ECLI:NL:TAHVD:2026:250 Hof van Discipline 's Gravenhage 260155
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:250 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-08-2026 |
| Datum publicatie: | 03-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260155 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 advocatenwet ongegrond. Het hof onderschrijft het standpunt van de deken dat er geen grond was voor aanwijzing van een advocaat omdat klaagster op het moment van het verzoek de bijstand van een advocaat had. Het feit dat de advocaat van klaagster zich heeft onttrokken, heeft de deken terecht geen reden gegeven om zijn standpunt te herzien. De deken heeft er met juistheid op gewezen dat de advocaat ‘dominus litis’ is. Het hof onderschrijft de toelichting van de deken dat de advocaat bij de behandeling van de zaak de leiding heeft en dat het -mede- aan de opstelling van klaagster te danken is dat de advocaat zich heeft onttrokken. De deken heeft in dit verband er terecht op gewezen dat artikel 13 Advocatenwet een aanvullende voorziening betreft en niet een remedie is voor een verschil van inzicht over de professionele beoordeling van de zaak. (zie bijvoorbeeld HvD 30 oktober 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:202). |
Beslissing van 3 augustus 2026
in de zaak 260155
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klaagster
tegen:
mr. A.G. Moeijes
Deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Noord-Holland
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klaagster heeft op 2 april 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 23 april 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klaagster al wordt bijgestaan door een advocaat.
Bij het hof
1.3 Klaagster heeft op 28 april 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken
- de repliek
- de dupliek
1.5 Het hof heeft het verzoek behandeld op basis van de stukken in het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klaagster wil bij de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar een civiele procedure starten tegen de voormalig executeur van de nalatenschap van haar moeder. Klaagster heeft verschillende advocaten benaderd. Deze hebben aangegeven dat zij de zaak niet in behandeling willen nemen. Ter onderbouwing van het verzoek heeft klaagster het volledig juridisch dossier aan de deken gestuurd.
2.2 De deken heeft contact gezocht met de advocaat die klaagster al een aantal jaar bijstaat, mr. Z. Deze advocaat heeft gezegd dat zij klaagster als advocaat wil bijstaan, maar wel op de door haar geadviseerde wijze. Mr. Z wil de kwestie middels bemiddeling afdoen in plaats van via een procedure bij de rechtbank. Klaagster was het niet eens met dit advies en heeft aan mr. Z te kennen gegeven dat zij een andere advocaat gaat zoeken. Klaagster heeft mr. Z verzocht het dossier door te zenden aan haar nieuwe advocaat die zij “met warme verwijzing” toegewezen heeft gekregen door het Juridisch Loket. In reactie op de vraag van de deken om te reageren op dit aanbod van mr. Z heeft klaagster te kennen gegeven dat het verwezen kantoor heeft geweigerd de toevoeging over te nemen. Klaagster heeft de deken verzocht om mr. Z op te dragen om het dossier over te dragen aan de opvolgende advocaat, zich formeel te onttrekken, het volledige dossier en de urenregistratie te doen toekomen, te beoordelen of de door mr. Z gestelde voorwaarde dat uitsluitend bijstand wordt verleend als haar voorwaarde wordt opgevolgd verenigbaar is met artikel 10 Advocatenwet en Gedragsregel 7 en te beoordelen of mr. Z heeft gehandeld in strijd met Gedragsregel 16.
2.3 De deken heeft met het besluit van 23 april 2026 het verzoek van klaagster om aanwijzing van een advocaat afgewezen. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat klaagster niet voldoet aan de vereisten van artikel 13 Advocatenwet. Klaagster heeft een advocaat -mr. Z- die haar kan bijstaan. De deken heeft erop gewezen dat een advocaat een eigen, zelfstandige verantwoordelijkheid draagt voor de wijze waarop een procedure wordt gevoerd. Deze professionele autonomie vormt een wezenlijk onderdeel van de uitoefening van het advocatenberoep. De advocaat bepaalt de juridische strategie en proceshouding, met inachtneming van het recht en proceshouding. De advocaat is niet gehouden een aanpak te volgen die zij juridisch onhaalbaar acht. De deken heeft erop gewezen dat als er sprake is van een fundamenteel verschil van inzicht over de aanpak van de zaak, het klaagster vrij staat om een andere advocaat te zoeken. Verder heeft de deken aan klaagster in overweging gegeven om met haar advocaat in gesprek te gaan om samen tot een strategie te komen. Volgens de deken is artikel 13 Advocatenwet niet bedoeld als remedie voor een verschil van inzicht over de professionele beoordeling van de zaak.
2.4 Op 4 mei 2026 heef mr. Z aan de advocaat van de wederpartij laten weten dat zij zich onttrekt als advocaat van klaagster. Aan klaagster heeft mr. Z medegedeeld dat zij het dossier zal sluiten en zal overdragen aan een nieuwe advocaat.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen.
Beklaggrond 1 De deken gaat ten onrechte uit van „beschikbaarheid” van mr. Z
3.2 De deken oordeelt in punt 3.8 van zijn beslissing dat er geen aanleiding is een advocaat aan te wijzen, omdat mr. Z heeft aangeboden klaagster nog bij te staan. In punt 3.5 stelt de deken dat de professionele autonomie van de advocaat de processuele strategie bepaalt.
Dit oordeel is volgens klaagster om de volgende redenen in strijd met de wet:
– Artikel 10a lid 1 onder d Advocatenwet wijst de beslissing óf er geprocedeerd wordt uitdrukkelijk toe aan de cliënt, niet aan de advocaat. De professionele autonomie van de advocaat betreft de wijze waarop een procedure wordt gevoerd, niet de vraag of deze wordt gevoerd.
– Mr. Z heeft haar verdere bijstand uitsluitend aangeboden onder de voorwaarde dat klaagster afziet van haar recht op een gerechtelijke procedure. Dit is een rechtens onaanvaardbare voorwaarde.
– Een advocaat die uitsluitend wil bijstaan op voorwaarde dat de cliënt niet naar de rechter gaat, is niet „beschikbaar” in de zin van artikel 13 Advocatenwet.
– Mr. Z heeft op 20 januari 2026 schriftelijk aan mr. L (de advocaat van de wederpartij) bevestigd dat zij opdracht had om te procederen en dat haar processtuk op korte termijn te verwachten was . Dit gegeven heeft mr. Z niet aan de Orde verstrekt. De Orde heeft haar beslissing genomen zonder kennis te dragen van dit cruciale stuk.
– Mr. Z heeft tegenover klaagster en tegenover de wederpartij tegenstrijdige mededelingen gedaan. De Orde heeft dit tegenstrijdige gedrag niet in haar beoordeling betrokken.
Beklaggrond 2 – Het haalbaarheidsadvies van mr. Z is ondeugdelijk
3.3 De deken mag een haalbaarheidsadvies meewegen, maar uitsluitend als dit advies zorgvuldig en onderbouwd tot stand is gekomen. Dat is hier niet het geval:
– Mr. Z heeft schriftelijk erkend geen expertise te hebben in civiele schadeclaims, terwijl de zaak juist om dergelijke vorderingen draait.
– Slechts 34 dagen eerder had mr. Z tegenover de advocaat van de wederpartij een procedure aangekondigd. Er zijn geen nieuwe feiten gebleken die deze koerswijziging kunnen rechtvaardigen.
– Het Juridisch Loket heeft op 6 maart 2026 na eigen inhoudelijke beoordeling de schade op minimaal € 20.000 gesteld. De deken heeft dit onafhankelijke oordeel niet in zijn beslissing betrokken.
– De deken heeft nagelaten zelfstandig te toetsen of het dossier dat mr. Z aanleverde volledig was. De e-mail van 20-01-2026 (aankondiging procedure richting mr. L) ontbreekt aantoonbaar in het door mr. Z aangeleverde dossier.
Beklaggrond 3 – De negen afwijzingen tonen een structureel probleem, geen inhoudelijk oordeel
3.4 De deken stelt dat de art. 13 procedure niet bedoeld is om het vinden van een advocaat te vergemakkelijken. Klaagster stelt vast dat zij er aantoonbaar niet in is geslaagd een advocaat te vinden – precies de situatie waarop artikel 13 Advocatenwet ziet.
3.5 Geen van de negen afwijzingen is gebaseerd op een inhoudelijke beoordeling van de zaak. De redenen zijn capaciteit, specialisatie, tegenstrijdig belang en – bij kantoor nr. 9 – de structurele blokkering van de toevoeging door mr. Z. De afwijzingen zijn daarmee het directe gevolg van omstandigheden die buiten de invloedssfeer van klaagster liggen.
Beklaggrond 4 – Schending van artikel 6 EVRM: recht op toegang tot de rechter
3.6 Klaagster is door de rechtbank aangesteld als vereffenaar (art. 4:203 BW). Zij heeft een wettelijke plicht de vorderingen van de nalatenschap te innen. Door haar geen advocaat aan te wijzen die bereid is te procederen, ontneemt de deken haar feitelijk de toegang tot de rechter. Dit is in strijd met artikel 6 EVRM.
Beklaggrond 5 – Dringend belang: aantoonbare en oplopende schade aan de nalatenschap
3.8 De schade aan de nalatenschap is reeds bewezen en loopt verder op door elke dag dat klaagster geen advocaat heeft:
– De Suzuki Alto (BOVAG-waarde € 3.950) is onherstelbaar vernietigd op 19 december 2025 – ruim vijf maanden nadat mr. Z op 16 juli 2025 een tweede formele sommatie had verstuurd, zonder ooit conservatoir beslag te hebben gevraagd. De heer De B heeft de sloop zelf erkend.
– Meerdere boedelgoederen zijn aantoonbaar verdwenen: het kinderbed van de minderjarige zoon van klaagster, een hobbelpaard, het Wedgwood ”Briar Rose”-servies en veertig jaar dagboeken van erflaatster.
– Vorderingen teruggaand tot 2018 zijn niet gestuit; stuiting heeft nimmer plaatsgevonden. De vijfjarige verjaringstermijn (art. 3:310 BW) loopt ongestoord door.
– Twee belastingteruggaven (totaal € 2.919) zijn onterecht overgemaakt naar de rekening van de heer De B. Klaagster heeft dit zelf gecorrigeerd zonder advocaat.
– De wederpartij, de heer De B, is 80 jaar oud en lijdt aan COPD. Vertraging vergroot het risico op bewijsverlies en verminderde verhaalsmogelijkheid.
– Klaagster verkeert in een ernstig verzwakte gezondheidstoestand (ME/CVS, Long COVID, basaalcelcarcinoom). Mr. Z is hiervan volledig op de hoogte. Klaagster wenst de nalatenschap af te wikkelen zolang haar gezondheid dit toelaat, zodat haar minderjarige zoon niet wordt opgezadeld met een onafgewikkelde boedel en de daarmee gepaard gaande lasten.
erweer
3.9 De deken heeft in reactie op de beklaggronden het volgende aangevoerd.
Beklaggrond 1
3.10 Volgens vaste jurisprudentie heeft een advocaat volledige verantwoordelijkheid voor de behandeling van een zaak. Weliswaar dient een advocaat de belangen van zijn cliënt, maar hij is daarbij wel ‘dominus litis’, wat inhoudt dat de advocaat de vrijheid heeft een zaak te behandelen op een wijze die hem goeddunkt. Daarbij is hij niet verplicht gevolg te geven aan verzoeken van een cliënt die hij kansloos acht of waarvan de advocaat meent dat deze de zaak niet ten goede komen. Hiervoor verwijst de deken onder andere naar de uitspraak van de Raad van Discipline Amsterdam van 8 april 2024 (ECLI:NL:TADRAMS:2024:62).
Beklaggrond 2
3.11 Klaagster beklaagt zich erover dat het haalbaarheidsadvies van mr. Z ondeugdelijk is, en dat de deken het daarom niet had mogen meewegen in zijn advies. De deken merkt op dat het verzoek niet is afgewezen omdat hij de zaak niet kansrijk acht. Het verzoek is afgewezen omdat er reeds een advocaat beschikbaar was. De deken ziet geen reden om te concluderen dat het haalbaarheidsadvies betreffende het voeren van een procedure ondeugdelijk is. Mr. Z heeft dit advies uiteengezet en onderbouwd met meerdere (juridische) argumenten. Deze onderbouwing heeft zij ook medegedeeld aan klaagster. Het enkele feit dat klaagster het oneens is met dat advies, maakt het volgens de deken nog geen ondeugdelijk advies.
Beklaggrond 3
3.12 Ook bij deze beklaggrond wijst de deken erop dat het verzoek van klaagster is afgewezen omdat zij reeds beschikt over een advocaat.
Beklaggrond 4
3.13 De deken wijst erop dat klaagster toegang heeft tot een advocaat, namelijk mr. Z. Het feit dat mr. Z geen kans van slagen ziet in een procedure bij de rechtbank, betekent niet dat klaagster op onrechtmatige wijze is beperkt in haar recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM.
Beklaggrond 5
3.14 De deken ziet niet in op welke manier dit een beklaggrond is tegen zijn afwijzingsbeslissing. Desondanks merkt hij nogmaals op dat hij het verzoek van klaagster heeft afgewezen omdat zij reeds beschikte over een advocaat. Klaagster geeft aan dat zij de nalatenschap wenst af te wikkelen. Mr. Z heeft zich bereid getoond om dit voor klaagster te bewerkstelligen. De deken raadt klaagster daarom nogmaals aan om met mr. Z in overleg te treden om de nalatenschap zo snel en goed mogelijk af te wikkelen.
repliek
3.15 Klaagster heeft in repliek aangevoerd dat mr. Z zich op 4 mei 2026 heeft onttrokken en dat zij daarom feitelijk zonder rechtsbijstand zit. Verder stelt klaagster dat zij aan alle voorwaarden van artikel 13 Advocatenwet heeft voldaan.
dupliek
3.16 De deken heeft in de dupliek opgemerkt dat het feit dat mr. Z zich inmiddels heeft onttrokken hem geen aanleiding geeft om tot een ander standpunt te komen. Het feit dat mr. Z niet alle wensen van klaagster kon vervullen, betekent niet dat klaagster geen effectieve rechtsbijstand heeft ontvangen. Mr. Z is als advocaat dominus litis en heeft aldus bij de behandeling van een zaak de leiding. Klaagster weigerde het advies om geen procedure te starten aan te nemen. Hierdoor is er tussen klaagster en mr. Z een onoverbrugbaar verschil van mening ontstaan, waardoor mr. Z genoodzaakt was zich te onttrekken als advocaat. De opstelling van klaagster heeft er daarmee (mede) toe geleid dat zij op dit moment niet beschikt over een advocaat.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
4.2 Het hof onderschrijft het standpunt van de deken dat er geen grond was voor aanwijzing van een advocaat omdat klaagster op het moment van het verzoek de bijstand van een advocaat had. Het feit dat de advocaat van klaagster zich op 4 mei 2026 heeft onttrokken, heeft de deken terecht geen reden gegeven om zijn standpunt te herzien. De deken heeft er met juistheid op gewezen dat de advocaat ‘dominus litis’ is. Het hof onderschrijft de toelichting van de deken dat de advocaat bij de behandeling van de zaak de leiding heeft en dat het -mede- aan de opstelling van klaagster te danken is dat de advocaat zich heeft onttrokken. De deken heeft in dit verband er terecht op gewezen dat artikel 13 Advocatenwet een aanvullende voorziening betreft en niet een remedie is voor een verschil van inzicht over de professionele beoordeling van de zaak. (zie bijvoorbeeld HvD 30 oktober 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:202).
4.3 Het hof wijst erop dat klaagster miskent dat iedere advocaat een eigen verantwoordelijkheid heeft om te bepalen met welke aanpak de belangen van zijn cliënt het beste zijn gediend en dat dit kan betekenen dat de advocaat niet (of nog niet) bereid is om een procedure te starten. De advocaat maakt daarbij een afweging van de kans van slagen van een procedure tegenover de risico’s van zo’n procedure (niet alleen het risico dat de procedure wordt verloren, maar ook dat de cliënt wordt veroordeeld in de proceskosten). Een dergelijke handelwijze van de advocaat is niet in strijd met artikel 6 EVRM en levert geen schending op van het beginsel dat er een effectieve toegang moet zijn tot het recht. Het is gerechtvaardigd dat de advocaat een eigen afweging maakt.
4.4 Uit het voorgaande volgt dat het beklag ongegrond is. Gelet hierop behoeven de overige beklaggronden van klaagster geen bespreking. Ten overvloede overweegt het hof nog dat nu mr. Z geeft aangegeven coulant om te gaan met de overdracht van de toevoeging de eerder aangewezen advocaat door het Juridisch Loket (zie hiervoor onder 2.2) wellicht bereid is alsnog de zaak over te nemen. Het hof geeft klaagster in overweging dat nader te onderzoeken.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 23 april 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en E.C. Gelok, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2026 .
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 3 augustus 2026.