We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TAHVD:2026:27 Hof van Discipline 's Gravenhage 250354

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:27
Datum uitspraak: 30-01-2026
Datum publicatie: 30-01-2026
Zaaknummer(s): 250354
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 3 ongegrond. Het beklag heeft  betrekking op het niet aanwijzen van een advocaat voor een door hem te doorlopen bodemprocedure tegen de Staat op grond van onrechtmatige rechtspraak. Het hof is van oordeel dat deken zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat indien klager het niet eens is met de uitspraak van de rechtbank, het op de weg ligt van klager om hoger beroep in te stellen tegen deze uitspraak. Het rechtsstelsel kent specifieke correctiemechanismen in de vorm van rechtsmiddelen, zoals hoger beroep en cassatie, als een rechter een (vermeende) onjuiste beslissing neemt. Indien klager zich niet met een uitspraak kan verenigen, dient hij, zoals de deken terecht aan de afwijzing ten grondslag heeft gelegd, van die rechtsmiddelen gebruik te maken. Naar het hof begrijpt heeft klager hiervoor een verzoek tot aanwijzing van een advocaat ingediend bij de deken. Nu ten tijde van het verzoek om aanwijzing een rechtsmiddel openstond was op dat moment redelijkerwijs geen succes te verwachten van een procedure tegen de Staat op grond van onrechtmatige rechtspraak.

Beslissing  van 30 januari 2026

in de zaak 250354

naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

klager         

tegen:

de deken

1 DE PROCEDURE

Bij de deken

1.1 Klager heeft op 30 september 2025 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.

1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 14 oktober 2025. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klager heeft gesteld dat hij het oneens is met een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 september 2025. Klager heeft een advocaat gevraagd om een bodemprocedure tegen de Staat te beginnen. De deken heeft zich op het standpunt gesteld dat het op klagers weg ligt om hoger beroep in te stellen tegen de uitspraak van 4 september 2025 en dat hij zich tot de deken van het arrondissement Oost-Brabant dient te wenden als hij voor die procedure een advocaat nodig heeft.  

Bij het hof

1.3 Klager heeft op 22 oktober 2025 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).

1.4 Verder bevat het dossier:

- het verweer van de deken

- de repliek

- de dupliek

1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken uit het dossier.

2 FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1 Op 4 september 2025 heeft de rechtbank Oost-Brabant in kort geding een vonnis gewezen in de zaak van de Staat der Nederlanden tegen klager.

2.2 Klager heeft de deken verzocht om een advocaat aan te wijzen omdat hij een bodemzaak wil starten tegen de Staat vanwege onrechtmatige rechtspraak. Klager stelt dat het gaat om ECLI:NL:RBOBR:2025:5569.

3 beklag en verweer

Gronden van het beklag

3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen omdat een dagvaardingsprocedure tegen de Staat alleen (primair) bij de rechtbank Den Haag kan worden gevoerd. Omdat het gaat om eisen van onbepaalde waarde en een schadevergoeding van meer dan 25.000 euro, is een advocaat verplicht.

3.2 Verder heeft klager aangevoerd dat de deken geen lerend vermogen toont, hij heeft al eerder een soortgelijke zaak gewonnen. Klager heeft erop gewezen dat er een bestuursrechtelijke procedure loopt omdat de deken het verschil tussen tuchtrecht en bestuursrecht niet voldoende begrijpt.

3.3 Klager wijst erop dat hij voor aanwijzing van een advocaat voor het hoger beroep tegen het vonnis van 4 september 2025 de deken Oost-Brabant (opnieuw) heeft benaderd. Zijn beklag heeft evenwel betrekking op het niet aanwijzen van een advocaat voor een door hem te doorlopen bodemprocedure tegen de Staat op grond van onrechtmatige rechtspraak.

Verweer

3.4 De deken heeft aangevoerd dat uit het vonnis van 4 september 2025 blijkt dat de Staat in kort geding vorderingen tegen klager heeft ingesteld om onrechtmatig handelen van klager in de toekomst te voorkomen. Het onrechtmatig handelen bestaat volgens de Staat uit het aanhangig maken van enorme hoeveelheden veelal bij voorbaat kansloze gerechtelijke procedures. Daarnaast worden rechters en andere medewerkers van de rechtspraak op onheuse wijze door klager bejegend.

3.5 De deken heeft erop gewezen dat op het moment dat klager een verzoek om aanwijzing van een advocaat indiende nog hoger beroep openstond tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant. De deken is van mening dat klager zich middels hoger beroep dient te verzetten tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant. Uit het beklag leidt de deken af dat klager inmiddels nogmaals een verzoek om aanwijzing van een advocaat bij de deken Oost-Brabant heeft ingediend voor dat hoger beroep.Een procedure tegen de Staat wegens onrechtmatige rechtspraak acht de deken, gezien de scheiding der machten (trias politica), bij voorbaat kansloos. Dat is de reden dat het verzoek van klager om een advocaat aan te wijzen is afgewezen. Klager heeft een eventuele vordering tot vergoeding van schade ook op geen enkele wijze onderbouwd.

3.6 Tenslotte heeft de deken opgemerkt dat zij grote moeite heeft met de wijze waarop klager advocaten bejegent. De wijze van communiceren van klager is volgens de deken grensoverschrijdend.

Repliek

3.7 Klager stelt dat hij niet verplicht is om de schade te onderbouwen en dat daar ook niet om is gevraagd door de deken. Volgens klager heeft een verklaring voor recht voldoende rechtsbelang.

Dupliek

3.8 In dupliek geeft verweerder aan niet nader inhoudelijk te reageren.

4 BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2 Het hof is van oordeel dat deken zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat indien klager het niet eens is met de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 4 september 2025    (ECLI:NL:RBOBR:2025:5569) het op de weg ligt van klager om hoger beroep in te stellen tegen deze uitspraak. Het rechtsstelsel kent specifieke correctiemechanismen in de vorm van rechtsmiddelen, zoals hoger beroep en cassatie, als een rechter een (vermeende) onjuiste beslissing neemt. Indien klager zich niet met een uitspraak kan verenigen, dient hij, zoals de deken terecht aan de afwijzing ten grondslag heeft gelegd, van die rechtsmiddelen gebruik te maken. Naar het hof begrijpt heeft klager hiervoor een verzoek tot aanwijzing van een advocaat ingediend bij de deken Oost-Brabant.

4.3 Nu ten tijde van het verzoek om aanwijzing een rechtsmiddel openstond was op dat moment redelijkerwijs geen succes te verwachten van een procedure tegen de Staat op grond van onrechtmatige rechtspraak.

4.4 Ook heeft de deken met juistheid vastgesteld dat klager een eventuele vordering tot vergoeding van schade op geen enkele wijze heeft onderbouwd.

4.5 Het hof zal het beklag dan ook ongegrond verklaren.

5 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 14 oktober 2025 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond.

Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, voorzitter, mrs. V. Wolting en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026 .

griffier                                                                                                        voorzitter

De beslissing is verzonden op 30 januari 2026.