ECLI:NL:TAHVD:2026:273 Hof van Discipline 's Gravenhage 260126V

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:273
Datum uitspraak: 24-08-2026
Datum publicatie: 25-08-2026
Zaaknummer(s): 260126V
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Handelen van een deken, lid R.v.T, R.v.D, Hof
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Verzet tegen voorzittersbeslissing ongegrond. De beslissing van de deken om in deze derde klachtzaak te volstaan met het geven van een dekenstandpunt is door de voorzitter terecht betiteld als een procedurele beslissing, die desgewenst in de (verdere) klachtbehandeling bij de raad aan de orde kan worden gesteld.

Beslissing van 24 augustus 2026

in de zaak 260126V

naar aanleiding van het verzet

tegen de beslissing van de voorzitter van het hof

van 30 april 2026 in de klacht van:

klaagster

tegen:

mr. E.A.C. van de Wiel

advocaat en deken van de Orde van Advocaten Noord-Nederland

de deken

1 DE PROCEDURE

1.1 Met de beslissing van 30 april 2026 heeft de voorzitter van het hof het verzoek van klaagster tot verwijzing van de klacht tegen verweerder afgewezen. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TAHVD:2026:127 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

1.2 Het verzet van klaagster tegen de beslissing van de voorzitter is op 30 april 2026 ontvangen door de griffie van het hof. De deken heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

1.3 Het hof heeft het verzet behandeld in raadkamer.

2 HET VERZET

2.1 Klaagster heeft aan het verzet ten grondslag gelegd dat de beslissing van de voorzitter geen recht doet aan de feitelijke ontwikkeling van haar klacht. De kern van haar bezwaren tegen de handelwijze van zowel de beklaagde advocaat als de deken wordt daarin miskend.

2.2 Klaagster heeft in 2023 en 2024 klachten ingediend tegen de beklaagde advocaat. Die zijn nooit door de Raad van Discipline (hierna: de raad) beoordeeld, omdat klaagster het griffierecht niet heeft betaald. Dat was een bewuste keuze van klaagster: de deken wilde de eerste keer haar dekenvisie pas na betaling met klaagster delen en de deken oordeelde de tweede keer zonder deugdelijke motivering dat geen sprake was van een tuchtrechtelijk verwijt.

2.3 De in 2026 ingediende klacht betreft geen herhaling van zetten. Het feitencomplex is wezenlijk veranderd. Klaagster heeft zelf een onderbouwde berekening opgesteld van de vermeende restvordering van de beklaagde advocaat, terwijl die advocaat weigert zijn berekening toe te lichten. Ook verwijst klaagster naar een uitspraak van de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders uit 2025, waarin onzorgvuldigheden zijn vastgesteld. De deken heeft deze uitspraak als niet relevant terzijde geschoven. Er is sprake van concrete onregelmatigheden die niet eerder integraal zijn beoordeeld. Klaagster heeftsteeds op consistente wijze geprobeerd om inzicht te krijgen in de grondslag van een vordering die haar raakt en heeft daarbij nieuwe feiten en onderbouwingen aangedragen.

2.4 Klaagster ervaart de handelwijze van de deken als onvoldoende onafhankelijk. Deze wekt de indruk dat de advocaat wordt beschermd. Klaagsters verzet richt zich dan ook in de kern tegen de kwalificatie van de beslissing van de deken als een louter procedurele beslissing. De keuze om klaagsters klacht vereenvoudigd af te doen heeft immers concrete gevolgen gehad: er heeft geen volledig onderzoek plaatsgevonden, hoor en wederhoor zijn niet daadwerkelijk toegepast, en een inhoudelijke beoordeling is uitgebleven. Daarmee is klaagsters toegang tot een effectieve klachtbehandeling feitelijk beperkt. Er was geen sprake van een gerechtvaardigde afwijking van de leidraad voor dekenaal klachtonderzoek.

3 BEOORDELING

Verzet mogelijk?

3.1 De beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is ingesteld, ziet op de situatie als bedoeld in artikel 46c lid 5 Advw. In dit artikel is bepaald dat de voorzitter klachten tegen dekens verwijst naar een deken van een andere orde om de klacht te laten onderzoeken en af te handelen.

3.2    De wet voorziet niet in de mogelijkheid van afwijzing van het verzoek en ook niet in een bijbehorend rechtsmiddel tegen die afwijzing. Het hof is echter van oordeel dat verzet mogelijk moet zijn als de voorzitter het verwijzingsverzoek afwijst. Om die reden heeft het hof de mogelijkheid van verzet tegen afgewezen verwijzingsverzoeken vastgelegd in artikel 13 van het procesreglement.

Maatstaf

3.3    Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

Beoordeling

3.4 De voorzitter heeft in zijn beslissing van 30 april 2026 onder meer overwogen:

2.3   Het hof stelt vast dat de deken de klacht die klaagster op 10 maart 2026 over mr. S heeft ingediend op vereenvoudigde wijze heeft onderzocht, waaronder de voorzitter verstaat dat de deken – op basis van de klacht van klaagster van 10 maart 2026, haar toelichting daarop en de bevindingen uit hoofde van de eerdere onderzoeken van de klachten van klaagster uit 2023 en 2024 over mr. S – heeft volstaan met het geven van een dekenstandpunt. Haar redengeving daarvoor is geweest dat de klacht van 10 maart 2026 hetzelfde handelen van mr. S betrof dat de deken al eerder (tweemaal) had onderzocht.

2.4   Het hof oordeelt dat dit een procedurele beslissing van de deken betreft die desgewenst in de (verdere) klachtprocedure tegen mr. S aan de orde kan worden gesteld. Het klachtrecht is er niet voor bedoeld om deze - klaagster kennelijk onwelgevallige - procedurele beslissing aan te vechten.

3.5. Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan die van de voorzitter. Klaagster heeft in 2023 en in 2024 al de mogelijkheid gehad om haar klachten aan de tuchtrechter (de raad) voor te leggen. De raad beoordeelt voorgelegde klachten zelfstandig en onafhankelijk van een dekenstandpunt. Bij de raad had zij ook haar bezwaren tegen de wijze van behandeling van de klacht door de deken en/of tegen het dekenstandpunt naar voren kunnen brengen. Klaagster heeft er bewust voor gekozen om dat niet te doen. In plaats daarvan heeft zij besloten een derde maal te klagen. Ondanks verdere invulling en onderbouwing van de klacht betreft het nog steeds hetzelfde feitencomplex als waarover klaagster in 2023 en in 2024 heeft geklaagd. De beslissing van de deken om in deze derde klachtzaak te volstaan met het geven van een dekenstandpunt is door de voorzitter terecht betiteld als een procedurele beslissing, die desgewenst in de (verdere) klachtbehandeling bij de raad aan de orde kan worden gesteld. Voor zover klaagster het in haar beklag heeft over nieuwe informatie kan zij die nog inbrengen in de procedure bij de raad als zij tijdig het griffierecht betaalt. (zie artikel 2.4.1. van het procesreglement van de raden van discipline)

3.6 Het hof sluit zich dan ook aan bij de beslissing van de voorzitter en neemt die over. Wat in verzet naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. Het hof verklaart daarom het verzet van klaagster ongegrond.

4 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het verzet ongegrond.

Deze beslissing is gewezen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en  G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2026.

De beslissing is verzonden op 24 augustus 2026 .