ECLI:NL:TAHVD:2026:274 Hof van Discipline 's Gravenhage 260160

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:274
Datum uitspraak: 24-08-2026
Datum publicatie: 25-08-2026
Zaaknummer(s): 260160
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Voorwaarde voor aanwijzing van een advocaat is dat de advocaat moet worden betaald. Als er een toevoeging wordt verleend, gaat het om de eigen bijdrage en eventuele bijkomende kosten, zoals griffierechten (zie ook HvD 17 november 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:231). In het geval de klager niet in aanmerking komt voor een toevoeging, is het niet anders (zie ook HvD 6 juli 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:204).

Beslissing van 24 augustus 2026

in de zaak 260160

naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

klaagster

tegen:

mr. E.W.J. de Groot

Deken van de Orde van Advocaten

in het arrondissement Zeeland-West-Brabant

de deken

1 DE PROCEDURE

Bij de deken

1.1 Klaagster heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.

1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 30 april 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klaagster niet kan instaan voor de kosten van rechtsbijstand.

Bij het hof

1.3 Klaagster heeft op 30 april 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).

1.4 Verder bevat het dossier:

  • het verweer van de deken
  • de repliek
  • de dupliek.

1.5 Het hof heeft de beslissing genomen op basis van de stukken in het dossier.

2 FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1 Klaagster en haar echtgenoot waren vennoten in een V.O.F. (hierna: de vennootschap).

2.2 Klaagster heeft aangevoerd dat het Amazon.de-account van de vennootschap in augustus 2022 is geblokkeerd als gevolg van een foutief btw-advies van een belastingadvieskantoor (hierna: de belastingadviseur) en dat het bedrijf hierdoor in oktober 2023 gedwongen is gestaakt.

2.3 Klaagster heeft de belastingadviseur aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade als gevolg van het onjuiste advies. Klaagster wenst een civiele procedure te starten bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant en daarin een schadevergoeding te vorderen van € 3.130.000,-. Vertegenwoordiging door een advocaat is in die procedure verplicht voorgeschreven.

2.4 Klaagster heeft de deken verzocht een advocaat aan te wijzen om haar in deze procedure bij te staan, omdat het haar zelf niet gelukt is een advocaat te vinden die haar kan en wil bijstaan. Klaagster is evenwel niet in staat om de kosten van rechtsbijstand te betalen, omdat zij een bijstandsuitkering geniet.

2.5 Namens de deken is bij de Raad voor Rechtsbijstand (RvR) nagevraagd of klaagster in aanmerking zou kunnen komen voor gefinancierde rechtsbijstand. Dat bleek niet het geval te zijn. Artikel 12 lid 2 onder e van de Wet op de Rechtsbijstand (Wrb) bepaalt dat geen toevoeging wordt verleend als het gaat om een rechtsbelang dat de uitoefening van een zelfstandig beroep of bedrijf betreft. Er zijn enkele uitzonderingen, maar de RvR heeft de deken medegedeeld dat deze niet van toepassing zijn in klaagsters situatie.

2.6 De deken heeft klaagster in contact gebracht met een advocaat, die de zaak voor klaagster niet kon oppakken, maar bereid was om (kosteloos) te bezien wat hij wél voor haar kon betekenen. Via deze advocaat zijn vier procesfinanciers benaderd, maar geen van hen heeft positief gereageerd. Klaagster had eerder zelf ook al een procesfinancier benaderd, die haar op 30 december 2025 heeft bericht:

“We gaan ervan uit dat er aan de zijde van [de belastingadviseur] aan de inmiddels opgeheven V.O.F. fouten zijn gemaakt.

We houden het ook voor mogelijk dat dit op enig moment zal leiden tot:

1. Of, een uitspraak van de rechtbank waarin [de belastingadviseur] veroordeeld wordt tot betaling aan de voormalige vennoten, of

2. een aanbod van [de belastingadviseur] aan de voormalige vennoten te betalen bedrag tegen finale kwijting.

We voorzien echter dat dit zowel bij optie 1 of 2 een fractie zal zijn van de door u gestelde vordering van € 3.130.000,00.

We doen daarom geen aanbod voor procesfinanciering.

2.7 De deken heeft klaagster in zijn beslissing van 30 april 2026 onder meer het volgende bericht:

“Hoewel ik begrijp dat u deze procedure wenst te voeren, staat vast dat u de kosten van een advocaat niet kunt dragen, dat u niet in aanmerking komt voor een toevoeging en dat geen enkele procesfinancier bereid is om in uw zaak te investeren. Dit vormt een belemmering voor de aanwijzing van een advocaat. Als deken kan ik immers niet van een advocaat verlangen dat hij zijn werkzaamheden kosteloos verricht zonder enig concreet uitzicht op vergoeding van zijn kosten.

Daarnaast brengt het voeren van de procedure ook andere kosten met zich, zoals de kosten voor het betekenen van de dagvaarding en het griffierecht. Van een advocaat kan niet worden verlangd dat hij deze kosten vooraf voor zijn rekening neemt. Evenmin biedt u verhaal voor een eventuele proceskostenveroordeling indien de procedure niet het door u beoogde resultaat oplevert.”

3 beklag en verweer

Gronden van het beklag

3.1 Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Zij heeft daarvoor de volgende gronden aangevoerd:

  1. De uitsluiting van artikel 12 lid 2 onder e Wrb is niet van toepassing op de vordering van klaagster.

Deze uitsluiting veronderstelt een actieve en lopende onderneming en die is er al 2,5 jaar niet meer. Het gaat om de persoonlijke schade die klaagster als voormalig vennoot heeft geleden door het verlies van haar levenswerk, haar toekomstopbouw en haar inkomen. De Wrb bevat bovendien uitzonderingen, waaronder de situatie dat het beroep of bedrijf ten minste één jaar geleden is beëindigd en de kosten van rechtsbijstand niet op andere wijze kunnen worden vergoed. De deken heeft de ratio van deze uitzondering, te weten bescherming van voormalige ondernemers in een kwetsbare financiële positie, niet betrokken in zijn afweging. De situatie dat een ondernemer voor rechtsbijstandskosten kan reserveren of zich kan verzekeren, is op klaagster niet van toepassing, nu de onderneming al 2,5 niet meer bestaat. Klaagster voldoet aan twee van de drie criteria en de beschermingsgedachte van de uitzondering is bij klaagster bij uitstek aanwezig.

2. De rigide toepassing van de wettelijke uitsluiting is in strijd met artikel 6 EVRM, en de bijzondere omstandigheden van klaagster zijn ten onrechte niet beoordeeld.  Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in Marazas tegen Litouwen (EHRM 19 oktober 2021, zaaknummer 42177/19) geoordeeld dat de rigide toepassing van een wettelijke uitsluiting van rechtsbijstand voor op commerciële activiteiten betrekking hebbende zaken, zonder beoordeling van de bijzondere omstandigheden van de aanvrager, een schending oplevert van artikel 6 lid 1 EVRM. De deken heeft de bijzondere omstandigheden van klaagster niet zelfstandig beoordeeld. Hij heeft volstaan met de conclusie van de RvR. Dat is onvoldoende onder de maatstaf die Marazas vereist. De financiële positie van klaagster is mede het gevolg van het gedrag van de wederpartij die zij wil aanspreken. De wederpartij heeft aansprakelijkheid altijd ontkend, gedurende 16 maanden tot op het hoogste niveau, waardoor klaagster niet tijdig de benodigde stappen kon zetten. De deken heeft niet beoordeeld of de uitsluiting zelf proportioneel is in de specifieke situatie van klaagster.

3. Het financieel onvermogen kan op zichzelf geen gegronde reden voor afwijzing opleveren en is niet een van de “erkende” afwijzingsgronden.  De aanwijzingsprocedure van artikel 13 Advocatenwet is juist bedoeld voor rechtzoekenden die geen advocaat kunnen vinden, ook als zij geen middelen hebben. Artikel 13 lid 4 Advocatenwet bepaalt dat de aangewezen advocaat verplicht is zijn diensten te verlenen. De wet aanvaardt dus dat aanwijzing plaatsvindt ook zonder zeker uitzicht op vergoeding. De financiering van de aangewezen advocaat is een afzonderlijk vraagstuk dat niet in de weg staat aan de aanwijzing zelf.

  1. De vordering is kansrijk, en de deken heeft de belangen onjuist gewogen.  Van belang is dat de rechtbank (waar ook klaagster moet procederen) recent in een vergelijkbare zaak dezelfde belastingadviseur tegen wie klaagster een vordering heeft, heeft veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding wegens een beroepsfout bij een belastingadvies. Dit betrof een ander dossier, maar het toont aan dat de rechtbank aansprakelijkheid van dezelfde verweerder bij beroepsfouten reëel acht. Ook heeft dezelfde rechtbank recent een andere belastingadviseur veroordeeld voor een zelfde soort beroepsfout. Dat betekent dat de zaak objectief als aanzienlijk kansrijk moet worden beoordeeld.

Verweer

3.2 De deken heeft aangevoerd dat klaagster geen aanspraak kan maken op een verzekering, niet in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand en dat vergeefs is geprobeerd een procesfinancier te vinden. De deken verwijst naar de toelichting bij artikel 12 Wrb. (Voormalig) ondernemers kunnen in beginsel geen aanspraak maken op gefinancierde rechtsbijstand, omdat van hen mag worden verwacht dat zij zich verzekeren tegen ondernemingsrisico’s en voor rechtsbijstand. Klaagsters vordering vloeit rechtstreeks voort uit de ondernemingsactiviteiten van de voormalige V.O.F. Dat het bedrijf is geëindigd, maakt dat niet anders. De uitzonderingsgrond van artikel 12 lid 2 onder e sub 2 stelt behalve de eisen dat het bedrijf langer dan een jaar geleden beëindigd is en de kosten van rechtsbijstand niet op andere wijze kunnen worden vergoed, nog een derde eis, namelijk dat er een procedure in eerste instantie is gevoerd, waarin klaagster als verweerder was betrokken. Aan die eis is niet voldaan.

3.3 De deken kan de wettelijke regeling niet opzij zetten. De deken heeft bij de RvR navraag gedaan naar alternatieve mogelijkheden om de procedure te financieren, die er niet bleken te zijn. Ook heeft de deken klaagster in contact gebracht met een advocaat die kosteloos heeft geprobeerd een procesfinancier te vinden. De deken heeft dus wel degelijk rekening gehouden met de bijzondere omstandigheden van klaagster. Artikel 6 ERVM geeft recht op toegang tot de rechter, maar geeft geen recht op kosteloze rechtsbijstand of op een advocaat die zonder betaling werkzaamheden verricht. De deken is van oordeel dat op hem niet de plicht rust om een advocaat aan te wijzen als de advocaatkosten niet kunnen worden betaald. Een advocaat kan niet worden verplicht om kosteloos te werken (HvD 9 mei 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:78). De haalbaarheid van de zaak heeft bij de beslissing van de deken geen rol gespeeld.

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

Beoordeling

  1.  

4.2 In deze zaak gaat het er uitsluitend om dat klaagster aanwijzing van een advocaat wenst, maar niet in staat is om de kosten van die advocaat te betalen. De deken heeft onderzocht of er mogelijkheden waren om de door klaagster gewenste rechtsbijstand te financieren. Dat bleek niet het geval te zijn.

4.3 Klaagster stelt dat de deken een advocaat moet aanwijzen, ook als er geen (zeker) zicht bestaat op vergoeding van diens werkzaamheden. Dat standpunt is niet juist. Voorwaarde voor aanwijzing is dat de advocaat moet worden betaald. Als er een toevoeging wordt verleend, gaat het om de eigen bijdrage en eventuele bijkomende kosten, zoals griffierechten, zie HvD 17 november 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:231. In het geval de klager niet in aanmerking komt voor een toevoeging, is het niet anders, zieHvD 6 juli 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:204, waarin het hof onder meer overwoog:

“Ook in dit geval komt de beslissing van de deken niet in strijd met artikel 6 EVRM omdat, ook wanneer rechtsbijstand noodzakelijk is om het recht op toegang tot de rechter effectief te doen zijn, de aanspraak daarop niet onbegrensd is. In het bijzonder kan van een advocaat niet gevergd worden dat hij een door de klager gewenste procedure opstart zonder de zekerheid te hebben dat het verschuldigde griffierecht door de klager aan hem wordt voldaan. De advocaat is immers tegenover de rechtbank persoonlijk verantwoordelijk voor de betaling van het griffierecht.”

4.4 In dit kader geldt dat bij de beoordeling van belang is dat de voorziening van artikel 13 Advocatenwet geen absolute waarborg is voor daadwerkelijke toegang tot de rechter. Het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op toegang tot een rechter is niet absoluut, maar mag aan verschillende beperkingen worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen het recht op toegang tot de rechter niet in essentie aantasten, maar moeten een gerechtvaardigd doel dienen en moeten proportioneel zijn aan dat doel. Het Nederlandse wettelijk systeem is daarmee niet in strijd (vgl. ABRvS 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1243 en HvD, 20 maart 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:52). Dit systeem levert ook geen schending van enige andere verdragsbepaling op (zie HvD 8 mei 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:79).

4.5 Voor zover klaagster zich erop beroept dat zij - ondanks andersluidende informatie van de RvR - toch in aanmerking zou moeten komen voor gefinancierde rechtsbijstand via de RvR, doet dat aan het voorgaande niet af. De deken heeft geen zeggenschap over het toevoegingsbeleid en kan daarop ook geen invloed uitoefenen. Anders gezegd: de deken kan een advocaat of de RvR niet opleggen dat een rechtszoekende op basis van een toevoeging moet worden bijgestaan.

4.6 Ook een inschatting van de haalbaarheid van de door klaagster gewenste procedure – welke inschatting in deze zaak niet heeft plaatsgevonden – zou niet tot een andere beslissing leiden. Geen enkele procedure is zonder risico en ondertussen moeten wel de kosten worden voldaan.

4.7 Het voorgaande betekent dat de deken terecht en wegens gegronde redenen het verzoek van klaagster heeft afgewezen.

5 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

-      verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 30 april 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Zeeland-West-Brabant ongegrond.

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en   G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2026 .

griffier                                                                                                       voorzitter

De beslissing is verzonden op 24 augustus 2026.