ECLI:NL:TAHVD:2026:252 Hof van Discipline 's Gravenhage 260057

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:252
Datum uitspraak: 03-08-2026
Datum publicatie: 04-08-2026
Zaaknummer(s): 260057
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Beroep bij het hof niet-ontvankelijk. De door appellante aangevoerde redenen leiden er niet toe dat de termijnoverschrijding als verschoonbaar kan worden aangemerkt. Het is de eigen keuze geweest van appellante om correspondentie van de deken en/of de raad niet te openen of niet daarop te reageren. 

Beslissing van het Hof van Discipline 

van 31 juli 2026 
in de zaak 260057

naar aanleiding van het beroep van 

appellante

1 DE PROCEDURE  

1.1 Appellante heeft op 20 december 2025 bij het hof van discipline (hierna: het hof) een beroepschrift op nader aan te voeren gronden met bijlagen ingediend inzake bezwaar/beroep tegen schorsing voor onbepaalde tijd in de uitoefening van de praktijk met ingang van 20 december 2010, gevolgd door schrapping van het tableau door de Arrondissementsrechtbank Amsterdam op 
9 oktober 2013 (kenmerk rekestnummer 13.2179KG). Het beroepschrift is op 5 januari 2026 op de griffie van het hof ontvangen. 

1.2 Appellante verzoekt het hof om toezending van het dossier en een termijn voor het indienen van gronden. Als toelichting geeft appellante aan dat de zaak bij verstek is behandeld, niet blijkt dat appellante deugdelijk is opgeroepen danwel appellante van de beslissingen op de hoogte is gesteld waardoor overschrijding van de termijn verschoonbaar is. Indien appellante deugdelijk is opgeroepen, is overschrijding van de termijn voor het indienen van een beroepschrift niet verwijtbaar, aldus appellante. 

1.3 Op 20 januari 2026 heeft het hof appellante gevraagd een afschrift toe te sturen van de beslissing waartegen het beroep van appellante is gericht. 

1.4 Bij brief van 26 januari 2026 (bij het hof binnengekomen op 27 januari 2026) heeft appellante een kopie toegestuurd van de beslissing van de raad van discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) van 14 december 2010 (zaaknummer 10-196A). Appellante laat weten dat zij ook beroep instelt tegen de beslissing van de voorzitter van de raad van 2 augustus 2010. Appellante heeft van die beslissing geen kopie meegestuurd. 

1.5 Appellante verzoekt het hof in haar brief van 26 januari 2026 om toezending van het verzoek van de deken en bijbehorende stukken. Ook vraagt appellante om een afschrift van de voorzittersbeslissing van 2 augustus 2010. Tevens verzoekt appellante om een termijn voor het indienen van de gronden van het beroep. Daarnaast verzoekt appellante om een vergoeding in de vorm van een geldsom omdat de schorsing die de raad van discipline in het ressort Amsterdam heeft opgelegd schade heeft veroorzaakt. 

1.6 Bij brief van 29 januari 2026 heeft het hof appellante verzocht toe te lichten waarom zij nu pas beroep instelt tegen de beslissing van 14 december 2010. 

1.7 Bij brief van 11 februari 2026 (ontvangen op de griffie van het hof op 12 februari 2026) heeft appellante als redenen voor de termijnoverschrijding aangevoerd dat zij correspondentie van de deken en de raad van discipline ongeopend heeft gelaten en het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Suriname in november 2009 heeft geweigerd om aan appellante een Nederlands paspoort af te geven waardoor zij destijds niet naar Nederland kon reizen. 

1.8 Als toelichting op de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding wijst appellante (samengevat) op de redenen van het ongeopend laten van correspondentie en de (naar het hof begrijpt) door appellante gemaakte afweging dat de mogelijke inhoud van de correspondentie van de deken geen onmiddellijke beantwoording behoefde. Als bijlagen heeft appellante het proces-verbaal van diefstal van haar paspoort op 20 november 2009 toegestuurd alsmede een dagvaarding waarin appellante de Nederlandse Staat heeft gedagvaard in kort geding op 12 april 2012 (naar het hof begrijpt vanwege het uitblijven van een nieuw paspoort). De overige argumenten van appellante zien op de inhoud van de beslissingen van (de voorzitter van) de raad van 2 augustus 2010 en 
14 december 2010.

1.9 Bij brief van 6 maart 2026 heeft het hof aan appellante laten weten dat zij op grond van artikel 2 e.v. Advocatenwet bij de raad van discipline in het ressort waar appellante kantoor houdt danwel wenst te houden een nieuw verzoek tot inschrijving kan indienen. In het geval appellante nog ingeschreven mocht staan, kan zij op grond van artikel 60b lid 7 Advocatenwet de raad die de beslissing van 14 december 2010 heeft genomen verzoeken om de schorsing op te heffen. Tegen die beslissing kan appellante (mocht zij dat willen) beroep instellen bij het hof. Vanwege deze mogelijkheden die de Advocatenwet biedt is ten slotte aan appellante medegedeeld dat naar het voorlopig oordeel van het hof het belang van haar beroep tegen de beslissing van de raad van 
14 december 2010 is komen te ontvallen en appellante er rekening mee dient te houden dat het ingediende beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Aan appellante is verzocht om uiterlijk 
3 april 2026 aan het hof te berichten of zij haar beroep intrekt. 

1.10 Op 25 maart 2026 heeft appellante in een e-mailbericht aan het hof laten weten dat haar beroep alleen voor intrekking vatbaar is indien op haar verzoek tot nadeelcompensatie ingevolge artikel 4 lid 5 Algemene wet bestuursrecht is beslist. 

1.11 In een niet-gedateerde brief van appellante, die op de griffie van het hof is ontvangen op 3 april 2026, gaat appellante onder meer in op de door haar verzochte nadeelcompensatie over de periode november 2006 tot en met heden.

1.12 Op 9 april 2026 heeft het hof in een e-mailbericht aan appellante laten weten dat het hof haar verzoek om nadeelcompensatie niet in behandeling neemt omdat het hof daartoe geen bevoegdheid heeft. 

1.13 Bij e-mail van 10 april 2026 heeft appellante haar verzoek om nadeelcompensatie opnieuw in een bericht onder de aandacht van het hof gebracht. Diezelfde dag heeft het hof schriftelijk herhaald dat het verzoek om nadeelcompensatie van appellante niet in behandeling neemt. 

1.14 Het hof heeft het beroep van appellante op basis van de stukken in het dossier behandeld.  

2 BEOORDELING VAN DE ONTVANKELIJKHEID 

2.1 De beslissing van de raad van 14 december 2010 ziet op schorsing van appellante in de uitoefening van haar praktijk met ingang van 20 december 2010. Appellante heeft in haar beroepschrift gesteld dat zij met ingang van 9 oktober 2013 zou zijn geschrapt van het tableau.
Wat hiervan ook zij (het hof kan dat op basis van de stukken niet vaststellen), de Advocatenwet biedt aan appellante de mogelijkheid om te verzoeken ofwel weer ingeschreven te worden op het tableau (art. 2 e.v. Advocatenwet) danwel om opheffing van de schorsing (op grond van art. 60b lid 7 Advocatenwet). 

2.2 Wat daar verder ook van zij, op het moment van indienen van het beroepschrift was de beroepstermijn ruimschoots verstreken. De door appellante aangevoerde redenen leiden er niet toe dat die termijnoverschrijding als verschoonbaar kan worden aangemerkt. Het is de eigen keuze geweest van appellante om correspondentie van de deken en/of de raad niet te openen of niet daarop te reageren. Indien zij wel berichten van derden (zoals de deken en de raad) in Suriname had willen ontvangen (en lezen) had het op haar weg gelegen deze derden duidelijk kenbaar te maken op welk (e-mail)adres zij bereikbaar was in de periode dat zij in Suriname verbleef. 

2.3 Het hof zal appellante daarom niet-ontvankelijk verklaren in haar beroep. 

3 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart appellante niet-ontvankelijk in het door haar ingestelde beroep. 


Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. A.R. Sturhoofd en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026.
 


griffier    voorzitter            

De beslissing is verzonden op 31 juli 2026.