ECLI:NL:TAHVD:2026:267 Hof van Discipline 's Gravenhage 260051
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:267 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-08-2026 |
| Datum publicatie: | 19-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260051 |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Deze zaak gaat over een klacht over een advocaat in een strafzaak. De Raad van Discipline heeft op grond van de overgelegde stukken en de ter zitting door en namens klaagster afgelegde verklaring niet kunnen vaststellen dat sprake is van een evident en voorzienbaar (potentieel) tegenstrijdig belang of van de overdracht van vertrouwelijke informatie over klaagster door de kantoorgenoot van verweerder aan verweerder. De klacht is ongegrond verklaard. Klaagster is in beroep gekomen. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) bekrachtigt de beslissing van de raad. Het enkele feit dat beide verdachten een eigen aandeel ontkennen is in dit geval onvoldoende om een (potentieel) tegenstrijdig belang te kunnen of moeten aan te nemen. |
Beslissing van 17 augustus 2026
in de zaak 260051
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klaagster
gemachtigde: mr. J.L L’Homme, advocaat te Amsterdam
tegen:
verweerder
1 INLEIDING
1.1 Deze zaak gaat over een klacht over een advocaat in een strafzaak. De Raad
van Discipline (hierna: de raad) heeft op grond van de overgelegde stukken en de
ter zitting door en namens klaagster afgelegde verklaring niet kunnen vaststellen
dat sprake is van een evident en voorzienbaar (potentieel) tegenstrijdig belang of
van de overdracht van vertrouwelijke informatie over klaagster door de kantoorgenoot
van verweerder aan verweerder. De klacht is ongegrond verklaard. Klaagster is in beroep
gekomen. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) bekrachtigt de beslissing van de
raad.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen.
Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling
van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe
het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad in het ressort Amsterdam heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 25-526/A/NH) een beslissing gewezen op 2 februari 2026. In deze beslissing is de klacht van klaagster ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2026:21 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 22 februari 2026 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van verweerder.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van
22 juni 2026. Daar is namens klaagster verschenen mr. B.J.T. van Opstal, kantoorgenoot
van mr. L’Homme. Verweerder is met bericht niet verschenen. Het standpunt van klaagster
is toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het
dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof gaat uit van de feiten die door de raad zijn vastgesteld nu daartegen geen beroepsgrond is gericht. Het gaat om de volgende feiten.
3.2 Op 2 maart 2024 is klaagster met twee andere personen aangehouden op verdenking van poging tot doodslag in verband met een steekpartij in en rondom de woning van klaagster. Een kantoorgenoot van verweerder, mr. V (hierna: kantoorgenoot), heeft klaagster piketbijstand verleend en haar bijgestaan bij het eerste verhoor op 3 maart 2024. De kantoorgenoot heeft toen ook piketbijstand verleend aan twee andere verdachten in dezelfde zaak.
3.3 Na de piketbijstand en het eerste verhoor is klaagster bijgestaan door een andere advocaat.
3.4 Op 10 april 2024 heeft de politie ook de heer S (hierna: de heer S.) aangehouden. Verweerder heeft de heer S. piketbijstand verleend en hem bijgestaan tijdens het eerste verhoor. Tijdens dat eerste verhoor heeft de heer S. verklaard:
‘V: Waarom ben jij slachtoffer?
A: Omdat ik hier nu zit en geen ene flikker heb gedaan.
V: Nadat het slachtoffer op de grond viel ben jij op zijn borst gaan zitten
en heb jij een mes tegen de linkerzijde van zijn keel gehouden. Hoe zit dat?
A: Geen commentaar.
V: Wat heb jij toen met het mes gedaan?
A: Geen commentaar.
V: Ik toon je nu een foto van het gezichtsletsel van het slachtoffer, hij heet
[naam slachtoffer]. Wat gaat er nu door je heen?
A. Het komt me niet bekend voor, ik heb er niets mee te maken. Een gezicht bloed
sowieso wel snel. Ik ken die jongen niet. Bloed in het gezicht lijkt gauw ernstig.
0. Getoonde foto wordt als bijlage bij dit verhoor gevoegd.’
3.5 In de vordering tot inbewaringstelling van 11 april 2024 wordt de heer S. verdacht van een poging om het slachtoffer opzettelijk van het leven te beroven en/of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Er is de heer S. op dat moment geen medeplegen met klaagster ten laste gelegd.
3.6 Op 2 mei 2024 heeft de politie de heer S. opnieuw verhoord. De heer S. heeft toen verklaard:
‘V. [Klaagster] heeft het volgende verklaard: “[…] is degene die het slachtoffer
heeft aangevallen. Wat is jou reactie hierop?”
A. Naar mijn weten was zij boven.
V. [Klaagster] kent jou dus, ze noemt je namelijk bij naam. Waar ken jij [klaagster]
van?
A. Ik was daar op visite met (…), hij had mij meegenomen. Ik ken haar niet,
heb haar een enkele keer gesproken.
V. Er wordt door o.a ook door [klaagster], de bewoonster van [adres klaagster]
verklaard dat jij boven op [het slachtoffer] zit en er veel bloed te zien is.
Vertel eens?
A. Klopt niet.
V. Wat klopt er niet?
A. Dat er bloed is. Ik heb niet eens geslagen.
V. Verder heeft [klaagster] verklaard dat jij tegen het slachtoffer, […], hebt
gezegd, dat hij 50 gram van onbekende jongen had gestolen. Vertel eens?
A. Dat is de aanleiding dat we in worsteling zijn geraakt, en dat ik het huis
niet uit kon.’
3.7 Op 30 september 2024 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Holland
de voorlopige hechtenis van de heer S. geschorst.
3.8 In reactie op de door klaagster ingediende klacht heeft verweerder op 8 januari
2025 een verweerschrift bij de deken ingediend. Daarin heeft verweerder over klaagster
vermeld:
‘Zij heeft met een groot mes het slachtoffer […] in de borst gestoken.’
3.9 Op 9 januari 2025 heeft verweerder zich aan de zaak van de heer S. onttrokken.
3.10 Op 17 januari 2025 heeft de rechtbank Noord-Holland de zaak inhoudelijk behandeld. Voorafgaand aan deze zitting heeft de officier van justitie de tenlastelegging ten aanzien van de heer S. gewijzigd in mededaderschap.
3.11 Op 31 januari 2025 heeft de rechtbank klaagster in de strafzaak volledig vrijgesproken
4 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder dat hij gedragsregels 7 en 15 en de kernwaarden integriteit, onafhankelijkheid, partijdigheid en vertrouwelijkheid heeft geschonden, doordat hij:
a) zonder enig overleg met, dan wel enige vorm van goedkeuring van klaagster, bijstand heeft verleend aan de medeverdachte van klaagster in een strafzaak (de heer S.), terwijl zijn kantoorgenoot in dezelfde strafzaak bijstand verleende aan klaagster en twee andere medeverdachten. Alle verdachten werden verdacht van hetzelfde strafbare feit, te weten poging tot doodslag op één en dezelfde persoon. Er is gelet hierop sprake van een tegenstrijdig belang;
b) zich onnodig grievend over klaagster heeft uitgelaten door in zijn verweer van 8 januari 2025 in deze klachtzaak als vaststaand feit op te nemen dat klaagster ‘het slachtoffer met een groot mes in de borst heeft gestoken’, terwijl klaagster dit feit ontkent (en zij inmiddels integraal is vrijgesproken door de rechtbank) en de cliënt van verweerder dit evenmin heeft beweerd.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad stelt voorop dat de tuchtrechter bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten moet toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de wettelijke norm, daarbij wel van belang zijn (direct of analoog). Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.2 Verder overweegt de raad dat een advocaat in het algemeen niet mag optreden tegen een (voormalig) cliënte van de advocaat of van een kantoorgenoot, zoals verwoord in gedragsregel 15. De advocaat mag zich immers niet in de situatie begeven waarin zij de kans loopt ten koste van haar (voormalig) cliënte in een belangenconflict te raken. Daarnaast moet de (voormalig) cliënte er volledig op kunnen vertrouwen dat gegevens over haar zaak die de (voormalig) cliënte aan de advocaat of zijn kantoorgenoot ter beschikking heeft gesteld, niet op enig moment tegen hem worden gebruikt. Dat vloeit al voort uit de geheimhoudingsplicht van de advocaat.
.
Ontvankelijkheid klachtonderdeel a)
5.3 Hoewel gedragsregel 15 in de gedragsregels is ingedeeld onder ‘De advocaat in de verhouding tot de cliënt’ en klaagster op geen moment een cliënte van verweerder is geweest, is de raad van oordeel dat klachtonderdeel a) toch ontvankelijk is. Klaagster en de heer S., de cliënt van verweerder, waren immers beiden verdachten in dezelfde strafzaak en verweerder heeft de heer S. bijgestaan terwijl zijn kantoorgenoot klaagster in de piketfase bijstand heeft verleend. In deze situatie zou eventueel sprake kunnen zijn van een belangenconflict. De raad heeft klachtonderdeel a) inhoudelijk beoordeeld.
Klachtonderdeel a)
5.4 De raad stelt voorop dat advocaten van hetzelfde kantoor meerdere verdachten in dezelfde strafzaak mogen bijstaan. Daarbij is niet vereist dat de belangen van deze verdachten volstrekt parallel zijn. Bepalend is of geen sprake is van tegenstrijdige belangen en van een situatie waarin een tegenstrijdig belang kan ontstaan (HvD 17 januari 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:14).
5.5 In dit geval is sprake van dezelfde strafzaak waarin verweerder medeverdachte de heer S. heeft bijgestaan en de kantoorgenoot van verweerder in de piketfase bijstand aan klaagster heeft verleend. De raad heeft op grond van de overgelegde stukken en de ter zitting door en namens klaagster afgelegde verklaring echter niet kunnen vaststellen dat sprake is van een evident en voorzienbaar (potentieel) tegenstrijdig belang of van de overdracht van vertrouwelijke informatie over klaagster door de kantoorgenoot van verweerder aan verweerder. De raad begrijpt dat klaagster dat wel zo heeft ervaren en dat zij er een probleem mee heeft dat de kantoorgenoot van verweerder behalve haar ook twee medeverdachten bijstand heeft verleend op het politiebureau, maar van concrete aanwijzingen dat informatie in het strafdossier terecht is gekomen door het delen daarvan door de kantoorgenoot met verweerder is niet gebleken. Uit de overgelegde stukken blijkt immers dat zowel klaagster als de heer S. hebben ontkend het strafbare feit waarvan zij werden verdacht te hebben gepleegd en uit de processen-verbaal van de verhoren van de heer S. (zie 2.4 en 2.6) blijkt bovendien dat hij niet in het nadeel van klaagster heeft verklaard en haar ook niet heeft beschuldigd. Het is verder ook niet gebleken dat de kantoorgenoot van verweerder tijdens de bijstand aan klaagster dossierstukken heeft ontvangen. Door de heer S. bijstand te verlenen, terwijl zijn kantoorgenoot klaagster tot en met het eerste verhoor op het politiebureau heeft bijgestaan, heeft verweerder dan ook niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Klachtonderdeel a) is ongegrond.
Klachtonderdeel b)
5.6 De raad is van oordeel dat verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van zijn opmerking over klaagster in zijn verweer tegen de klacht. Hoewel de betreffende opmerking van verweerder gelet op de strafzaak tegen klaagster en zijn cliënt ongelukkig en onhandig is, heeft verweerder dit in zijn dupliek rechtgezet en heeft hij in dat kader zijn excuses aangeboden. Van een onnodig grievende uitlating over klaagster is gelet op deze omstandigheden geen sprake. Klachtonderdeel b) is dan ook ongegrond
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klaagster
6.1 Klaagster stelt dat de raad heeft miskend dat sprake is van een evident en
voorzienbaar
(potentieel) tegenstrijdig belang. Verweerder trad op voor de medeverdachte, terwijl
zijn kantoorgenoot in de piketfase bijstand had verleend aan klaagster in dezelfde
strafzaak. De medeverdachte en klaagster werden verdacht van hetzelfde feit en konden
beiden als uitdrukkelijk ontkennende verdachten worden aangemerkt. In een dergelijk
scenario zijn de belangen van verdachten naar hun aard niet parallel, maar (potentieel)
tegengesteld. Uit bijlage 6 blijkt bovendien dat de medeverdachte is geconfronteerd
met onderdelen van de verklaring van klaagster en dat hun verklaringen elkaar (deels)
tegenspreken. Daarmee bestaat een reëel risico dat de schuld bij de ander wordt gelegd.
Dat de medeverdachte klaagster niet expliciet heeft beschuldigd, doet hieraan niet
af. Ook impliciet kan de verdediging van de één ten koste gaan van de ander, zeker
wanneer slechts één van beiden het letsel kan hebben toegebracht.
6.2 Klaagster vindt dat de raad een te beperkte maatstaf heeft aangelegd danwel de omstandigheden onvoldoende heeft gewogen door te oordelen dat geen sprake is van een evident en voorzienbaar (potentieel) tegenstrijdig belang. Onder de omstandigheden had verweerder zich moeten onthouden van bijstand aan de medeverdachte.
6.3 Voorts vindt klaagster dat de Raad heeft miskend dat de uitlating van verweerder onnodig grievend is. De deken achtte de uitlating wel onbetamelijk, maar niet grievend vanwege excuses achteraf. In het verweerschrift werd klaagsters betrokkenheid bij een ernstig geweldsdelict als feit gepresenteerd, niet als verdenking. Excuses achteraf nemen het grievende karakter niet weg. Deze uitlating bevestigt bovendien het tegenstrijdige belang: de verdediging van de medeverdachte ging hier feitelijk ten koste van de positie van klaagster.
Verweer verweerder
6.4 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
Overwegingen hof
7.2 Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling te komen dan de raad nu klaagster geen nieuwe argumenten heeft aangedragen die hiertoe zouden nopen, of die het hof tot nieuwe inzichten hebben gebracht. Het hof is met de raad van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een evident en voorzienbaar (potentieel) tegenstrijdig belang of van de overdracht van vertrouwelijke informatie over klaagster door de kantoorgenoot van verweerder aan verweerder. Het enkele feit dat beide verdachten een eigen aandeel ontkennen is in dit geval onvoldoende om een (potentieel) tegenstrijdig belang te kunnen of moeten aan te nemen.
7.3 Met betrekking tot klachtonderdeel b) onderschrijft het hof het oordeel van de raad dat verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van zijn opmerking over klaagster in zijn verweer tegen de klacht. Namens klaagster is ter zitting naar voren gebracht dat zij de opmerking als zeer onprettig heeft ervaren. Nu verweerder heeft erkend dat zijn opmerking ongelukkig en onhandig was en hij in dat kader zijn excuses heeft aangeboden, is ook het hof van oordeel dat van een onnodig grievende uitlating over klaagster geen sprake is. Daarbij is ook van belang dat verweerder deze (onjuiste) opmerking in reactie op de klacht – en dus in een enkel tussen klaagster en verweerder lopende procedure – in een brief aan de deken heeft gemaakt, waar geen derden bij betrokken waren.
Slotsom
7.4 De beslissing van de raad is op beide klachtonderdelen voldoende gemotiveerd en het hof sluit zich hierbij aan. Het hof verwerpt daarom het hoger beroep van klaagster en zal de beslissing van de raad bekrachtigen.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- bekrachtigt de beslissing van 2 februari 2026 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 25-526/A/NH.
Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort – de Bruin, voorzitter, mrs.
M.F. Baaij en J.M. Frons, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en
in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 17 augustus 2026.