ECLI:NL:TAHVD:2026:271 Hof van Discipline 's Gravenhage 260099

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:271
Datum uitspraak: 24-08-2026
Datum publicatie: 25-08-2026
Zaaknummer(s): 260099
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Appelverbod artikel 46h Advocatenwet. Hoger beroep niet-ontvankelijk. De bezwaren van klager tegen de samenstelling van de behandelend kamer worden door het hof verworpen. De door klager aangevoerde argumenten waarmee hij zijn beroep op schending van fundamentele rechtsbeginselen heeft onderbouwd, zijn terug te voeren op het feit dat hij het niet eens is met de inhoud van de voorzittersbeslissing van de raad. Klager wenst in feite een herbeoordeling van de onderliggende klachtzaak. Dat levert naar vaste jurisprudentie geen grond op voor het aannemen van een schending van een fundamenteel rechtsbeginsel en daarmee voor doorbreking van het appelverbod.

Beslissing van 24 augustus 2026

in de zaak 260099

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klager

over:

verweerster

1 DE PROCEDURE

Bij de Raad van Discipline

1.1 Het hof verwijst naar de beslissing van 28 oktober 2025 (met zaaknummer 25-452/DB/LI) van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de raad). In deze beslissing is de klacht van klager over verweerster, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond verklaard (hierna: de voorzittersbeslissing). Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSHE:2025:154 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

1.2 Klager heeft tegen deze beslissing verzet ingesteld. Bij beslissing van 9 maart 2026 heeft de raad het verzet van klager ongegrond verklaard (hierna: de beslissing op verzet). De beslissing op verzet is onder ECLI:NL:TADRSHE:2026:31 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het Hof van Discipline

1.3 Klager heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing op verzet. Het beroepschrift van klager, met bijlagen, is op 23 maart 2026 ontvangen door de griffie van het hof.

1.4 Verder bevat het dossier van het hof:

  • de stukken van de raad;
  • een e-mail van klager van 4 april 2026;
  • een brief van klager van 5 april 2026.

1.5 Het hof heeft de zaak in raadkamer op basis van de stukken behandeld.

2 OMVANG VAN HET HOGER BEROEP

2.1 In zijn brief van 5 april 2026 geeft klager aan hoger beroep in te hebben gesteld tegen de ongegrondverklaring van het verzet en niet tegen andere beslissingen. 

2.2 Het hof begrijpt hieruit dat klager hoger beroep wenst in te stellen tegen de beslissing op verzet van 9 maart 2026 zoals vermeld onder 1.2.

3 Beroepsgronden

3.1 Het hoger beroep van klager is gericht tegen de beslissing op verzet. Klager meent dat het appelverbod moet worden doorbroken. Klager voert daartoe – samengevat en zakelijk weergegeven en voor zover in dit hoger beroep van belang – in het beroepschrift het volgende aan.  

Samenstelling van de behandelend kamer

3.2 Klager wijst er allereerst op dat hij op grond van het onpartijdigheidsbeginsel niet akkoord gaat met en bezwaar maakt tegen het (inhoudelijk) uitvoeren van (vooronderzoek, onderzoek, einduitspraak van) het hoger beroep door - onder andere, voor zover in dit hoger beroep van      belang -  mr. drs. P. Fortuin, aangezien a) deze tuchtrechter reeds heeft geoordeeld over een tuchtklacht die samenhangt met de tuchtklacht van klager over de advocaat in de onderliggende klachtzaak en 2) vanwege zijn ingediende klacht(en) over mr. drs. P. Fortuin (randnummer 3 van het beroepschrift).

Ten aanzien van de beslissing op verzet

3.3 Klager heeft ten aanzien van de beslissing op verzet van 9 maart 2026 - kort samengevat - met een zeer grote hoeveelheid van argumenten aangevoerd dat deze in strijd is met onder meer het beschikkingsbeginsel, het decisiebeginsel, het verdedigingsbeginsel en het onpartijdigheidsbeginsel. Klager heeft geconcludeerd dat (een) zodanige ernstige of evidente schending(en) van fundamentele rechtsbeginselen heeft/hebben plaatsgevonden dat geen sprake is geweest van een eerlijk proces. Klager heeft vervolgens onder de nummers I tot en met XIV van het beroepschrift een groot aantal verzoeken gedaan, waaronder om het hoger beroep ontvankelijk te verklaren en de zaak terug te wijzen naar de raad teneinde de zaak opnieuw af te doen.

4  BEOORDELING

Wettelijk kader

4.1 Artikel 46h Advocatenwet maakt verzet mogelijk tegen een voorzittersbeslissing zoals in deze zaak. Op grond van lid 7 van dit artikel staat tegen de beslissing op verzet geen rechtsmiddel open. Dat betekent dat geen hoger beroep mogelijk is tegen een beslissing van de raad waarbij het verzet ongegrond is verklaard. Er geldt een zogenoemd appelverbod. Er kan een uitzondering op deze regel worden gemaakt, als de procedure bij de raad geen eerlijk proces betrof doordat bij de behandeling van het verzet door de raad een fundamenteel rechtsbeginsel (zoals het recht op hoor en wederhoor) is geschonden. Het appelverbod kan dan worden doorbroken. Het hof zal onderzoeken of daarvan in deze zaak sprake kan zijn, op grond waarvan hoger beroep mogelijk zou zijn tegen de beslissing op verzet van 9 maart 2026.

Het oordeel van het hof

4.2 Het hof gaat allereerst in op hetgeen klager in randnummer 3 van het beroepschrift heeft aangevoerd over zijn bezwaren tegen het (inhoudelijk) uitvoeren van (vooronderzoek, onderzoek, einduitspraak van) het hoger beroep door - voor zover in deze zaak van belang - mr. drs. P. Fortuin op grond van het onpartijdigheidsbeginsel. Het hof stelt voorop dat de zaakstoedeling binnen het hof een interne, organisatorische aangelegenheid is, waarbij het hof rekening houdt met conflicterende zaken, en waartegen klager in beginsel geen bezwaar kan maken. Uitgangspunt daarbij is dat een lid van het hof moet worden vermoed uit hoofde van zijn benoeming/verkiezing onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat het lid ten opzichte van verzoeker vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Zonder deugdelijke grond en/of toelichting ziet het hof niet in op welke wijze de rol van mr. drs. Fortuin als lid van (de behandelend kamer van) het hof wijst op partijdigheid en/of vooringenomenheid. Dat een tuchtrechter eerder heeft geoordeeld over een tuchtklacht die samenhangt met de onderhavige tuchtzaak, dan wel dat klager eerder een klacht over de betreffende tuchtrechter zou hebben ingediend, is daarvoor op zichzelf onvoldoende. Klager heeft niet concreet onderbouwd waarom mr. drs. Fortuin vooringenomen/partijdig jegens verzoeker zou zijn. Het bezwaar tegen de behandeling van de zaak door mr. drs. Fortuin wordt verworpen.

4.3 Klager verzoekt vernietiging van de beslissing op verzet. Zoals hiervoor overwogen, kan het appelverbod alleen worden doorbroken als sprake is van een schending van een fundamenteel rechtsbeginsel in de verzetprocedure bij de raad. Dat sprake is van een dergelijke schending moet door degene die zich daarop beroept, klager dus, concreet worden gemotiveerd en onderbouwd. Klager heeft in het beroepschrift een veelheid aan argumenten aangevoerd ter toelichting op de door hem gestelde schending van de genoemde rechtsbeginselen. Het hof stelt echter vast dat de door klager aangevoerde argumenten waarmee hij zijn beroep op schending van fundamentele rechtsbeginselen heeft onderbouwd, zijn terug te voeren op het feit dat hij het niet eens is met de inhoud van de voorzittersbeslissing van de raad. Klager wenst in feite een herbeoordeling van de onderliggende klachtzaak, zoals klager zelf ook aangeeft. Dat levert naar vaste jurisprudentie geen grond op voor het aannemen van een schending van een fundamenteel rechtsbeginsel en daarmee voor doorbreking van het appelverbod. In de door klager gestelde feiten en omstandigheden ziet het hof geen aanleiding om voor klager daarop een uitzondering te maken.

4.4 Al hetgeen klager overigens aanvoert leidt niet tot een ander oordeel.

4.5 De conclusie is dan ook dat het appelverbod niet kan worden doorbroken. Het hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.

5 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. K.H.A. Heenk en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 augustus 2026.

griffier                                                                                                       voorzitter             

De beslissing is verzonden op 24 augustus 2026 .