We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TAHVD:2026:25 Hof van Discipline 's Gravenhage 260006

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:25
Datum uitspraak: 29-01-2026
Datum publicatie: 29-01-2026
Zaaknummer(s): 260006
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing
Beslissingen:
  • Voorzittersbeslissing
  • Verwijzing
Inhoudsindicatie: Het hof verwijst de klacht niet. Een tuchtklacht tegen een deken is geen middel om de inhoud van een dekenvisie over de klacht tegen een andere advocaat ter discussie te stellen of een manier voor klager om te ageren tegen een proceshandeling van de deken. Een tuchtklacht is daarvoor niet bedoeld en daarmee wordt er dan ook misbruik van gemaakt.

Beslissing van de voorzitter van
het Hof van Discipline
    
van 29 januari 2026
in de zaak 260006

    
naar aanleiding van de klacht van:
    
     
    
klager 
    
over: 
    

verweerder 

1    HET VERZOEK

1.1    De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht van datum 6 januari 2026 van de stafjurist van de Orde van Advocaten Oost-Brabant. Hierbij is het hof in kennis gesteld van een  mail van klager van 5 januari 2026 met een klacht van klager over verweerder. De stafjurist heeft het hof erop gewezen dat klager een klacht indient over verweerder, in zijn hoedanigheid van deken. Volgens de stafjurist gebruikt klager het klachtrecht om zijn ongenoegen over de wijze waarop de deken zijn werk uitvoert tot uiting te brengen. Opgemerkt is dat het klachtrecht daarvoor niet is bedoeld. In dit verband is gewezen op de beslissing van het hof van 6 februari 2025, gepubliceerd op tuchtrecht.nl onder nummer  ECLI:NL:TAHVD:2025:22.  

1.2    Klager heeft in de e-mail van 5 januari 2026 geschreven dat hij eerst bemiddeling of dekenbezwaar  van de deken afwacht, voordat hij een klacht indient bij het hof. Klager vindt dat de deken geen bemiddelingspoging heeft gedaan om een minnelijke schikking of oplossing te bereiken. Als de deken bemiddeling afwijst, bevat deze e-mail een klacht over de deken wegens niet adequaat handelen en gebrek aan waarheidsvinding, gebrek aan onafhankelijk toezicht.

2    DE BEOORDELING

2.1    Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht tegen een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.

2.2    Een tuchtklacht tegen een deken is geen middel om de inhoud van een dekenvisie over de klacht tegen een andere advocaat ter discussie te stellen of een manier voor klager om te ageren tegen een proceshandeling van de deken. Een tuchtklacht is daarvoor niet bedoeld en daarmee wordt er dan ook misbruik van gemaakt.  Een klager kan de klacht tegen de andere advocaat, na betaling van het griffierecht, voorleggen aan de raad van discipline en laten beoordelen door de tuchtrechter. Klager heeft van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt bij zijn klacht tegen mr. van M., zoals hij heeft opgemerkt in de e-mail van 5 januari 2026. Binnen de kaders van die procedure kan klager naar voren brengen op welke punten de visie van de deken volgens hem niet deugt en dat de tuchtrechter tot een andere conclusie zou moeten komen dan verweerder. Daarom zal de voorzitter de klacht tegen de deken niet verwijzen. 


3    BESLISSING

De voorzitter van het Hof van Discipline:

- wijst het verzoek tot verwijzing af.

Deze beslissing is gewezen op 29 januari 2026 door mr. J. Blokland, voorzitter.


voorzitter

De beslissing is verzonden op 29 januari 2026.