ECLI:NL:TAHVD:2026:269 Hof van Discipline 's Gravenhage 250161
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:269 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-08-2026 |
| Datum publicatie: | 19-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250161 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Het betreft een klacht tegen de eigen advocaat. De Raad van Discipline heeft de klacht ongegrond verklaard. Klaagster is in beroep gekomen. Het Hof van Discipline vernietigt de beslissing van de raad. Verweerster heeft onzorgvuldig gehandeld jegens klaagster door haar niet te waarschuwen voor een belangrijke termijn die zou verstrijken en heeft haar belangen hiermee onvoldoende zorgvuldig behartigd. Maatregel beripsping |
Beslissing van 17 augustus 2026
in de zaak 250161
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klaagster
gemachtigde: mr. G.F.M.G. Heutink
tegen:
verweerster
1 INLEIDING
1.1 Het betreft een klacht tegen de eigen advocaat. De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft geoordeeld dat uit het klachtdossier naar voren komt dat verweerster zich uitermate toegewijd heeft ingezet om de belangen van haar cliënte te behartigen. Dat zij daarbij steken zou hebben laten vallen is de raad niet gebleken. Klaagster is in beroep gekomen. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) vernietigt de beslissing van de raad. Verweerster heeft onzorgvuldig gehandeld jegens klaagster door haar niet te waarschuwen voor een belangrijke termijn die zou verstrijken en heeft haar belangen hiermee onvoldoende zorgvuldig behartigd.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerster (zaaknummer: 24-819/AL/GLD) een beslissing genomen op 7 april 2025. In deze beslissing is zijn alle klachtonderdelen ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:91 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 5 mei 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van verweerster;
- een brief van 8 oktober 2025 met producties van de gemachtigde van klaagster;
- een e-mail van 9 oktober 2025 van verweerster met een reactie op de nadere
producties van klaagster
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 10 november 2025. De gemachtigde van klaagster heeft tijdens die behandeling een wrakingsverzoek ingediend tegen mrs. C.H. van Breevoort-de Bruin, M.F. Baaij en J.A. Huijgen. Van deze behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
2.6 Bij beslissing van 19 december 2025 is het wrakingsverzoek, met nummer 250161W, ongegrond verklaard en is bepaald dat de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek. Deze beslissing is gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:TAHVD:2025:262.
2.7 De mondelinge behandeling van de zaak is voortgezet op de openbare zitting van 22 juni 2026. Daar zijn klaagster, bijgestaan door haar gemachtigde, en verweerster verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
2.8 Het hof heeft op de zitting van 22 juni 2026 beslist dat de stukken die klaagster op 8 oktober 2025 heeft ingediend niet aan het dossier zullen worden toegevoegd
3 FEITEN
3.1 Het hof gaat uit van de volgende feiten.
3.2 Klaagster heeft (het kantoor van) verweerster benaderd om haar bij te staan in een echtscheidingsprocedure. Op 15 juli 2019 hebben verweerster en klaagster in dat kader een intakegesprek gehad en op 16 juli 2019 is de opdracht door verweerster aan klaagster schriftelijk bevestigd.
3.3 Op 8 oktober 2019 heeft een viergesprek plaatsgevonden tussen klaagster en haar echtgenoot en hun advocaten met betrekking tot de echtscheiding en de diverse vermogensrechtelijke gevolgen daarvan.
3.4 Op 7 mei 2021 is de echtscheiding uitgesproken die op 9 september 2021 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Verweerster heeft klaagster vervolgens bijgestaan in de verdeling van het huwelijkse vermogen en andere (vermogensrechtelijke) gevolgen van de echtscheiding.
3.5 In dat kader heeft op 2 februari 2022 bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Die zitting is op enig moment enkele uren geschorst om te bezien of partijen onderling tot een regeling konden komen. Dat is gelukt en partijen hebben een vaststellingsovereenkomst gesloten die is vastgelegd in het proces-verbaal van de zitting van 2 februari 2022 en door partijen ter plekke is ondertekend.
3.6 De afspraken betroffen onder meer de verdeling van de echtelijke woning. Die kwamen er in de kern op neer dat klaagster twee maanden de tijd kreeg, te rekenen vanaf 2 februari 2022, om te bezien of het voor haar financieel haalbaar was om de woning tegen een waarde van € 310.000 aan zich toegedeeld te krijgen, de bestaande hypothecaire financiering over te nemen en haar ex-echtgenoot de helft van de overwaarde (voormelde waarde minus de bestaande hypothecaire schuld) uit te keren. De levering aan klaagster zou uiterlijk 15 mei 2022 moeten hebben plaatsgevonden. Indien klaagster niet uiterlijk op 2 april 2022 aan haar ex-echtgenoot zou hebben medegedeeld dat zij de toedeling van de woning aan haar kon financieren, dan wel de levering aan klaagster van de woning niet (uiterlijk) op 15 mei 2022 zou hebben plaatsgevonden, werd de woning toegedeeld aan de ex-echtgenoot die dan de helft van de overwaarde aan klaagster zou moeten uitkeren.
3.7 Klaagster is vervolgens samen met haar financieel adviseur aan de slag gegaan om de financiering (hypothecaire lening) rond te krijgen.
3.8 Bij e-mail van 5 april 2022 van verweerster aan klaagster en haar financieel adviseur heeft verweerster hen bericht dat zij de dag ervoor van de advocaat van de ex-echtgenoot te horen had gekregen dat de termijn van 2 april 2022 is verstreken en de ex-echtgenoot nu de woning aan zich geleverd wil zien en gaat onderzoeken of dit voor hem financieel haalbaar is. Verweerster meldt in dat e-mailbericht verder dat zij gesproken heeft met de bank en dat die heeft aangegeven dat overname van de woning door klaagster cijfermatig haalbaar lijkt. De enige mogelijkheid die verweerster nog zag om de woning aan klaagster geleverd te krijgen was om via een kort-geding de ex-echtgenoot te dwingen om toch medewerking te verlenen aan toedeling van de woning aan klaagster, ook al was de termijn van 2 april 2022 inmiddels verstreken.
3.9 Bij e-mail van eveneens 5 april 2022 heeft de bank aan klaagster laten weten dat er groen licht is voor de hypotheekaanvraag en dat de hypotheekofferte de volgende week wordt verwacht. Wel diende er nog een concept-akte van verdeling aan de bank te worden gezonden.
3.10 Door middel van een kort-geding procedure heeft verweerster namens klaagster vervolgens getracht de ex-echtgenoot te dwingen om alsnog mee te werken aan de toedeling van de woning aan klaagster. De vordering is echter afgewezen en verweerster heeft namens klaagster tegen die beslissing hoger beroep ingesteld, maar ook daar is de vordering afgewezen.
3.11 Bij e-mail van 3 mei 2022 heeft de bank aan verweerster uiteengezet dat het rondkrijgen van de financiering voor klaagster vóór 2 april 2022 vanuit het perspectief van de bank nooit een haalbare termijn is geweest.
3.12 Op 6 mei 2022 heeft klaagster de inmiddels verstrekte hypotheekofferte getekend.
3.13 In november 2022 is de woning via een notariële akte van verdeling toegedeeld en geleverd aan de ex-echtgenoot van klaagster.
3.14 In een e-mail van 16 januari 2023 heeft verweerster aan klaagster een update gegeven over verschillende (lopende) procedures; waaronder een aansprakelijkheidstelling van de bank en een procedure tot wijziging van de alimentatie. Ten aanzien van de wijziging van de alimentatie diende verweerster van klaagster de jaarcijfers 2022 te ontvangen, alvorens zij een verzoekschrift kon opstellen.
3.15 Bij e-mail van 24 mei 2023 heeft klaagster bij verweerster haar volledige dossier opgevraagd en op 5 juni 2023 heeft klaagster aangegeven dat ze haar dossier wilde komen ophalen.
3.16 Op 8 juni 2023 is klaagster bij verweerster op kantoor geweest en heeft ze haar dossier ingezien.
3.17 Bij e-mail van 12 juni 2023 heeft verweerster aan klaagster bericht dat zij het dossier van klaagster, op haar verzoek, zal overdragen aan mr. v.d. L.
3.18 Bij e-mail van 5 juli 2023 heeft de ex-echtgenoot van klaagster aan verweerster gevraagd welke stukken hij op grond van het proces-verbaal nog moest aanleveren en dat hij verweerster stukken uit Marokko heeft gestuurd.
3.19 Op 20 november 2023 heeft klaagster een klacht over verweerster ingediend bij de deken.
3.20 In december 2023 heeft klaagster met verweerster contact opgenomen in verband met de overdracht van haar dossier aan haar nieuwe advocaat mr. P.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) onzorgvuldig tegenover klaagster te handelen en niet in haar belang maar in het belang van de wederpartij te handelen;
Toelichting:
Voor het eerst in haar e-mail van 5 april 2022 benoemt verweerster het verstrijken
van de financieringstermijn van 2 april 2022, zoals opgenomen in het proces-verbaal
van de zitting bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Verweerster had klaagster daar
eerder op moeten wijzen, want bij klaagster was niet bekend dat de financiering rond
moest zijn op 2 april 2022. In het betreffende proces-verbaal staat namelijk enkel
‘in staat zijn om te financieren’.
b) in strijd met gedragsregel 16 (informatieplicht) te handelen;
Toelichting:
Verweerster heeft meerdere malen verzuimd om klaagster op de hoogte te brengen van
belangrijke informatie en afspraken. Ook heeft verweerster klaagster niet voldoende
(schriftelijk) geïnformeerd over bijvoorbeeld rechterlijke beslissingen. Veel van
de communicatie vond telefonisch plaats, waardoor klaagster achterbleef met veel vragen
en onduidelijkheden.
c) (..) niet in het belang van klaagster maar in het belang van de wederpartij te handelen, onder meer door onjuiste informatie te verstrekken;
Toelichting:
Verweerster heeft bij het vastleggen van regelingen rondom de kinderalimentatie,
de verdeling van de echtelijke woning en de verdeling van andere gemeenschappelijke
onroerende zaken onjuiste informatie verstrekt. Verweerster had ook app-contact met
de ex-echtgenoot van klaagster, wat blijkt onder meer uit de e-mail van 5 juli 2023
van die ex partner aan verweerster.
d) (..) te weigeren een deurwaarder in te schakelen over het vastgoed in Marokko en niets te doen met stukken betreffende dat vastgoed;
e) (..) de zaak bewust te vertragen;
Toelichting:
Verweerster wilde het dossier van klaagster niet aan klaagster of de opvolgend advocaat
overdragen.
f) (..)
5 BEOORDELING RAAD
Klachtonderdeel a) onzorgvuldig in niet het belang van klaagster handelen
5.1 Volgens de toelichting ziet dit klachtonderdeel op de termijn zoals die tijdens de schorsing van zitting op 2 februari 2022 bij het gerechtshof in ‘s Hertogenbosch is afgesproken. Er is door partijen en hun advocaten destijds een groot deel van de dag op het hof overleg geweest, wat uiteindelijk heeft geleid tot een vaststellingsovereenkomst. In eerste aanleg was klaagster al een termijn gegund om de woning over te nemen die inmiddels was verlopen en in de onderhandelingen bij het hoger beroep is haar nogmaals een termijn gegund om de woning te kunnen overnemen. Tijdens die onderhandelingen is er telefonisch contact geweest met de financieel adviseur van klaagster, de heer K, die aangaf dat een termijn van vier weken voldoende moest zijn om de financiering te regelen nu feitelijk alles al bij de bank lag. Verweerster heeft die termijn in de onderhandelingen met de wederpartij kunnen oprekken tot acht weken. Dit is door klaagster ook erkend. Daarom had klaagster alsnog tot 2 april 2022 de tijd om te bezien of zij de woning kon financieren. Het was vervolgens aan klaagster en haar financieel adviseur en de bank om de financiering te regelen. Daar is verweerster niet bij betrokken geweest. In de periode na die vaststellingsovereenkomst is er tussen verweerster en klaagster veelvuldig (telefonisch) contact geweest, zo verklaarde verweerster ter zitting onweersproken. In die gesprekken is volgens verweerster nooit ter sprake gekomen dat de termijn van 2 april 2022 niet zou worden gehaald. De raad ziet in deze gang van zaken niet waar verweerster onzorgvuldig zou zijn geweest of niet in het belang van klaagster zou hebben gehandeld. Zij heeft juist nog een extra termijn kunnen onderhandelen om klaagster alsnog in staat te stellen de woning te kunnen overnemen. De raad heeft dit klachtonderdeel ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel b): in strijd met gedragsregel 16 handelen
5.2 Gedragsregel 16 houdt kort samengevat in dat de advocaat zijn cliënt op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Volgens klaagster heeft verweerster dat niet gedaan, maar zij laat na daar concrete voorbeelden van te geven. Uit het klachtdossier is het de raad ook niet gebleken dat verweerster daarin tekort zou zijn geschoten. In het omvangrijke dossier zijn talrijke berichten tussen verweerster en klaagster aanwezig waaruit blijkt dat er veelvuldig contact was en verweerster klaagster van allerhande zaken op de hoogte bracht. Ook dit klachtonderdeel heeft de raad ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel c): niet in het belang van klaagster handelen en onjuiste informatie verstrekken
5.3 Ten aanzien van dit klachtonderdeel is de raad niet gebleken dat verweerster niet in het belang van klaagster zou hebben gehandeld of onjuiste informatie zou hebben verstrekt. Dat er ook contacten zijn geweest tussen verweerster en de ex-echtgenoot wordt door verweerster niet betwist. In die contacten stond klaagster echter altijd in de ‘cc’ zoals verweerster onweersproken verklaarde. Eenmaal heeft de ex-echtgenoot contact met verweerster opgenomen. Dat contact zit in het klachtdossier. Dat de contacten amicaal waren moge zo zijn, maar niet is in te zien waarom dit tuchtrechtelijk verwijtbaar zou zijn. Ook overigens is de raad ten aanzien van dit klachtonderdeel geen laakbaar gedrag gebleken, laat staan dat dit tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen zou zijn. Ook dit onderdeel is door de raad ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel d): te weigeren een deurwaarder in te schakelen omtrent het onroerend goed in Marokko
5.4 Niet ter discussie staat dat het onroerend goed in Marokko buiten de verdeling zou worden gehouden. In het op 8 oktober 2019 gehouden viergesprek was al afgesproken dat partijen dat zelf zouden regelen. De advocaten (van klaagster en die van haar echtgenoot) zouden hier geen bemoeienis mee hebben en hebben dat ook niet gehad. Niettemin heeft verweerster namens klaagster en 843a Rv procedure gestart toen bleek dat de ex-echtgenoot van klaagster een en ander in Marokko had geregeld zonder klaagster daarvan op de hoogte te stellen. Op grond van een rechterlijke uitspraak was de ex-echtgenoot gehouden om op grond van artikel 843a Rv bepaalde stukken aan klaagster ter beschikking te stellen. Die stukken kwamen er mondjesmaat. Verweerster heeft nog met de deurwaarder overleg gehad of dat aanleiding kon geven om de opgelegde dwangsommen te doen verbeuren, maar is met de deurwaarder tot de conclusie gekomen dat de ex-echtgenoot zich hield aan de uitspraak en er dus geen dwangsommen geïnd konden worden. Ook hier valt niet in te zien dat verweerster niet in het belang van klaagster zou hebben gehandeld of anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dit klachtonderdeel is dan ook door de raad ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel e): de zaak bewust te vertragen
5.5 Dit klachtonderdeel ziet er volgens de toelichting op dat verweerster het dossier van klaagster niet aan een opvolgend advocaat zou hebben willen overdragen. Het is de raad uit de gang van zaken en gelet op de omvang van het dossier niet gebleken dat het dossier niet binnen een redelijke termijn is overgedragen aan een opvolgend advocaat of dat verweerster dat niet zou willen. Verweerster verklaarde ter zitting dat zij het dossier persoonlijk heeft afgegeven op het kantoor van de opvolgend advocaat. Dit klachtonderdeel is door de raad ongegrond verklaard.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klaagster
Klachtonderdeel a) onzorgvuldig en niet in het belang van klaagster handelen
6.1 Klaagster heeft erop gewezen dat op de zitting van 2 februari 2022 bij het gerechtshof Den Bosch is besloten dat twee maanden nodig zouden zijn voor de hypotheek. Het ging bij deze bespreking over de eerste afspraak die gemaakt is omtrent de woning. Er is niet gesproken over een verlooptermijn. Klaagster heeft aangevoerd dat de griffier van het gerechtshof het proces-verbaal na afloop van de zitting aan de advocaten van partijen heeft gezonden. Verweerster heeft vervolgens het proces-verbaal zonder toelichting -laat staan advies- via WhatsApp met klaagster gedeeld. Verweerster had volgens klaagster wel een nader advies uit moeten brengen. Verweerster heeft ook niet vóór de deadline van 2 april 2022 met klaagster contact opgenomen voor overleg. Dat had verweerster volgens klaagster wel moeten doen. Verweerster had dan bij klaagster kunnen nagaan of zij de datum van 2 april 2022 wel goed op haar netvlies had en dan had zij zonodig nog tijdig kunnen handelen. Bijvoorbeeld door aan de wederpartij te berichten dat klaagster de toedeling van de woning aan haar kan financieren. Dan was de zaak voor klaagster gered.
Klachtonderdeel b): in strijd met gedragsregel 16 handelen (op de hoogte brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken)
6.2 Klaagster heeft met betrekking tot dit klachtonderdeel aangevoerd dat verweerster klaagster nooit, of hoogst zelden, naar behoren heeft geïnformeerd over de voortgang in diverse zaken.
Klachtonderdeel c): niet in het belang van klaagster handelen en onjuiste informatie verstrekken
6.3 Klaagster stelt dat verweerster onjuiste informatie heeft verstrekt. Ook zijn er contacten geweest tussen haar en klaagsters ex-echtgenoot. Volgens klaagster mocht verweerster als advocaat geen Whatsapp contact onderhouden met haar ex-echtgenoot.
Klachtonderdeel d): weigeren een deurwaarder in te schakelen omtrent het onroerend goed in Marokko
6.4 De rechter heeft bepaald dat het vastgoed in Marokko conform Nederlands recht verdeeld diende te worden. Dit is nooit door verweerster kenbaar gemaakt bij klaagsters ex-echtgenoot. Verweerster heeft er ook nooit op gehandeld. Klaagster stelt dat verweerster heeft samengewerkt met haar ex-echtgenoot.
Klachtonderdeel e): de zaak bewust te vertragen
6.5 Klaagster heeft haar beroep tegen dit klachtonderdeel niet nader toegelicht.
Klachtonderdeel f): (..)
Verweer verweerster
6.6 Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
7.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.
Overwegingen hof
Klachtonderdeel a) onzorgvuldig en niet in het belang van klaagster handelen
7.3 Anders dan de raad is het hof van oordeel dat klachtonderdeel a) gegrond is.
Verweerster heeft met betrekking tot de kwestie rond -het verlopen van- de in het proces-verbaal van de zitting bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch opgenomen termijn om te laten weten dat zij in staat was om de woning te financieren onzorgvuldig gehandeld. Het hof is namelijk van oordeel dat verweerster zich er actief en tijdig van had moeten vergewissen of klaagster zich ervan bewust dat de cruciale termijn om te laten weten dat zij in staat was om de woning te financieren op 2 april 2022 verliep. Het ging om de woning waarin klaagster verbleef. Verweerster had in ieder geval klaagster tijdig vóór 2 april 2022 nogmaals op deze termijn moeten wijzen. Dat dat nodig was blijkt ook uit de toelichting van klaagster die zelf het belang van de termijn niet onderkend lijkt te hebben. Het feit dat in de periode voorafgaand aan de bewuste 2 april 2022 veelvuldig mondeling overlegd zou zijn en dat klaagster in die contacten niet liet weten dat de gestelde termijn niet haalbaar leek te zijn, maakt dit niet anders. Het blijft de eigen verantwoordelijkheid van de advocaat om de belangen van zijn cliënt in het oog te houden en te bewaken. Verweerster heeft bovendien ter zitting van het hof aangegeven dat zij ervan uitging dat de communicatie met de wederpartij van klaagster over de termijn via haar, verweerster, zou verlopen. Door voor het eerst in de e-mail van 5 april 2022 het verstrijken van deze termijn te benoemen, heeft verweerster onzorgvuldig jegens klaagster gehandeld en haar belangen onvoldoende gediend. Klachtonderdeel a) is gegrond.
Klachtonderdelen b), c), d) en e)
7.4 Wat klaagster in beroep heeft aangevoerd met betrekking tot deze klachtonderdelen is een herhaling van haar standpunten bij de raad en leidt niet tot een ander oordeel. Het hof onderschrijft de overwegingen van de raad en verklaart deze klachtonderdelen ongegrond.
Slotsom
7.5 Het voorgaande betekent dat het hof, in tegenstelling tot de raad, van oordeel
is dat verweerster haar werkzaamheden niet zorgvuldig heeft verricht en dat haar daarvan
een verwijt kan worden gemaakt. Het hof verklaart klachtonderdeel a) dan ook gegrond.
8 MAATREGEL
Verweerder heeft met haar handelwijze niet gehandeld zoals van een zorgvuldig en bekwaam handelend advocaat verwacht mag worden. De belangenbehartiging door verweerster voldoet niet aan de betamelijkheidsnorm zoals geformuleerd in artikel 46 Advocatenwet. Het niet informeren van haar cliënte over een deadline (met grote gevolgen) is van een dermate ernst dat niet met de oplegging van een waarschuwing kan worden volstaan. Het hof acht de maatregel van een berisping daarom passend en geboden.
9 PROCESKOSTEN
9.1 Omdat het hof de klacht alsnog gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken na deze beslissing. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing het rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
9.2 Omdat het hof een maatregel oplegt, zal het hof verweerster op grond van artikel
48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het
hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:
a) € 50,- kosten van klaagster (forfaitair);
b) € 1.050,- [€ 525,- per punt] kosten voor rechtsbijstand van klaagster;
c) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
d) € 1.000,- kosten van de Staat.
9.3 Verweerster moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 1.100,- (totaal van a en b) aan kosten van klaagster binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
9.4 Verweerster moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- (totaal van c en d) binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
10 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
10.1 vernietigt de beslissing van 7 april 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-819/AL/GLD, voor zover klachtonderdeel a) ongegrond is verklaard;
en doet opnieuw recht:
10.2 verklaart klachtonderdeel a) gegrond;
10.3 legt aan verweerster de maatregel van berisping op;
10.4 bekrachtigt de beslissing van 7 april 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-819/AL/GLD, voor het overige;
10.5 veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;
10.6 veroordeelt verweerster tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 1.050,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
10.7 veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort – de Bruin, voorzitter, mrs.
M.F. Baaij en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en
in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 17 augustus 2026.