ECLI:NL:TAHVD:2026:248 Hof van Discipline 's Gravenhage 260156
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:248 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-08-2026 |
| Datum publicatie: | 03-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260156 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 ongegrond. Het hof is met de deken van oordeel dat klager onvoldoende bewijzen heeft overgelegd waaruit is gebleken dat hij recent advocaten heeft benaderd. Verder maakt het hof uit het dossier op dat klager in de loop der tijd door verschillende advocaten is bijgestaan maar dat die hun werkzaamheden kennelijk hebben neergelegd omdat klager het door de WAM-verzekeraar gedane bod ondanks het advies van de advocaten, niet heeft geaccepteerd. Ook andere benaderde advocaten geven na bestudering van het dossier en het aanwezige bewijs aan dat zij geen redelijke kans zien om een ander percentage aansprakelijkheid dan reeds erkend te bewerkstelligen dan wel om een hogere schadevergoeding voor klager te realiseren. Het hof is dan ook met de deken van oordeel dat de procedure waarvoor klager een advocaat wil (een hoger percentage aansprakelijkheid en een hogere schadevergoeding) geen redelijke kans van slagen heeft. Ook op die grond die de deken weliswaar ten overvloede aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd, is terecht het verzoek afgewezen. |
Beslissing van 3 augustus 2026
in de zaak 260156
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klager
tegen:
mr. W.W.H. Timmermans
Deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Gelderland
de deken
1 DE PROCEDURE
Bij de deken
1.1 Klager heeft op 5 november 2025 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 17 maart 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat klager onvoldoende heeft aangetoond dat hij zich recent tot advocaten heeft gewend met een verzoek om bijstand. Daarnaast is gebleken dat het ontbreken van rechtsbijstand het gevolg is van klagers eigen handelen. Ten overvloede heeft de deken erop gewezen dat de zaak van klager geen redelijke kans van slagen heeft.
Bij het hof
1.2 Klager heeft op 16 april 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.3 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken
- de repliek
- de dupliek
1.4 Het hof heeft het beklag behandeld op basis van de stukken in het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klager is op 13 februari 2020 als fietser betrokken geweest bij een aanrijding met een auto. Hij heeft de deken verzocht om aanwijzing van een advocaat voor een letselschadeprocedure waarin de aansprakelijkheidsverzekeraar van de automobilist (hierna; de WAM-verzekeraar) 50% aansprakelijkheid heeft erkend. Klager is het niet eens met het percentage eigenschuld en wenst via een letselschadeprocedure een hogere schadevergoeding te ontvangen.
2.2 Klager werd aanvankelijk bijgestaan door mr. C maar die heeft bij e-mail van 24 november 2020 haar werkzaamheden beëindigd wegens geuite bedreigingen aan haar kantoor en haar persoonlijk. Daardoor is de vertrouwensband beschadigd en heeft zij aangegeven het niet verstandig te vinden nog langer voor klager op te treden.
2.3 Daarna is klager bijstaan door mr. W maar die heeft zijn werkzaamheden ook neergelegd in 2021. De WAM-verzekeraar had toen € 2.000 aan schadevergoeding aangeboden. Klager heeft vervolgens verschillende advocaten benaderd. Bij e-mail van 21 februari 2022 heeft mr. K medegedeeld geen mogelijkheid te zien een hoger percentage aansprakelijk te bewerkstellingen bij de WAM-verzekeraar. Bij e-mail van 2 maart 2022 heeft mr. B te kennen gegeven dat hij denkt niet meer te kunnen doen dan mr. W al heeft gedaan. Mr. van de W heeft zich in november 2022 bereid verklaard om nog eenmaal de WAM-verzekeraar te verzoeken een hogere schadevergoeding toe te kennen. In april 2023 heeft de WAM-verzekeraar van de automobilist tegenover mr. Van de W een laatste bod van € 10.000,- gedaan. Dat bod heeft mr. Van de W in september 2023 aan klager voorgelegd met de mededeling dat als hij dat bod niet accepteert een andere advocaat moet zoeken voor het voeren van een procedure. Daarop hebben nog een advocaat en een letselschadebureau in maart 2024 respectievelijk in oktober 2024 onafhankelijk van elkaar aangeven geen redelijke kans te zien het laatste voorstel van de verzekeraar aan te vechten. Verder heeft klager nog verschillende afwijzingen aan de deken gestuurd
2.4 Bij beslissing van 17 maart 2026 heeft de deken het verzoek van klager afgewezen. Volgens de deken heeft klager zich niet voldoende recent tot advocaten gewend; de schriftelijke afwijzingen die klager heeft gestuurd zijn van advocaten die klager in de periode 2021 tot en met maart 2025 heeft benaderd. Daarnaast blijkt uit de stukken dat klager wel beschikte over een advocaat die bereid was om hem bij te staan, maar deze heeft door de wijze waarop klager haar heeft benaderd haar werkzaamheden beëindigd. Dit handelen moet volgens de deken worden aangemerkt als verwijtbaar. De deken heeft gewezen op de vaste jurisprudentie van het hof, ECLI:NL:TAHVD:2020:6 en ECLI:NL:TAHVD:2024:212. Dit is voor de deken dan ook de reden om het verzoek af te wijzen.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klager stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klager stelt dat hij, gelet op zijn fysieke en psychische klachten voldoende inspanningen heeft geleverd om zelf een advocaat te vinden. Klager stelt dat hij in de afgelopen jaren ongeveer 60 advocaten telefonisch heeft benaderd en dat hij de schriftelijke reacties van 10 advocaten, die hem niet wilden bijstaan, aan de deken heeft gestuurd.
3.2 Klager stelt dat zijn belang bij de zaak zeer groot is en dat de verklaring van de politie dat hij medeschuldig is aan het ongeval niet juist is. Volgens klager is er onvoldoende geluisterd naar zijn verklaringen over de aanrijding, hierdoor is zijn belang onvoldoende behartigd.
Verweer
3.3 De deken heeft erop gewezen dat klager niet heeft aangetoond dat hij recentelijk advocaten heeft benaderd. Daarbij is het ontbreken van rechtsbijstand het rechtstreeks het gevolg van het eigen handelen van verzoeker. De advocaat die klager bijstond heeft haar werkzaamheden beëindigd omdat klager bedreigingen heeft geuit.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
4.2 Het hof is met de deken van oordeel dat klager onvoldoende bewijzen heeft overgelegd waaruit is gebleken dat hij recent advocaten heeft benaderd. Dat had wel van klager mogen worden verwacht. Deze grond mocht de deken dan ook aan zijn beslissing ten grondslag leggen.
4.3 Verder maakt het hof uit het dossier op dat klager in de loop der tijd door verschillende advocaten is bijgestaan maar dat die hun werkzaamheden kennelijk hebben neergelegd omdat klager het door de WAM-verzekeraar gedane bod ondanks het advies van de advocaten, niet heeft geaccepteerd. Ook andere benaderde advocaten geven na bestudering van het dossier en het aanwezige bewijs aan dat zij geen redelijke kans zien om een ander percentage aansprakelijkheid dan reeds erkend te bewerkstelligen dan wel om een hogere schadevergoeding voor klager te realiseren.
4.4 Het hof is dan ook met de deken van oordeel dat de procedure waarvoor klager een advocaat wil (een hoger percentage aansprakelijkheid en een hogere schadevergoeding) geen redelijke kans van slagen heeft. Ook op die grond die de deken weliswaar ten overvloede aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd, is terecht het verzoek afgewezen.
4.5 Het hof zal het beklag dan ook ongegrond verklaren.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 17 maart 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en E.C. Gelok, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2026 .
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 3 augustus 2026.