ECLI:NL:TAHVD:2026:264 Hof van Discipline 's Gravenhage 260031
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:264 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 14-08-2026 |
| Datum publicatie: | 18-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260031 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen eigen advocaat in letselschadezaak. Bekrachtiging beslissing raad. Gedeeltelijk niet-ontvankelijk, voor zover klager te laat heeft geklaagd. Voor het overige is de klacht gegrond. Verweerder heeft onvoldoende regie genomen, hij heeft klager onvoldoende deskundig geadviseerd en bijgestaan in zijn geschil met de letselschadeverzekeraar en hij is gemaakte afspraken niet nagekomen. Onvoorwaardelijke schorsing van vier weken. |
Beslissing van 14 augustus 2026
in de zaak 260031
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerder
tegen:
klager
gemachtigde: mr. P.L.O. van de Waarsenburg
1 INLEIDING
Verweerder heeft klager bijgestaan in een letselschadezaak. De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft klager gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard, voor zover klager te laat heeft geklaagd. De raad heeft de klacht voor het overige gegrond verklaard. Verweerder heeft onvoldoende regie genomen, hij heeft klager onvoldoende deskundig geadviseerd en bijgestaan in zijn geschil met de letselschadeverzekeraar en hij is gemaakte afspraken niet nagekomen. Het hof bekrachtigt de beslissing van de raad.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 25-404/AL/MN) een beslissing gegeven op 12 januari 2026. De raad heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel a) en in klachtonderdeel b) voor zover dat de sub-verwijten (i) en (ii) betreft. De raad heeft klachtonderdeel b) voor het overige gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel opgelegd van een onvoorwaardelijke schorsing in de praktijkuitoefening van vier weken. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht en de proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2026:8 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 21 juli 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof de stukken van de raad.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van
19 juni 2026. Daar is de gemachtigde van klager verschenen. Verweerder was met bericht
afwezig.
3 FEITEN
In de beslissing van de raad zijn de feiten vastgesteld. Er is in hoger beroep geen aanleiding deze feitenvaststelling te wijzigen. De door de raad vastgestelde feiten vormen dus ook in hoger beroep het uitgangspunt bij de beoordeling van de klacht.
4 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep nog van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) (…)
b) de zaak van klager niet zorgvuldig te behandelen door misbruik te maken van de kwetsbare positie van klager.
Toelichting: (…) Ondanks aandringen door klager en verschillende e-mailberichten van ASR heeft verweerder de zaak niet voortvarend behandeld en daarover onvoldoende met klager gecommuniceerd. Als reden voor de vertraging in de drie jaar van de opdracht voerde verweerder telkens omstandigheden buiten zijn controle aan en bizarre excuses (iii). Verweerder heeft ondermaats gepresteerd. Zo heeft verweerder op 30 november 2023 een te laag afwikkelingsvoorstel aan ASR gedaan van € 50.000,- zonder dat met de van klager ontvangen relevante medische stukken te onderbouwen. Verweerder heeft alleen een verklaring van de fysiotherapeut van klager bijgevoegd terwijl hij over andere relevante medische informatie van klager beschikte (iv).
5 BEOORDELING
Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad heeft gedaan. Het hof sluit zich aan bij de beoordeling van de raad en neemt die over. Het hof verwerpt de beroepsgronden van verweerder en zal de beslissing van de raad bekrachtigen.
6 PROCESKOSTEN
6.1 Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd,
zal het hof verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet
veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling
Hof van Discipline 2021:
a) € 525,- [€ 525,- per punt] kosten voor rechtsbijstand van klager;
b) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;
c) € 1.000,- kosten van de Staat.
6.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 525,- aan kosten van klager binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn/haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
6.3 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.
7 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
7.1 bekrachtigt de beslissing van 12 januari 2026 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 25-404/AL/MN;
7.2 bepaalt dat de schorsing in de uitoefening van de praktijk ingaat op 14 september
2026, met dien verstande dat:
- deze schorsing pas ingaat na afloop van eerder onherroepelijk geworden schorsingen;
- verschillende op dezelfde dag onherroepelijk geworden schorsingen niet tegelijkertijd
maar na elkaar worden tenuitvoergelegd, en dat;
- deze schorsing niet ten uitvoer zal worden gelegd gedurende de tijd dat verweerder niet op het tableau staat ingeschreven;
7.3 veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 525,- aan klager, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
7.4 veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.
Deze beslissing is gewezen door mr. J.D. Streefkerk, voorzitter, mrs. M.S.A. van
Dam,
E.A.H. van der Voort Maarschalk, I.P.A. van Heijst en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid
van mr. N.A.M. Sinjorgo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 augustus
2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 14 augustus 2026.