ECLI:NL:TAHVD:2026:249 Hof van Discipline 's Gravenhage 260153

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:249
Datum uitspraak: 03-08-2026
Datum publicatie: 03-08-2026
Zaaknummer(s): 260153
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. De deken heeft zijn beslissing om geen advocaat toe te wijzen gebaseerd op een drietal gronden.  Het hof is van oordeel dat de deken zich terecht op twee van die gronden (“verplichte procesvertegenwoordiging” en “redelijke kans van slagen”) heeft mogen baseren.

Beslising van 3 augustus 2026

in de zaak 260153

naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

klaagster

tegen:

mr. A.G. Moeijes

Deken van de Orde van Advocaten

in het arrondissement Noord-Holland

de deken

1 DE PROCEDURE 

Bij de deken

1.1 Klaagster heeft op 2 februari 2026 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.

1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 12 maart 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat de deken niet kan beoordelen of in de . procedure die klaagster wil voeren bijstand van een advocaat verplicht is. Ook kan de deken niet beoordelen of klaagster voldoende inspanningen heeft geleverd om zelf een advocaat te vinden. Tot slot is de deken er niet van overtuigd dat de zaak waarvoor klaagster een advocaat toegewezen wil krijgen redelijke kans van slagen heeft.

Bij het hof

1.3 Klaagster heeft op 21 april 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).

1.4  Verder bevat het dossier:

  • het verweer van de deken
  • de repliek
  • de dupliek
    1. Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken in het dossier.

2 FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1 Klaagster heeft op 2 februari 2026 de deken verzocht om aanwijzing van een advocaat omdat zij diverse procedures wil starten. Klaagster wil een civiele aansprakelijkheidsprocedure voeren tegen PsyQ/Parnassiagroep wegens onrechtmatige daad en contractuele aansprakelijkheid uit de WGBO (Wet Geneeskundige Behandelovereenkomst). Het gaat om systematische dossiervervalsing en schending van de WGBO normen (dossierplicht, informatieplicht en toestemmingsvereiste). Klaagster wil strafrechtelijk aangifte doen van valsheid in geschrifte en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Ook wil klaagster tuchtprocedures starten wegens schending van de professionele standaard. Twee procedures zijn al gestart door klaagster, te weten een klacht bij de Autoriteit Persoonsgegevens en een melding bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd..

2.2 Om te beoordelen of een advocaat verplicht is heeft de deken aan klaagster verzocht om nadere informatie in te dienen over de hoogte van de schadevergoeding die zij wenst te vorderen. Om te beoordelen of de zaak een redelijke kans van slagen heeft, is aan klaagster verzocht om medische stukken in te dienen waaruit blijkt dat er verkeerde diagnoses zijn gesteld en verkeerde behandelingen uitgevoerd. Verder heeft de deken verzocht om schriftelijke afwijzingen van advocaten die klaagster heeft benaderd en het verwijzingsdocument van het Juridisch Loket.

2.3 Op 18 en 23 februari 2026 heeft klaagster stukken aan de deken gestuurd. Klaagster heeft gesteld dat de vordering in de aansprakelijkheidsprocedure € 1.545.000,- bedraagt en bestaat uit € 1.470.000,- wegens inkomstenderving en € 75.000,- wegens immateriële schade. Volgens klaagster heeft haar zaak een grote kans van slagen. Zij stelt te beschikken over technisch bewijs van dossier manipulatie. Op 18 februari 2026 heeft klaagster een Forensisch Bewijsrapport aan de deken gestuurd. Verder stelt klaagster dat zij  30 tot 40 advocaten heeft benaderd, deze wijzen de zaak af vanwege de complexiteit en de omvang van de tegenpartijen. Het Juridisch Loket weigert een verwijzingsdocument op te stellen. De reden is dat de materie hun mandaat overstijgt.

2.4 Op 25 februari 2026 heeft de deken nogmaals bij klaagster om informatie verzocht. Gevraagd is om de vordering te onderbouwen met stukken waaruit het bedrag van € 1.545.000,- blijkt. Verder is opgemerkt dat niet duidelijk is wie de documenten die klaagster heeft ingediend om te onderbouwen dat haar zaak een redelijke kans van slagen heeft, heeft opgesteld. De stukken lijken door AI te zijn gegenereerd. Opgemerkt is dat deze stukken niet gelden als formeel gevalideerde rapporten van deskundigen waarmee klaagster de kans van slagen van een procedure kan aantonen. Tenslotte is aan klaagster -wederom- verzocht om bewijsstukken te overleggen van de afwijzingen van benaderde advocaten en het stuk waaruit blijkt dat het Juridisch Loket niet wil helpen.

2.5 Klaagster heeft in reactie op deze e-mail, in een e-mail van 25 februari 2026 laten weten dat zij AI-ondersteuning gebruikt omdat zij er helemaal alleen voor staat. Uit pure noodzaak is zij al maanden 24 uur per dag bezig met haar dossier, terwijl zij nog steeds chronisch ziek is. Klaagster stelt dat zij geen advocaat of forensisch onderzoeker tot haar beschikking heeft om de feitelijke bewijslast uit de eigen systeemlogs te vertalen naar begrijpelijke taal. Klaagster stelt verder dat zij de gevraagde schadeberekening en medische stukken niet kan verzorgen omdat haar systeem gegijzeld is.

2.6 Op 12 maart 2026 heeft de deken het verzoek van klaagster afgewezen omdat er onvoldoende concrete aanknopingspunten zijn om te kunnen vaststellen of het verzoek voldoet aan de voorwaarden van artikel 13 Advocatenwet. Klaagster heeft geen inzicht gegeven in de omvang van de gestelde schade, de door klaagster verrichte pogingen om zelf een advocaat te vinden en de kans van slagen van de zaak.

3 BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag

3.1 Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Zij  voert een zestal beklaggronden aan.

3.2 Met grond I heeft zij aangevoerd dat zij bij de e-mail van 23 februari 2026 een ZIP bestand heeft gevoegd met tientallen screenshots van correspondentie met advocaten. Bij e-mail van 25 februari 2026 heeft de Orde de ontvangst van onder meer de e-mail van 23 februari 2026 bevestigd. Kennelijk heeft de Orde deze bijlagen niet inhoudelijk beoordeeld. De beslissing berust op een aantoonbaar onjuiste grondslag en is ondeugdelijk gemotiveerd (art. 3:46 Awb).

Met grond II klaagt klaagster er over dat de Orde heeft nagelaten te reageren op een correct en tijdig ingediend bericht op 25 februari 2026. Na eerst een foutmelding te hebben ontvangen heeft klaagster nogmaals een e-mail gestuurd met het correcte dossiernummer. Die e-mail is aangekomen, maar niet beantwoord. Dit is een zelfstandige schending van art. 3:2 Awb en versterkt de  eerder vastgestelde interne tegenstrijdigheid. In de toelichting op deze grond heeft klaagster ook nog aangevoerd dat de deken artikel 2.15 lid 3 Awb heeft geschonden. De deken heeft niet juist bericht dat een door klaagster op 25 februari 2026 toegestuurde mail niet kon worden verwerkt. Ten onrechte wordt haar in de afwijzende beslissing van de deken tegengeworpen dat ze ondanks herhaald verzoek geen aanvullende bewijsstukken heeft overgelegd.  

3.3 Met grond III heeft klaagster aangevoerd dat er sprake is van schending van de hoorplicht. Zij heeft op 25 februari 2026 na een foutmelding een nieuwe e-mail gestuurd met het correcte dossiernummer. Zij is niet gehoord over de blokkade van haar stukken van 25 februari 2026.

3.4 Met grond IV en V heeft klaagster aangevoerd dat de deken er ten onrechte vanuit gaat dat zij geen schadeonderbouwing heeft overgelegd. Klaagster stelt dat de deken ten onrechte de overgelegde technische stukken als niet-gevalideerde deskundigenrapporten kwalificeert en concludeert dat zij niet kunnen dienen ter onderbouwing van de kans van slagen. Dit oordeel is volgens klaagster onjuist op drie niveaus:

•  Feitelijk onjuist: de stukken zijn analyses van primaire brondata , XML-bestanden (IHE XDM/CDA R2), FHIR JSON, SHA-256 hashwaarden en systeemlogboeken. Deze brondata bestaat onafhankelijk van de gebruikte analysemethode en is direct verifieerbaar.

• Juridisch onjuist: art. 152 Rv bepaalt dat bewijs in civiele procedures vrij kan worden geleverd. HR 8 juli 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1483): digitale vastleggingen zijn geldig bewijsmiddel. Bewijswaardering is voorbehouden aan de rechter.

• Buitencompetent: de deken heeft niet de bevoegdheid vooraf te oordelen over de bewijswaarde van stukken in een nog te voeren civiele procedure.

3.5 Met grond VI heeft klaagster aangevoerd dat artikel 6 EVRM en art 47 EU-Handvest zijn geschonden omdat de handelwijze van de deken tot structurele schending van het recht op de effectieve toegang tot het recht leidt. 

Verweer

3.6 De deken heeft aangevoerd dat het correct is dat de e-mails van klaagster van 18 en 23 februari 2026 in goede orde zijn ontvangen. Echter daarbij zijn geen screenshots van correspondentie met advocatenkantoren ontvangen. In de e-mail aan klaagster van 25 februari 2026 is aangegeven dat er nog steeds geen bewijs was ontvangen dat klaagster advocaten had aangeschreven. Dit heeft zij niet betwist in haar reactie op deze e-mail.

3.7  Klaagster geeft aan dat de deken niet heeft gereageerd op haar e-mail van 25 februari 2026 en artikel 2:15 lid 3 Awb heeft geschonden door niet aan te geven dat de betreffende e-mail niet is ontvangen. De deken merkt op dat hij de e-mail van 25 februari 2026 van 15:53 uur van klaagster heeft ontvangen. Deze is ook meegenomen in het besluit tot afwijzing van het verzoek van klaagster. Op deze e-mail is immers ingegaan in het afwijzingsbesluit. Er bestaat geen plicht om op elke binnenkomende e-mail te reageren. De deken volgt de stelling van klaagster dat artikel 2:15 lid 3 Awb is geschonden doordat niet is gemeld dat haar bericht niet is verwerkt, niet. Artikel 2:15 lid 3 Awb bepaalt slechts dat een bestuursorgaan een e-mail kan weigeren voor zover de betrouwbaarheid of vertrouwelijkheid daarvan onvoldoende is gewaarborgd. Klaagster heeft, zoals zij zelf ook aangeeft, een foutmelding ontvangen op haar eerste bericht, waarmee duidelijk is geworden dat haar eerste verstuurde e-mail niet door de deken is ontvangen. Voor zover dit beklag ziet op de door de deken wél ontvangen e-mail van 25 februari 2026, voert de deken nogmaals aan dat die e-mail is meegenomen in het afwijzingsbesluit en dus niet is geweigerd.

3.8 In reactie op de stelling van klaagster dat hij de hoorplicht van artikel 3:4 lid l Awb heeft geschonden, merkt de deken op dat artikel 3:4 lid l Awb geen hoorplicht bevat, maar een bestuursorgaan verplicht tot een belangenafweging. Voor zover deze beklaggrond ziet op het niet

afwegen van de betrokken belangen, is de deken van mening dat die stelling onjuist is. De belangen van klaagster zijn zeker betrokken in de door de deken gemaakte afweging, dat is ook de reden dat klaagster meerdere malen in de gelegenheid is gesteld haar standpunten nader te onderbouwen.

Voor zover de derde beklaggrond erop ziet dat hij de hoorplicht heeft geschonden, merkt de deken op dat klaagster meerdere keren de kans heeft gekregen aanvullende stukken te overleggen ter onderbouwing van haar verzoek. Daarbij is duidelijk aangegeven welke informatie nog miste en op welke vragen nog een antwoord gewenst was.

3.9 Waar klaagster zich erover beklaagt dat de deken zich schuldig heeft gemaakt aan een cirkelredenering met betrekking tot de schadeonderbouwing, merkt de deken op dat hij begrijpt

dat klaagster niet de volledige schadeberekening kan geven zonder volledig dossier. Er is ook niet gevraagd om een volledige schadeberekening. Aan klaagster is meegedeeld dat een advocaat pas verplicht is bij een vordering boven € 25.000,-. Hierop heeft klaagster enkel aangegeven dat de civiele aansprakelijkheidsprocedure een vordering van € 1.545.000,- betreft, waarbij zij haar inkomensschade op € 1.470.000,- schat en de immateriële schade op € 75.000,-. Ook zonder volledig dossier zou het volgens de deken mogelijk moeten zijn om enige onderbouwing daarvan te geven, bijvoorbeeld door middel van medische rapporten, arbeidsongeschiktheidsbesluiten, facturen en correspondentie.

3.10  Klaagster heeft aangevoerd dat de door haar overgelegde technische stukken ten onrechte als niet-gevalideerde deskundigenrapporten zijn aangemerkt. Zoals aan klaagster is gemeld, brengt het uitzonderlijke karakter van het aanwijzen van een advocaat door de deken met zich mee dat de zaak op voorhand voldoende kansrijk moet lijken. Hiertoe beoordeelt de deken de overgelegde

stukken en geeft een eerste inschatting van de slagen van de zaak. Klaagster heeft erkend dat haar stukken zijn opgesteld met behulp van, of door, AI. Het is juist dat AI-gegenereerde output op

grond van artikel 152 Rv in beginsel als bewijs mag worden ingebracht. De inschatting van de deken  is echter dat de overgelegde stukken niet voldoende bewijskracht hebben om enige schadeclaim te onderbouwen. Dit komt mede door het feit dat dit de enige bewijsstukken zijn die klaagster heeft overgelegd. Zo zijn de feitelijke data waarop de AI-analyses gebaseerd zijn niet overgelegd. In de e-mail van 4 februari 2026 aan klaagster is tevens gevraagd om nadere stukken ter onderbouwing, zoals correspondentie met PsyQ/Parnassia Groep of een aansprakelijkstellingsbrief. Deze zijn niet ontvangen.

3.11  Ten slotte heeft de deken zich op het standpunt gesteld dat nu hij de door klaagster gestelde gebreken gemotiveerd heeft betwist, hij van mening is dat hij artikel 6 EVRM en artikel 47 EU-Handvest niet heeft geschonden.

BEOORDELING

Toetsingskader

4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

4.2 De deken kan alleen overgaan tot aanwijzing van een advocaat als de verzoeker de deken voldoende informatie geeft om het verzoek te kunnen beoordelen.

4.3 De deken heeft zijn beslissing om geen advocaat toe te wijzen gebaseerd op een drietal gronden.  Het hof is van oordeel dat de deken zich terecht op twee van die gronden heeft mogen baseren. Het beklag zal dan ook ongegrond worden verklaard.  Het hof licht dat als volgt toe.

Verplichte procesvertegenwoordiging

4.4 De deken heeft erop gewezen dat een advocaat pas verplicht is bij een vordering boven de
€ 25.000,-. Nu klaagster slechts heeft meegedeeld dat het een vordering betreft van € 1.545 000,-, zonder daarvoor enige onderbouwing te geven, kan het standpunt van de deken dat klaagster geen inzicht heeft gegeven in de omvang van de schade worden onderschreven. Ondanks verzoek om nadere onderbouwing heeft klaagster bijvoorbeeld geen medische rapporten, arbeidsongeschiktheidsbesluiten, facturen of andere stukken overgelegd waaruit de door haar gestelde schade zou blijken.

Inspanningsverplichting om eerst zelf een advocaat te zoeken

4.5 Klaagster heeft gesteld dat zij 30 tot 40 kantoren heeft aangeschreven maar de deken heeft aangegeven dat hij ondanks verzoek geen schriftelijke afwijzingen heeft gezien. De deken heeft dat herhaald in zijn verweer.  Niet is gebleken dat de deken de e-mail van 25 februari 2026 van klaagster (die om 15.53 uur) niet heeft betrokken in zijn oordeelsvorming. De deken heeft opgemerkt dat bij die e-mail geen stukken zaten waaruit schriftelijke afwijzingen van advocaten zaten waarom nog was gevraagd (gronden I,II en III). In het hoger beroepsdossier bij het hof zitten echter wel bewijzen van afwijzingen van door klaagster aangezochte advocaten. In zoverre lijkt het erop dat klaagster zich wel heeft ingespannen. Het feit dat zij dat heeft gedaan leidt er echter niet toe dat het beklag gegrond kan worden verklaard.

Redelijke kans van slagen

4.6 Het ligt op de weg van klaagster om concreet, aan de hand van feiten, aan te geven wat de procedure is die zij wil voeren en informatie ter onderbouwing van die procedure in te dienen. Het hof onderschrijft de stelling van de deken dat klaagster onvoldoende heeft duidelijk gemaakt dat de door haar gewenste procedure voldoende kans van slagen heeft. Terecht heeft de deken zich op het standpunt gesteld dat de door klaagster ingediende rapporten die door, of met behulp van Artificial Intelligence zijn opgesteld, daarvoor onvoldoende duidelijkheid bieden. Van belang is dat  de feitelijke data waarop de AI-analyses gebaseerd niet zijn overgelegd. Ook heeft klaagster geen andere stukken ingediend, zoals correspondentie met PsyQ/Parnassia Groep of een aansprakelijkstellingsbrief.

Conclusie

4.7 De beklaggronden slagen niet. 

4.8 Tenslotte overweegt het hof in respons op grond VI dat het in artikel 6, eerste lid, van het EVRM neergelegde recht op toegang tot een rechter niet absoluut is, maar aan verschillende beperkingen mag worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen het recht op toegang tot de rechter niet in essentie aantasten, maar moeten een gerechtvaardigd doel dienen en moeten proportioneel zijn aan dat doel. Het Nederlandse wettelijk systeem is daarmee niet in strijd (vgl. ABRvS 11 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1243 en HvD, 20 maart 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:52). Dit systeem levert ook geen schending van enige andere verdragsbepaling op (zie HvD 8 mei 2018 ECLI:NL:TAHVD:2018:79). Ook in dit geval komt de beslissing van de deken niet in strijd met artikel 6 EVRM omdat, ook wanneer rechtsbijstand noodzakelijk is om het recht op toegang tot de rechter effectief te doen zijn, de aanspraak daarop niet onbegrensd is.

4.9 Het beklag zal ongegrond worden verklaard.

5   BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 12 maart 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland ongegrond.

Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en E.C. Gelok, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2026.

griffier                                                                                                       voorzitter

De beslissing is verzonden op 3 augustus 2026.