ECLI:NL:TAHVD:2026:275 Hof van Discipline 's Gravenhage 260173

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:275
Datum uitspraak: 24-08-2026
Datum publicatie: 25-08-2026
Zaaknummer(s): 260173
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Onvoldoende kans van slagen van de door klager gewenste procedure.

Beslissing van 24 augustus 2026

in de zaak 260173

naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

klager

tegen:

mrs. J.H. Stek en E.J.M. van Rijckevorsel-Teeuwen

Deken van de Orde van Advocaten

in het arrondissement Amsterdam

de deken

1 DE PROCEDURE

Bij de deken

1.1 Klager heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.

1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 12 mei 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat de door klager gewenste procedure onvoldoende kans van slagen heeft.

Bij het hof

1.3 Klager heeft op 13 mei 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).

1.4 Verder bevat het dossier:

  • het verweer van de deken
  • de repliek
  • de dupliek.

1.5 Het hof heeft de beslissing genomen op basis van de stukken in het dossier.

2 FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1 Klager is op 22 november 2011 als bijrijder van een auto gewond geraakt bij een verkeersongeval. Tussen de toenmalige advocaat van klager (mr. A) en de verzekeraar van de auto is onderhandeld over de afwikkeling van de letselschade. In oktober 2017 heeft de schaderegelaar van de verzekeraar de advocaat van klager bericht:

“Na overleg met mijn opdrachtgever is mijn opdrachtgever na ampele overwegingen bereid gevonden om een slotbetaling van € 225.000 betaald te stellen, alsook om een belastinggarantie te verstrekken voor de volledige schadevergoeding, onder voorwaarde van een mede door uw cliënt ondertekende vaststellingsovereenkomst en belastinggarantie. Beide documenten voeg ik bij, met het verzoek ze in tweevoud te printen en met het verzoek uw cliënt tot ondertekening over te laten gaan. Graag ontvang ik 1 mede door uw cliënt ondertekend exemplaar van beide documenten retour, waarna ik mijn opdrachtgever zal vragen over te gaan tot betaling van het slotbedrag.”

De bijgevoegde vaststellingsovereenkomst (hierna: de VSO 2017) was ondertekend door de directeur van de verzekeraar. In deze VSO wordt uitgegaan van een totaal schadebedrag van € 393.000,-, uitbetaalde voorschotten van € 168.000,- en een slotuitkering van € 225.000,-.

2.2 Hierop heeft klager een second opinion gevraagd bij een andere advocaat, mr. B, die de zaak vervolgens heeft overgenomen. Mr. B berichtte de verzekeraar in januari 2018:

“Hierdoor kom ik terug op onze correspondentie en gesprekken in de hierboven kort aangeduide zaak. Inmiddels was ik in de gelegenheid om het dossier (inclusief schade begroting) te bestuderen en met cliënt te bespreken. De uitkomst van dit gesprek is dat cliënt niet instemt met de eerder besproken regeling, waarin uw achterban € 393.000,- betaalt, tegen finale kwijting.”

2.3 Na verdere correspondentie en mediation hebben klager (die nog steeds door mr. B werd bijgestaan) en de verzekeraar op 3 mei 2021 een andere vaststellingsovereenkomst (hierna: de VSO 2021) ondertekend. In de VSO 2021 is uitgegaan van een totaal schadebedrag van € 322.500,-, uitbetaalde voorschotten van € 200.000,- en een slotuitkering van € 122.500,-. Er is uitvoering gegeven aan de VSO 2021.

2.4 Bij brief van 19 oktober 2023 heeft klager de verzekeraar verzocht de VSO 2017 na te komen en alsnog een bedrag van € 70.500,-  te betalen. De verzekeraar heeft daarop aangegeven dat de VSO 2017 niet is ondertekend en dat de VSO 2021 geldig is.

2.5 Mr. A, de advocaat die klager in 2017 bijstond, heeft klager desgevraagd op 30 augustus 2024 het volgende bevestigd:

“Het met u besproken bedrag ter hoogte van € 225.000,- is akkoord bevonden door de wederpartij en dit in een vso gegoten. In de bijlage die u mij zendt zit ook een email van mij waarin ik het e.e.a. aan u bevestig. De wederpartij stemt in met het bedrag en stelt de overeenkomst en belastinggarantie op. Via mij is er namens u dan ook een akkoord gegeven op het voornoemd bedrag en heeft de wederpartij daarmee ingestemd (…)”

2.6 Klager is op 15 december 2025 een deelgeschilprocedure gestart tegen de verzekeraar. Hij werd bijgestaan door een andere (derde) advocaat. De rechtbank heeft het verzoek bij beschikking van 26 februari 2026 afgewezen, omdat het verzoek zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Daarbij heeft de rechtbank overwogen:

“Dat het verzochte niet zou kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst en daarom zou moeten worden afgewezen, lag naar liet oordeel van de rechtbank zo voor de hand dat het indienen van het verzoek volstrekt onterecht en onnodig moet worden beschouwd.”

2.7 Klager wenst nu in een bodemprocedure tegen de verzekeraar nakoming te vorderen van de VSO 2017 en de VSO 2021 vernietigen op grond van dwaling en/of misbruik van omstandigheden. Klager stelt zich op het standpunt dat de VSO 2017 mondeling door zijn eerste advocaat in 2017 zou zijn aanvaard. Klager heeft geen advocaat kunnen vinden, die bereid is om hem daarin bij te staan.

3 beklag en verweer

Gronden van het beklag

3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen, omdat de deken het beperkte toetsingskader van artikel 13 Advocatenwet heeft overschreden door zich te begeven in een inhoudelijke beoordeling van civielrechtelijke geschilpunten, die uitsluitend aan de bodemrechter zijn voorbehouden.

3.2 Klager is van mening dat de toets van de deken uitsluitend betrekking mag hebben op de vraag of sprake is van een evident kansloze procedure. De deken heeft ten onrechte een inhoudelijk oordeel gegeven over de totstandkoming van de VSO in 2017 en is daarmee ten onrechte op de stoel van de rechter gaan zitten. Ook heeft de rechter ten onrechte gewicht toegekend aan de standpunten van de rechtsbijstandsverzekeraar van klager, een bindend adviseur en een advocaat die de zaak niet heeft aangenomen. Die standpunten kunnen niet gelijkgesteld worden aan een rechterlijk oordeel.

3.3 Volgens klager is geen sprake van een evident kansloze procedure. Het geschil betreft complexe civielrechtelijke vragen over wilsovereenstemming, vertegenwoordiging, uitleg en verklaringen en bewijslevering. Dat de zaak complex is, maakt hem nog niet kansloos.

Verweer

3.4 Het verweer van de deken zal hierna, voor zover van belang, worden besproken.

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

Beoordeling

4.2 Het gaat in deze zaak uitsluitend om de vraag of de door klager gewenste procedure redelijke kans van slagen heeft. Het ligt daarbij op de weg van klager om de deken aanknopingspunten aan te reiken ter onderbouwing van zijn stelling dat daarvan sprake is. De enkele stelling van klager dat het een complexe zaak is, waarin vele procedurele en/of inhoudelijke vragen kunnen worden opgeroepen, is daarvoor niet voldoende. Het feit dat klagers rechtsbijstandsverzekering, een ingeschakelde bindend adviseur en (ten minste) een advocaat geen reële mogelijkheden zien, hoeft niet doorslaggevend te zijn, maar is wel een belangrijk signaal dat een redelijke kans van slagen ontbreekt.

4.3 Uit de hiervoor weergegeven feiten lijkt op te maken te zijn (zie citaten in 2.1 en 2.5) dat de verzekeraar in 2017 een voorstel van klager heeft geaccepteerd, onder de voorwaarde van een getekende VSO. Klager heeft die VSO niet ondertekend, maar een second opinion gevraagd. Dat heeft geleid tot verdere onderhandelingen en een in 2021 wél ondertekende VSO, die ook is uitgevoerd en nagekomen. Dat in 2017 - desondanks - een rechtsgeldige VSO tot stand zou zijn gekomen, blijkt niet uit de stukken en klager heeft ook geen aanknopingspunten voor dat standpunt aangedragen. De inhoud van de e-mail van 30 augustus 2024 van mr. A, die klager destijds in 2017 bijstond, leidt niet tot een ander oordeel. Er is geen bewijs overgelegd waaruit blijkt dat mr. A namens klager de toenmalige VSO tegenover de verzekeraar heeft aanvaard. De stelling van klager is bovendien in tegenspraak met de e-mail van 16 januari 2018 van mr. B aan de verzekeraar waarin uitdrukkelijk wordt medegedeeld dat klager “niet instemt met de eerder besproken regeling, waarin uw achterban € 393.000,00 betaalt, tegen finale kwijting” (zie hierboven onder 2.2).  Klager heeft zijn stelling dat de VSO 2021 onder dwaling en/of misbruik van omstandigheden tot stand zou zijn gekomen evenmin onderbouwd. Zo dat al het geval zou zijn, dan betekent dat nog steeds niet dat de verzekeraar wél gebonden zou zijn aan het in 2017 gedane voorstel. De vordering van klager waarvoor klager een advocaat wenst heeft dan ook geen redelijke kans van slagen. De deken heeft dat terecht aan zijn beslissing ten grondslag gelegd en is daarbij niet op de stoel van de rechter gaan zitten.

4.4 Bij de beoordeling is voorts van belang dat de voorziening van artikel 13 Advocatenwet geen absolute waarborg is voor daadwerkelijke toegang tot de rechter. Het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op toegang tot een rechter is niet absoluut, maar mag aan verschillende beperkingen worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen het recht op toegang tot de rechter niet in essentie aantasten, maar moeten een gerechtvaardigd doel dienen en moeten proportioneel zijn aan dat doel. Het Nederlandse wettelijk systeem is daarmee niet in strijd (vgl. ABRvS 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1243 en HvD, 20 maart 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:52). Dit systeem levert ook geen schending van enige andere verdragsbepaling op (zie HvD 8 mei 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:79).

4.5 De conclusie uit het voorgaande is dat de deken het verzoek van klager terecht en wegens gegronde redenen heeft afgewezen, zodat het beklag van klager niet slaagt.

5 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

-      verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 12 mei 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam ongegrond.

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en  G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2026 .

griffier                                                                                                       voorzitter

De beslissing is verzonden op 24 augustus 2026.