ECLI:NL:TAHVD:2026:251 Hof van Discipline 's Gravenhage 260106V

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:251
Datum uitspraak: 31-07-2026
Datum publicatie: 03-08-2026
Zaaknummer(s): 260106V
Onderwerp: Tuchtprocesrecht
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Verzet tegen voorzittersbeslissing ongegrond. Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan die van de voorzitter. Hetgeen klager in zijn klacht, in zijn toelichting daarop, alsook in zijn verzetschrift, naar voren heeft gebracht, houdt verband met het onderzoek van de deken van de klachten die klager over mrs. B en B heeft ingediend. Het hof sluit zich om die reden aan bij de beoordeling van de voorzitter en neemt die over. De door klager aangehaalde uitspraak van het hof van discipline van 30 maart 2026 (ECLI:NL:TAHVD:2026:91) ziet op een geheel andere kwestie en mist toepassing in deze zaak. De overige verzoeken van klager blijven buiten behandeling omdat het hof daartoe geen wettelijke bevoegdheid heeft. Wat in verzet verder nog naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel.


Beslissing van 31 juli 2026
in de zaak 260106V

naar aanleiding van het verzet 
tegen de beslissing van de voorzitter van het hof 
van 16 april 2026 op de klacht van:

klager


tegen:


mr. J.H. Stek
advocaat en deken van de Orde van Advocaten Amsterdam

de deken
 


1    DE PROCEDURE 

1.1    Met de beslissing van 16 april 2026 heeft de voorzitter van het hof het verzoek van klager tot verwijzing van de klacht over de deken afgewezen. Deze beslissing is onder ECLI:NL:TAHVD:2026:109 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

1.2    Het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter is op 16 april 2026 ontvangen door de griffie van het hof. Behalve het verzetschrift bevat het dossier de stukken die in verband met het verwijzingsverzoek aan het hof zijn verstrekt. Het dossier bevat daarnaast:
-verweerschrift
-repliek
-dupliek. 

1.3    Het hof heeft het verzet van klager behandeld op basis van de stukken in het dossier. 


2    FEITEN

2.1    Klager heeft in een e-mailbericht met bijlagen van 27 maart 2026 een klacht over de deken ingediend en het hof verzocht om deze klacht als een zelfstandige klacht te beschouwen omdat klager zijn bezwaren die raken aan het dekenaal vooronderzoek in de klachtprocedures bij de raad van discipline onder de aandacht heeft gebracht. Klager is van mening dat de deken de klachtbehandeling zodanig heeft ingericht dat een open, evenwichtige en toetsbare beoordeling van zijn klachten niet langer was gewaarborgd. Klager heeft het hof verzocht zijn klacht in behandeling te nemen en op de in die klacht opgenomen verzoeken te beslissen. 

2.2    De klacht van klager over de deken hangt samen met in 2025 door klager over twee advocaten (mrs. B en B) bij de deken ingediende klachten die (zo begrijpt het hof) na het onderzoek van de deken aan de raad van discipline ter beslissing zijn voorgelegd. Over de wijze waarop de stafjurist van de deken de klachten over mrs. B en B heeft onderzocht, heeft klager ook geklaagd. Die klacht is bij voorzittersbeslissing van 16 oktober 2025 niet doorverwezen (zie ECLI:NL:TAHVD:2025:199). Daarbij is overwogen dat het klachtrecht niet bedoeld is om de werkwijze van de Amsterdamse Orde van Advocaten aan de orde te stellen. 

2.3    Ten aanzien van de klacht van klager over de deken heeft de voorzitter overwogen dat, mede gelet op de toelichting die klager heeft gegeven en de door klager meegestuurde bijlagen (en in tegenstelling tot wat klager daarover heeft opgemerkt) zijn klacht over de deken wel de strekking heeft om de werkwijze van de Amsterdamse deken  in zijn onderzoek naar de door klager ingediende klachten over de advocaten B en B aan de orde te stellen. Het klachtrecht is er niet voor bedoeld om te klagen over de procedurele beslissingen die de deken heeft genomen in het kader van het onderzoek (zoals het hanteren van termijnen en het al dan niet toelaten van stukken). Die bezwaren kunnen in de procedure bij de raad van discipline onder de aandacht worden gebracht. Bij de raad kunnen ook nog stukken worden ingediend. Klager kan tegenover de raad van discipline toelichten waarom de deken volgens klager niet juist heeft gehandeld en wat er volgens klager in het klachtonderzoek niet goed is gegaan. In het geval beroep openstaat voor klager bij het hof kan klager dat ook (alsnog) bij het hof doen. Daarom is volgens de voorzitter geen sprake van een zelfstandige klacht over de deken waarvoor het tuchtklachtrecht is bedoeld en om die reden heeft de voorzitter de klacht van klager over de deken niet verwezen naar een andere deken. Verder is opgemerkt dat het hof geen wettelijke bevoegdheid heeft om te beslissen op de overige door klager aan het hof gedane verzoeken.  


3    HET VERZET

De gronden van verzet
3.1    Klager heeft – samengevat – aan het verzet ten grondslag gelegd dat de beslissing een dragende motivering mist. De klacht van klager is in de beslissing ten onrechte van een ander etiket voorzien en daarom niet gekwalificeerd als een zelfstandige klacht over de deken. Daardoor is het hof niet ingegaan op wat klager in zijn klacht aan de orde heeft gesteld: selectieve dossieropbouw, asymmetrische procesvoering, uitsluiting van belastend materiaal zonder kenbare grondslag en afgeschermde niet-toetsbaarheid. Volgens klager valt zijn klacht over de deken niet binnen de sfeer van onvrede over het vooronderzoek. De door het hof toegepaste heretikettering is volgens klager niet in lijn met de Leidraad onpartijdigheid en integriteit van het hof.

3.2    Klager wijst erop dat een eerdere klacht van hem over een stafjurist van de Orde van Advocaten Amsterdam ook niet werd beschouwd als een zelfstandige klacht maar (volgens klager ten onrechte) werd gereduceerd tot onvrede over de kwaliteit van de dienstverlening van de stafjurist waarbij klager werd verwezen naar de interne klachtenbehandeling of de hoofdzaak bij de raad van discipline.

3.3     Verder is klager van mening dat uit de uitspraak van het hof van 30 maart 2026 (ECLI:NL:TAHVD:2026:91) volgt dat een dekenprocedure in strijd kan zijn met het rechtszekerheidsbeginsel. De klacht van klager raakt niet alleen aan het onderzoek van de deken maar ook aan toezicht/governance door de deken. Als het hof weigert de klacht te onderzoeken maakt dat het hof ongeloofwaardig. 
 
Het verweer
3.4    De deken heeft tegen het verzet aangevoerd dat het in de klachten van klager over mrs. B en B verrichte klachtonderzoek door de deken is gebaseerd op de Leidraad dekenaal klachtonderzoek. Het klachtrecht is niet bedoeld om onvrede over de werkwijze van de Amsterdamse Orde van Advocaten of de wijze waarop het klachtonderzoek wordt ingericht ter discussie te stellen. Volgens de deken bevat het verzetschrift van klager geen gronden die kunnen leiden tot een andere beslissing dan die van de voorzitter. De deken verzoekt het hof het verzet ongegrond te verklaren. 


4    BEOORDELING 

Verzet mogelijk? 
4.1    De beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is ingesteld, ziet op de situatie als bedoeld in artikel 46c lid 5 Advocatenwet. In dit artikel is bepaald dat de voorzitter klachten over dekens verwijst naar een deken van een andere orde om de klacht te laten onderzoeken en af te handelen. 

4.2    De wet voorziet niet in de mogelijkheid van afwijzing van het verzoek en ook niet in een bijbehorend rechtsmiddel tegen die afwijzing. Het hof is echter van oordeel dat verzet mogelijk moet zijn als de voorzitter het verwijzingsverzoek afwijst. Om die reden heeft het hof de mogelijkheid van verzet tegen afgewezen verwijzingsverzoeken vastgelegd in artikel 13 van het procesreglement.

Maatstaf
4.3    Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

Beoordeling 
4.4    Het hof ziet op basis van het onderzoek in verzet geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan die van de voorzitter. Hetgeen klager in zijn klacht, in zijn toelichting daarop, alsook in zijn verzetschrift, naar voren heeft gebracht, houdt verband met het onderzoek van de deken van de klachten die klager over mrs. B en B heeft ingediend. Het hof sluit zich om die reden aan bij de beoordeling van de voorzitter en neemt die over. De door klager aangehaalde uitspraak van het hof van discipline van 30 maart 2026 (ECLI:NL:TAHVD:2026:91) ziet op een geheel andere kwestie en mist toepassing in deze zaak. De overige verzoeken van klager blijven buiten behandeling omdat het hof daartoe geen wettelijke bevoegdheid heeft. Wat in verzet verder nog naar voren is gebracht, leidt niet tot een ander oordeel.

4.5    Het voorgaande betekent dat het hof het verzet van klager ongegrond zal verklaren.

5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het verzet ongegrond.


Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. A.R. Sturhoofd en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026.
 

griffier    voorzitter             

De beslissing is verzonden op 31 juli 2026