ECLI:NL:TAHVD:2026:255 Hof van Discipline 's Gravenhage 260295

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:255
Datum uitspraak: 06-08-2026
Datum publicatie: 06-08-2026
Zaaknummer(s): 260295
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Afwijzing verzoek tot verwijzing op grond van artikel 46c lid 5 Advocatenwet. Het klachtrecht is niet bedoeld om te klagen over procedurele beslissingen die een deken tijdens het klachtonderzoek neemt (zoals het doorgeven van reactiemogelijkheden en termijnen aan partijen). Klager kan, na afronding van het klachtonderzoek door de deken en na betaling van het griffierecht, zijn klacht over mr. S laten toetsen door de raad van discipline. Binnen de kaders van die procedure kan klager al zijn bezwaren over het klachtonderzoek door de deken en de daarin door de deken genomen procedurele beslissingen onder de aandacht van de raad van discipline brengen. Daarom zal de voorzitter de klacht over de deken niet verwijzen.

Beslissing van de voorzitter van

het Hof van Discipline

van 6 augustus 2026

 in de zaak 260295

naar aanleiding van het verzoek van:

klager

tegen:

mr. F.A. ten Berge

advocaat en deken van de Orde van Advocaten Midden-Nederland

de deken

1 HET VERZOEK

De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht met bijlagen van 17 juli 2026 waarin klager een klacht indient over de deken met het verzoek deze in behandeling te nemen.  

2 DE BEOORDELING

2.1 Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht over een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.

2.2 Uit het e-mailbericht van klager leidt de voorzitter af dat zijn klacht betrekking heeft op procedurele beslissingen van de deken (doorgeven van reactiemogelijkheden en termijnen aan partijen) in het bij de deken lopende onderzoek naar de klacht van klager over mr. S. Klager voegt daar aan toe dat de stafjurist van de deken een eigen positie heeft ingenomen in de klachtbehandeling en er feitelijk geen toezicht is van de deken zelf.

2.3 Het klachtrecht is niet bedoeld om te klagen over procedurele beslissingen die een deken tijdens een klachtonderzoek neemt. Klager kan, na afronding van het klachtonderzoek door de deken en na betaling van het griffierecht, zijn klacht over mr. S laten toetsen door de raad van discipline. Binnen de kaders van die procedure kan klager al zijn bezwaren over het klachtonderzoek door de deken en de daarin door de deken genomen procedurele beslissingen onder de aandacht van de raad van discipline brengen. Dat de stafjurist namens de deken met klager correspondeert is overigens geen aanwijzing dat de stafjurist een eigen positie heeft ingenomen. De stafjurist handelt onder de verantwoordelijkheid van de deken.

2.4 Gelet op het voorgaande zal de voorzitter de klacht van klager over de deken niet verwijzen.

2.5 Aanvullend merkt de voorzitter het volgende op. Klager heeft eerder, op 1 juli 2026, ook al een klacht ingediend over een procedurele beslissing van de deken. Deze klacht is bij beslissing van 23 juli 2026 (ook) niet verwezen naar een andere deken (HvD 23 juli 2026, ECLI:NL:TAHVD:2026:235). Klager dient er rekening mee te houden dat een volgende klacht over een procedurele beslissing van de deken in dezelfde klachtprocedures over mr. S als misbruik van recht kan worden gekwalificeerd en op die grond zal worden afgewezen.

3 BESLISSING

De voorzitter van het Hof van Discipline:

- wijst het verzoek tot verwijzing af.


Deze beslissing is genomen op 6 augustus 2026 door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter.

Plaatsvervangend voorzitter

De beslissing is verzonden op 6 augustus 2026.