ECLI:NL:TAHVD:2026:256 Hof van Discipline 's Gravenhage 260300

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:256
Datum uitspraak: 06-08-2026
Datum publicatie: 06-08-2026
Zaaknummer(s): 260300
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht tegen een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe. De klacht van klager over verweerder heeft betrekking op het dekenaal onderzoek dat verweerder heeft uitgevoerd naar aanleiding van de tuchtklacht die klager over mr. W heeft ingediend. Een klacht over een deken is geen middel om de inhoud van een dekenvisie op een tuchtklacht over een andere advocaat ter discussie te stellen.

Beslissing van de voorzitter van

het Hof van Discipline

van  6 augustus 2026

in de zaak 260300

naar aanleiding van de klacht van:

klager

tegen:

mr. A.C. Steensma

advocaat en waarnemend deken te Rotterdam

verweerder

1 HET VERZOEK

1.1 De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht van 24 maart 2026 van het secretariaat van de deken te Rotterdam. Hierin is een klacht van klager over verweerder onder de aandacht van het hof gebracht.

1.2 De klacht houdt in dat verweerder zich in zijn hoedanigheid als waarnemend deken schuldig maakt aan bewuste dossiermanipulatie, medeplichtigheid aan procedurele obstructie en partijdigheid. In plaats van als onafhankelijke toezichthouder een objectieve toetsing ('due diligence') uit te voeren, weigert hij essentiƫle bewijsstukken toe te voegen aan een klachtdossier dat naar de tuchtrechter gaat. Hij neemt hiermee de partijdige visie van zijn collega-deken (mr. Padberg) klakkeloos over en houdt de hand boven het hoofd van zijn collega's, met als uitsluitend doel klager buitenspel te zetten en een eerlijk proces te frustreren.

1.3 Klager heeft op het webformulier van 23 maart 2026 vermeld dat verweerder op 23 maart 2026 het klachtdossier ter doorzending aan de Raad van Discipline (zaak 26-239/DH/RO) heeft aangeleverd, voorzien van een gemutileerde inventarislijst waaruit het volledige adviesdossier en alle communicatie over de dekenale inmenging moedwillig is weggelaten. Klager stelt dat dit een grove schending is van artikel 46c lid 3 van de Advocatenwet, dat vereist dat het volledige en ongecensureerde dossier aan de tuchtrechter wordt overgedragen.

2 DE BEOORDELING

2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht tegen een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.

2.2 De klacht van klager over verweerder heeft betrekking op het dekenaal onderzoek dat verweerder heeft uitgevoerd naar aanleiding van de tuchtklacht die klager over mr. W heeft ingediend. Een klacht over een deken is geen middel om de inhoud van een dekenvisie op een tuchtklacht over een andere advocaat ter discussie te stellen. Klager kan de klacht over mr. W, na betaling van het griffierecht, voorleggen aan de Raad van Discipline en laten beoordelen door de tuchtrechter. Binnen de kaders van die procedure kan klager naar voren brengen op welke punten de visie en handelwijze van verweerder (in zijn hoedanigheid van deken) volgens klager niet deugen. Uit de stukken kan worden opgemaakt dat klager dit ook heeft gedaan en dat het klachtdossier op 23 maart 2026 is doorgezonden aan de raad Den Haag. De zaak is daar bekend onder nummer zaak 26-239/DH/RO. Daarom zal de voorzitter in rubriek 1. genoemde klacht over verweerder niet verwijzen.

 BESLISSING

De voorzitter van het Hof van Discipline:

wijst het verzoek tot verwijzing af.


Deze beslissing is genomen op 6 augustus 2026 door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter.

Plaatsvervangend voorzitter

De beslissing is verzonden op 6 augustus 2026.