ECLI:NL:TAHVD:2026:268 Hof van Discipline 's Gravenhage 250428
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:268 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-08-2026 |
| Datum publicatie: | 19-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250428 |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Fouten |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klagers hebben een klacht ingediend over verweerder. Verweerder heeft namens zijn cliënten eerder klachten over klagers ingediend, bij het hof bekend onder de nummers 250437 en 250438. Naar het oordeel van de Raad van Discipline kunnen de in die laatstgenoemde klachten door verweerder gebruikte bewoordingen niet anders worden uitgelegd dan dat hij klagers voor leugenaar uitmaakt. Het had verweerder gesierd als hij zijn fouten meteen na ontdekking en zonder voorbehouden had rechtgezet. Verweerder heeft dat naar het oordeel van de raad onvoldoende oprecht gedaan en heeft een waarschuwing opgelegd. Verweerder is in beroep gekomen. Het Hof van Discipline duidt het gedrag van verweerder anders en vernietigt de beslissing van de raad. |
Beslissing van 17 augustus 2026
in de zaak 250428
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerder
gemachtigde: mr. M. Timpert-de Vries, advocaat te Arnhem
tegen:
klagers
1 INLEIDING
1.1 Klagers hebben een klacht ingediend over verweerder. Verweerder heeft namens zijn cliënten eerder klachten over klagers ingediend, bij het hof bekend onder de nummers 250437 en 250438. Naar het oordeel van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de Raad) kunnen de in die laatstgenoemde klachten door verweerder gebruikte bewoordingen niet anders worden uitgelegd dan dat hij klagers voor leugenaar uitmaakt. Uitgangspunt is dat een goede beroepsuitoefening binnen de advocatuur gediend is met een onderlinge verhouding tussen advocaten die berust op vertrouwen en welwillendheid. Naar het oordeel van de raad heeft verweerder die onderlinge verhouding met klagers verstoord. Het had verweerder gesierd als hij zijn fouten meteen na ontdekking en zonder voorbehouden had rechtgezet. Verweerder heeft dat naar het oordeel van de raad onvoldoende oprecht gedaan. Naar het oordeel van de raad is de maatregel van waarschuwing daarom passend en geboden. Verweerder is in beroep gekomen. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) duidt het gedrag van verweerder anders en vernietigt de beslissing van de raad.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klagers en verweerder (zaaknummer: 25-266/AL/GLD) een beslissing gegeven op 10 november 2025. In deze beslissing is de klacht van klagers gedeeltelijk gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2025:241 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 4 december 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van klagers.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van
22 juni 2026. Daar zijn klagers verschenen. Verweerder is tevens verschenen, bijgestaan
door zijn gemachtigde,. Verweerder heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van
spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 De heer B is enig bestuurder van [A] BV en [B] BV. [X] Beheer BV is grootaandeelhouder van [A] BV en [B] BV. De heer B is ook enig bestuurder van [Y] Beheer BV.
3.3 Op [datum] heeft de rechtbank Gelderland de faillissementen van [A] BV en [B] BV uitgesproken met benoeming van klaagster tot curator. Klager is de advocaat van de curator. Verweerder is de advocaat van de heer B en [X] Beheer BV.
3.4 Advocaten mrs. D en P van [naam advocatenkantoor D en P] hebben in de periode voorafgaande aan het faillissement bijstand verleend aan [B] BV. Op 9 juni 2020 (na het faillissement) is namens [naam advocatenkantoor D en P] aan het kantoor van de curator het volgende gemaild:
Middels deze dien ik een vordering in die [naam advocatenkantoor D en P] heeft op [B]. Het betreft een totaal bedrag van € 9.224,39. De specificaties heb ik in de bijlage (*) toegevoegd. Ik verzoek u vriendelijk om deze vordering in uw administratie op te nemen en mij op de hoogte te houden van de verdere afwikkeling.
In de bijgevoegde urenspecificatie van 4 mei 2020 inzake [B] eigen aangifte’ staan onder meer de volgende werkzaamheden vermeld:
van mr. D:
- op 3 april 2020: Bestudering eigen aangifte, overleg [mr P] 0,50
Telefonisch overleg met [naam cliënt] 1,00
van mr. P:
- op 7 april 2020: Onderzoek reglementen, tel. overleg griffie en
e-mail inz. behandeling eigen aangifte 0,30
- op 28 april 2020: Div. e-mail, opstellen conceptnotulen,
opdracht eigen aangifte 2,00
3.5 Op 16 juli 2024 heeft klager namens de curator de cliënten van verweerder gedagvaard
op diens kantooradres. In de dagvaarding is gebruik gemaakt van de e-mail van 9 juni
2020, ter onderbouwing van de stelling dat de bestuurder van [A] BV en [B] BV niet
te goeder trouw als bedoeld in artikel 54 Fw zou zijn geweest en dat dit ook aan [X]
Beheer BV kon worden toegerekend.
3.6 Verweerder heeft namens zijn cliënten op 22 juli 2024 aan klagers het volgende gemaild:
om 13:48 uur:
U hebt conservatoir beslag doen leggen op aan cliënten [de heer B en [X] Beheer BV] in eigendom toebehorende onroerende zaken. Art 725 jo, 711 Rv verlangt daarvoor vrees voor verduistering en daar schort het bij cliënten aan.
Met de stelling dat cliënt [de heer B] verwijten zou maken aan het adres van de curator wordt de vrees voor verduistering niet aannemelijk gemaakt en evenmin met de stelling dat [de heer B] eigen belang en belang van [ [X] Beheer BV] zou hebben laten prevaleren boven dat van [A] BV en dier schuldeisers. Apert in strijd met de waarheid is de stelling dat [de heer B] zich jegens de curator heeft laten ontvallen dat hij zijn huis wil laten verbouwen en hiervoor een financiering nodig heeft. [De heer B] heeft in een gesprek met de rechter commissaris gezegd dat hij zijn huis wil laten verbouwen maar dat hij er bij de bank geen financiering voor krijgt zolang de kwestie van de gestelde bestuurdersaansprakelijkheid nog loopt. Daarmee is dus uitgesloten dat de onroerende zaken mogelijk verder moeten worden bezwaard.
Voor [[X] Beheer BV] geldt mutatis mutandis hetzelfde; zij heeft zich al helemaal niet uitgelaten over een door haar voorgenomen verbouwing, ook niet bij monde van haar bestuurder. Het doen beslagleggen is daarmee jegens cliënten een onrechtmatig handelen van de curator. Het is daarom dat ik de curator namens cliënten verzoek - en zo nodig sommeer- om de gelegde beslagen per ommegaande te doen opheffen, bij gebreke waarvan cliënten de curator aansprakelijk zullen houden voor door hen te lijden schade. Overigens achten zij zich vrij.
Om 15:32 uur:
U hebt cliënten [de heer B en [X] Beheer BV] op 16 juli 2024 op mijn kantooradres
doen dagvaarden.
(…)
Cliënten wezen mij er op dat de dagvaarding afwijkt van een eerder toegezonden concept.
Meer in het bijzonder wezen cliënten mij op alinea 140 (139 in concept) en daar genoemde én overgelegde productie 38. Dat stuk is u door de advocaat van cliënten niet overgelegd om te dienen tot bewijs van uw stelling(en) - zoals u ten onrechte doet voorkomen - en toch gebruikt u het daarvoor. Cliënten hebben daar bezwaar tegen. U hebt de vertrouwelijkheid die heerst in de relatie van de advocaat en zijn cliënten doorbroken door kennis te nemen van én aan de rechtbank te laten zien welke werkzaamheden de advocaat ten behoeve van zijn cliënten op enig moment heeft verricht. Als u de advocaat gevraagd zou hebben om het te mogen gebruiken als bewijsstuk tegen zijn cliënten dan had het antwoord daarop zeker ontkennend geweest omdat hij anders zijn geheimhoudingsverplichting zou hebben geschonden.
(…)
Cliënten zijn er niet mee bekend dat u de advocaat hebt gevraagd om diens visie omtrent de vertrouwelijkheid van de specificatie waaruit van de aard en omvang van diens werkzaamheden valt af te leiden, zodanig zelfs dat u daarmee een van uw stellingen poogt te bewijzen. Evenmin zijn zij er mee bekend dat er door de deken bemiddeld is tussen de advocaat en u.
Aldus verzoek ik u namens cliënten om te verklaren welke rechtvaardiging er in uw ogen heeft bestaan om ten bewijze van een uwer stelling een stuk van een advocaat in te brengen. Dat het hier een specificatie van diens werkzaamheden betreft maakt het in de ogen van cliënten niet minder laakbaar juist omdat u er mee wilt bewijzen dat u nimmer kunt bewijzen als de advocaat zich aan zijn geheimhoudingsplicht houdt. Als u niet of niet genoegzaam verklaart hebt u tenminste de betreffende passages en het overgelegde stuk terug te nemen. Cliënten overwegen sowieso om te klagen want feitelijk is het kwaad al geschied.
3.7 Op 29 juli 2024 heeft klaagster via een e-mail aan verweerder de ontvangst van zijn beide e-mails van 22 juli 2024 bevestigd en laten weten dat door vakanties na 12 augustus 2024 een inhoudelijke reactie zal volgen.
3.8 Op 31 juli 2024 heeft verweerder in een e-mail aan klaagster, met klager in de cc, het volgende geschreven:
Ik heb u vorige week met betrekking tot twee issues vragen gesteld waarvan de beantwoording voor cliënten urgent is.
Zij en ik hebben immers maar zes weken de tijd om een processtuk te redigeren waarmee zij zich zullen verweren tegen de door u jegens hen ingestelde vorderingen. Het is daarbij voor hen van belang om kennis te nemen van uw standpunt. Het geeft daarom geen pas om pas na een week te reageren met de mededeling dat u na 12 augustus inhoudelijk reageert vanwege ‘’diverse vakanties’’, wat dat overigens ook moge betekenen. U bent toch gewoon op uw post? U bent de curator en u stelt de vorderingen in. Ik verneem daarom graag per ommegaande.
3.9 Verweerder heeft op 6 augustus 2024 namens zijn cliënten klachten over klagers aan de deken gestuurd. Deze klachten, bij de raad bekend onder de zaaknummers 25‑267/AL/GLD en 25-268/AL/GLD, zijn door de deken op 13 augustus 2024 ontvangen. In de betreffende klachtbrieven is onder meer vermeld:
[Klaagster] en [klager] hebben dus in strijd met de waarheid gesteld dat de advocaat de specificatie (aan hen) heeft overgelegd, nog daargelaten dat zij door er kennis van te nemen en over te leggen in een procedure de vertrouwelijkheid tussen de advocaat en diens cliënten hebben geschonden.
3.10 Verweerder heeft de klachtbrieven onder zijn verantwoordelijkheid in afschrift aan een advocatenkantoor laten sturen, waar klaagster niet (meer) werkzaam was. Op 8 augustus 2024 heeft het kantoor G advocaten [naam advocatenkantoor] te [plaatsnaam] aan klaagster geschreven dat het de klachtbrief met bijlagen van de cliënten van verweerder over klaagster heeft ontvangen en heeft het kantoor deze stukken aan klaagster doorgestuurd.
3.11 In een e-mail van 13 augustus 2024 heeft klager aan verweerder het volgende geschreven:
Zoals u weet, was ik tot 12 augustus afwezig in verband met vakantie. Om die reden reageer ik nu pas op uw e-mail van 22 juli jl. De curator is bereid om de beslagen op te heffen onder de voorwaarde dat uw cliënten voldoende vervangende zekerheid aanbieden. Aangezien uw cliënten dit vooralsnog niet hebben gedaan, blijven de beslagen gehandhaafd. Ik zie geen reden om te voldoen aan uw verzoek om het bepaalde onder randnummer 140 van de dagvaarding en productie 38 terug te nemen. er is geen sprake van een situatie zoals aan de orde in de door u genoemde uitspraak van het Hof van Discipline.
Het feit dat ik afwezig was in verband met vakantie en om die reden nog niet kon reageren op uw e-mails, heeft u er niet van weerhouden om een tuchtklacht tegen [klaagster] en mij in te dienen. Een kopie van deze brief heeft u bovendien verzonden aan het kantoor van [naam advocatenkantoor] te [plaatsnaam]. Dit handelen is niet alleen bijzonder onfatsoenlijk en onzorgvuldig, maar u handelt ook in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt. Ik zal dan ook op korte termijn een tuchtklacht tegen u indienen.
Dezelfde dag heeft verweerder aan klagers, met G advocaten [naam advocatenkantoor] in de cc, het volgende gemaild:
Het is inderdaad onzorgvuldig van mijn kant dat de brief aan [klaagster] is geadresseerd aan een onjuist adres. Ik heb het adres niet gecontroleerd. Mijn oprechte excuses daarvoor.
3.12 Op 14 augustus 2024 heeft klager een concept klaagschrift namens klagers aan verweerder gezonden. Daarin zijn de klachten van klagers tegen verweerder verwoord. Verweerder is in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Ook is hem gemeld dat afhankelijk van zijn reactie de klacht al dan niet bij de deken zal worden ingediend.
3.13 In een e-mail van 21 augustus 2024 heeft verweerder aan klager geschreven:
Uw conceptbrief van 14 dezer aan de deken bereikte mij in goede orde. Het geeft mij aanleiding om mijn verontschuldigingen voor verzending van de brief aan [klaagster] aan een verkeerd adres te herhalen. Dat was niet goed en spijt mij zeer.
3.14 Op 23 augustus 2024 hebben klagers een klacht ingediend bij de deken tegen verweerder.
4 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven en zoals gewijzigd naar aanleiding van de opmerking van klagers, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) (..)
.
b) (..)
c) in strijd met gedragsregel 8 in strijd met de waarheid informatie te hebben verstrekt.
Toelichting:
Verweerder heeft klagers in zijn klachtbrief van 6 augustus 2024 namens zijn cliënten
gepresenteerd als leugenaars door te stellen dat de eerder betrokken advocaat, mr.
P, geen specificatie (aan klagers) heeft verstrekt.
d) de klachtbrief naar een advocatenkantoor te zenden dat niet bij de onderliggende procedure tegen klaagster betrokken is.
5 BEOORDELING RAAD
Klachtonderdelen c) en d)
5.1 De raad heeft deze klachtonderdelen, vanwege hun onderlinge samenhang, gelijktijdig beoordeeld.
5.2 De door verweerder in zijn klachtbrief van 6 augustus 2024 gebruikte bewoordingen kunnen volgens de raad niet anders worden uitgelegd dan dat klagers daarin voor leugenaars worden uitgemaakt. Alhoewel verweerder op 15 augustus 2024 door het bericht van [naam advocatenkantoor D en P] wist dat hij met zijn ferme aantijgingen over zijn mede-advocaten fout zat, heeft verweerder daarvan naar het oordeel van de raad onvoldoende afstand genomen, ook niet tijdens de zitting van de raad. Verweerder had daarin pro-actiever en welwillender richting zijn collega’s moeten handelen, zeker na hun herhaalde verzoeken daartoe. Datzelfde geldt voor het onder verantwoordelijkheid van verweerder door een foute adressering doorsturen van de klacht over klaagster aan een niet betrokken advocatenkantoor. Klaagster was niet alleen niet werkzaam bij dat kantoor. Onduidelijk is ook waarom verweerder het nodig vond om die individuele klacht over klaagster onder de aandacht te brengen van een advocatenkantoor. Het betrof immers een individuele klacht over klaagster, niet ook een klacht over het bestuur van het kantoor van de beklaagde advocaat. Verweerder mocht over klagers klagen, maar is hij onzorgvuldig geweest bij de formulering van die klacht en bij de uitvoering daarvan. Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van de raad de belangen van klagers onnodig en onevenredig zonder doel geschaad hetgeen hem tuchtrechtelijk wordt aangerekend. De raad heeft de klachtonderdelen c) en d) dan ook gegrond verklaard en aan verweerder de maatregel van waarschuwing opgelegd.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerder
Ten aanzien van klachtonderdeel c
6.1 Verweerder stelt dat de kwalificatie 'leugenaars' nooit door hem is gebruikt, maar door de klagers is gegeven aan zijn formulering 'in strijd met de waarheid gesteld'. Ten aanzien van het specifieke verwijt dat verweerder in strijd met Gedragsregel 8 onjuiste informatie heeft verstrekt door klagers als leugenaars te presenteren, betoogt verweerder dat de raad de geldende rechtsnorm onjuist heeft toegepast. Verweerder stelt dat hij op het moment van het indienen van zijn klachtbrief redelijkerwijs mocht aannemen dat de informatie van zijn cliënt en van de eerder betrokken advocaat, mr. P, juist was. Verweerder heeft proactief navraag gedaan bij mr. P, die op 6 augustus 2024 bevestigde dat hij geen specificaties aan de curator had verstrekt. Klagers hebben deze stelling nooit weersproken, ondanks herhaalde e-mails van de verweerder in juli 2024. Pas later bleek dat de secretaresse van mr. P de specificatie wel had verstuurd, maar uitsluitend ter verificatie van vorderingen op de failliete vennootschap en niet als bewijsstuk tegen de cliënten. Verweerder vindt het oordeel van de raad dat hij onvoldoende afstand heeft genomen van zijn bewoordingen na het bericht van 15 augustus 2024 onbegrijpelijk. Hij stelt dat hij pas bij de repliek op 29 november 2024 bij de deken de gelegenheid kreeg om de feiten volledig uit te leggen, en dat er geen bewijs is dat hem is verzocht pro-actiever te handelen, laat staan dat deze verzoeken hem bereikt zouden hebben.
6.2 Verweerder concludeert dat hij op het moment van het indienen van de klacht geen reden had om te twijfelen aan de juistheid van de door hem verstrekte informatie, aangezien hij afging op het woord van mr. P en zijn cliënt. Volgens de toelichting bij Gedragsregel 8 mag een advocaat in het algemeen afgaan op de juistheid van het feitenmateriaal dat hem wordt verschaft, tenzij hij daaraan redelijkerwijs moet twijfelen. Gezien de omstandigheden is er volgens verweerder geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Verweerder verzoekt het hof dan ook om de beslissing van de raad te vernietigen vanwege de onvolledige feitelijke vaststelling en de onjuiste toepassing van de gedragsregels, en om klachtonderdeel c) alsnog ongegrond te verklaren.
Ten aanzien van klachtonderdeel d
6.3 Dit onderdeel betreft het toezenden van een klachtbrief aan een advocatenkantoor dat geen enkele betrokkenheid had bij de onderliggende procedure. Verweerder heeft aangevoerd dat de brief uitsluitend door een administratieve vergissing op het verkeerde adres is beland. Een kantoorgenoot had een verouderd adres opgediept uit het CRM-systeem van het kantoor, waardoor de brief abusievelijk werd gezonden aan het voormalige kantoor van klaagster. Verweerder benadrukt dat hij nimmer de bedoeling heeft gehad de klacht onder de aandacht van een derde kantoor te brengen, en dat de raad ten onrechte heeft overwogen dat hij dit “nodig vond”. Deze kwalificatie mist volgens verweerder iedere feitelijke grondslag, nu hij zich hierover nooit in die zin heeft uitgelaten. De suggestie in het klaagschrift dat mogelijk sprake was van opzet wijst verweerder uitdrukkelijk van de hand.
6.4 Verweerder betwist het oordeel van de raad dat hij zijn fouten niet meteen en niet oprecht zou hebben rechtgezet. Het tegendeel is volgens verweerder waar, immers binnen anderhalf uur nadat hij op 13 augustus 2024 van de adresseringsfout op de hoogte raakte, heeft hij zijn excuses aangeboden aan klagers. Vervolgens zijn deze excuses herhaald op 21 augustus 2024 en nogmaals -ongevraagd- in zijn brief aan de deken van 29 november 2024. Het oordeel dat dit “onvoldoende oprecht” was, is naar de mening van verweerder niet alleen feitelijk onjuist, maar ook onvoldoende gemotiveerd. Verweerder stelt dat dit oordeel van de raad hem geraakt heeft. Dat de raad dit oordeel bovendien (mede) ten grondslag heeft gelegd aan de zwaarte van de opgelegde maatregel, maakt de beslissing onbegrijpelijk gemotiveerd.
6.5 Verweerder is van mening dat een waarschuwing in de gegeven omstandigheden niet proportioneel is. Daarbij wijst hij erop dat tegen hem nog nimmer eerder een tuchtklacht is ingediend. Verweerder verzoekt het hof dan ook primair de uitspraak van de raad te vernietigen en de klachtonderdelen ongegrond te verklaren. Subsidiair verzoekt hij het hof, op grond van artikel 48 lid 3 van de Advocatenwet, te bepalen dat ondanks een eventuele gegrondverklaring geen maatregel wordt opgelegd. Tot slot verzoekt verweerder de veroordelingen in het griffierecht van € 50 en de proceskosten van € 1.250 eveneens te vernietigen.
Verweer klagers
6.6 Klagers hebben gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Overwegingen hof
Klachtonderdeel c)
7.2 Het hof is, anders dan de raad, van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de door verweerder in zijn klachtbrief van 6 augustus 2024 gebruikte bewoordingen niet anders kunnen worden uitgelegd dan dat verweerder klagers daarin voor ‘leugenaars’ uitmaakt. ‘Leugenaars’ is namelijk een (negatieve) kwalificatie van de persoon van klagers, een kwalificatie die het hof niet in de klachtbrief van 6 augustus 2024 leest. Er is in die brief sprake van een -volgens verweerder- feitelijke constatering: hetgeen klagers stellen komt niet overeen met de informatie waarover hij beschikt.
7.3 Klachtonderdeel c) houdt in dat verweerder in strijd met gedragsregel 8 in strijd met de waarheid informatie -over klagers- heeft verstrekt. Nu vaststaat dat verweerder voordat hij de stellingen in de brief van 6 augustus 2024 heeft opgenomen, bij mr. P heeft geïnformeerd of hij specificaties aan de curator had verstrekt en mr. P op deze vraag ontkennend had geantwoord, kan niet worden gezegd dat verweerder in strijd met gedragsregel 8 heeft gehandeld. Verweerder had de juistheid van zijn stelling op dat moment in redelijkheid afdoende geverifieerd.
7.4 Hef hof is verder van oordeel dat verweerder, nadat mr. P hem op 15 augustus 2024 had geïnformeerd dat de eerder de door mr P aan hem (verweerder) verstrekte informatie onjuist was, meer verantwoordelijkheid had kunnen nemen om zijn – achteraf bezien – onjuiste stelling te corrigeren, maar ziet in het feit dat verweerder dat enigszins omslachtig heeft gedaan onvoldoende grondslag voor een tuchtrechtelijk verwijt.
7.5 Het hof deelt de anderszins luidende overwegingen van de raad ten aanzien van klachtonderdeel c) niet en zal de beslissing van de raad op dit punt vernietigen en klachtonderdeel c) alsnog ongegrond verklaren.
Klachtonderdeel d)
7.6 Vaststaat dat onder verantwoordelijkheid van verweerder -door een foute adressering- de klacht over klaagster aan een niet betrokken advocatenkantoor waar klaagster eerder werkzaam is geweest is gestuurd. Op het moment dat dit bij verweerder bekend werd heeft hij daar onmiddellijk zijn excuses aangeboden. Het hof is van oordeel dat verweerder door vrijwel direct nadat hij op 13 augustus 2024 van de adresseringsfout op de hoogte raakte, zijn excuses aan te bieden aan klaagster en die excuses later nog een keer te herhalen voldoende heeft gereageerd op deze administratieve omissie. Dat er van opzettelijk verkeerde adressering sprake is geweest, blijkt niet uit de stukken. Van een tuchtrechtelijk verwijtbare handeling is daarom geen sprake. Het hof is van oordeel dat klachtonderdeel d) ongegrond is en zal de beslissing van de raad ook op dit punt vernietigen.
Slotsom
7.7 Het hof vernietigt de beslissing van de raad, op de klachtonderdelen c) en d), verklaart deze alsnog ongegrond en concludeert dat voor het opleggen van een maatregel, een reis- en proceskostenveroordeling en een veroordeling tot het vergoeden van het griffierecht geen grondslag bestaat, zodat ook dit onderdeel van de beslissing van de raad niet in stand kan blijven.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
8.1 vernietigt de beslissing van 10 november 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 25-266/AL/GLD, voor zover die ziet op klachtonderdelen c) en d), de maatregel, de reis- en proceskostenveroordeling en de veroordeling tot het vergoeden van het griffierecht;
en doet opnieuw recht:
8.2 verklaart de klachtonderdelen c) en d) ongegrond;
8.3 bekrachtigt de beslissing van 10 november 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 25-266/AL/GLD, voor het overige;
Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort - de Bruin, voorzitter, mrs.
M. F. Baaij en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en
in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 17 augustus 2026.