat de gemeente reeds aantoonbaar onrechtmatig heeft gehandeld.

4.5 Daarbij komt dat er kennelijk een toevoeging is verleend voor de aansprakelijkheidskwestie, die door klagers laatste advocaat is overgenomen. Niet duidelijk is geworden wat de stand van zaken is. Klager stelt enerzijds dat die toevoeging er nog is, en anderzijds dat de toevoeging is beëindigd. Ook is niet duidelijk wat in die zaak wel of niet door klagers (laatste en voorlaatste) advocaat is gedaan. Is de gemeente al concreet aansprakelijk gesteld? Wat is er aan correspondentie daarover gevoerd? Wat hebben klagers advocaten hem geadviseerd? Ook heeft de deken klager gevraagd correspondentie over te leggen met betrekking tot de beëindiging van de opdracht van klagers laatste advocaat, wat klager niet heeft gedaan.

4.6 Al met al blijkt uit het voorgaande dat klager zijn verzoek tot aanwijzing van een advocaat in meerdere opzichten onvoldoende heeft onderbouwd en dat hij daardoor de deken ook niet in de gelegenheid heeft gesteld om het verzoek inhoudelijk te beoordelen. Klager heeft onvoldoende aan zijn informatieplicht voldaan. Dat betekent dat de deken het verzoek van klager terecht en wegens gegronde redenen heeft afgewezen, zodat het beklag van klager niet slaagt.

5 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

-      verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 12 mei 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant ongegrond.

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en  G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2026 .

griffier                                                                                                       voorzitter

De beslissing is verzonden op 24 augustus 2026.