ECLI:NL:TAHVD:2026:247 Hof van Discipline 's Gravenhage 260170
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:247 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-08-2026 |
| Datum publicatie: | 03-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260170 |
| Onderwerp: | Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. Nu duidelijk is dat klaagster het griffierecht voor een te voeren procedure en de eigen bijdrage van een toevoeging niet kan betalen, heeft de deken het verzoek op goede gronden afgewezen. Het hof onderschrijft het standpunt van de deken dat zij van een advocaat niet kan verlangen dat hij/zij voor klaagster het griffierecht betaalt en afziet van de eigen bijdrage. |
Beslissing van 3 augustus 2026
in de zaak 260170
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:
klaagster
tegen:
mr. Aardoom-Fuchs
Deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Den Haag
de deken
1 DE PROCEDuRE
Bij de deken
1.1 Klaagster heeft bij de deken op 13 april 2026 een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet.
1.2 De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 30 april 2026. De deken heeft aan de afwijzende beslissing ten grondslag gelegd dat zij van een advocaat niet kan verlangen dat deze voor klaagster het griffierrecht betaalt en afziet van de eigen bijdrage. Uit de stukken heeft de deken opgemaakt dat klaagster de eigen bijdrage en het griffierecht niet kan betalen. Als de financiële situatie van klaagster wijzigt dan kan zij een nieuw verzoek indienen, aldus de deken.
Bij het hof
1.3 Klaagster heeft op 30 april 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof).
1.4 Verder bevat het dossier:
- het verweer van de deken
1.5 Het hof heeft het verzoek in raadkamer behandeld op basis van de stukken in het dossier.
2 FEITEN
Het hof stelt de volgende feiten vast.
2.1 Klaagster heeft de deken verzocht om een advocaat in het kader van internationale kinderontvoering. De moeder van klaagster heeft de dochter van klaagster in 2023 vanuit Griekenland meegenomen naar Nederland en niet meer teruggebracht. Klaagster woont in Griekenland en kan niet naar Nederland komen. Klaagster is bijgestaan door mr. S. Zij zou een verzoek tot teruggeleiding indienen. Klaagster heeft een klacht tegen mr. S ingediend. Uit deze klachtprocedure is duidelijk geworden dat klaagster de eigen bijdrage en het griffierecht voor het “IKO” verzoek niet heeft betaald en dat het verzoek is ingetrokken omdat mr. S geen nadere stukken ontving en ook geen toezegging had dat een van de ouders op een zitting aanwezig zou zijn.
2.2 In een e-mail van 16 april 2026 heeft het bureau van de Haagse orde klaagster het volgende bericht:
“U geeft aan dat u geen financiële middelen heeft om de toevoeging te betalen en naar ik aanneem ook niet het griffierecht. Op het moment dat de deken een advocaat aanwijst, zal deze advocaat u een voorschot vragen alvorens hij /zij u kan bijstaan. Ervan uitgaande dat u in aanmerking komt voor een toevoeging zal bij u de eigen bijdrage en het griffierecht in rekening worden gebracht. De deken kan een advocaat niet vragen u kosteloos bij te staan.
Op de website van de Raad voor Rechtsbijstand kunt u nagaan welke bijdrage u dient te voldoen (www.rechtsbijstand.nl) . U kunt ook contact met hen opnemen en/of met het Juridisch Loket ( www.juridischloket.nl ).
Ik wacht uw bericht af in hoeverre het u is gelukt om duidelijkheid te krijgen over de financiële mogelijkheden.”
2.3 Klaagster heeft hierop als volgt gereageerd:
“Dat heb ik al gedaan, die kunnen mij al sinds 2023 niet helpen. Ik heb inmiddels echt Alles geprobeerd, de Griekse tegenhanger van de RvR weigert het door te sturen. De RvR weigert... Rechtsspraak Ivm griffiekosten bij andere zaken zelfde verhaal. Juridisch loket geeft oevoegingen af, maar advocaten weigeren.”
Op 21 april 2026 heeft klaagster daarnaast nog het volgende per e-mail kenbaar gemaakt:
“Doordat ik de griffiekosten niet kan voldoen worden mijn zaken ook niet in behandeling genomen bij afdeling bestuur van de rechtbank ZWB en AMS. Ik heb hierover(2002/8/EC) een zaak ingediend bij de Raad van State, omdat ik het inmiddels echt niet meer weet. Ze moeten nog kijken of ze hierover bevoegdheid hebben, maar het nummer is 2026/01179 (070-4264260) mevr. M.”
2.4 De deken heeft op 30 april 2026 het verzoek van klaagster tot aanwijzing van een advocaat afgewezen. Aan dit besluit heeft de deken ten grondslag gelegd dat zij uit de stukken heeft opgemaakt dat klaagster de eigen bijdrage en het griffierecht niet kan betalen. In die situatie is het niet mogelijk een advocaat aan te wijzen. De deken kan niet verlangen dat een advocaat voor klaagster het griffierecht betaalt en afziet van de eigen bijdrage.
3 BEKLAG EN VERWEER
Gronden van het beklag
3.1 Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klaagster heeft stukken van de Raad van Rechtsbijstand, de gemeente Breda en de rechtspraak ingediend waaruit volgt wat zij allemaal al heeft gedaan om, naar het hof begrijpt, haar kind terug te krijgen. Volgens klaagster duurt het al jaren, met extreme gevolgen. Klaagster merkt op dat zij het gezag over haar dochter gaat verliezen en dat zij al haar kinderen is kwijtgeraakt, ook die in Griekenland, doordat Griekenland zegt dat het aan haar ligt. Dat zij geen moeite heeft gedaan in Nederland. Klaagster zegt: “Het is gewoon emotioneel te zwaar om hiermee door te gaan, het lijkt wel een toeslagenaffaire 2.0”
Verweer
3.2 De deken heeft aangevoerd dat de stukken die klaagster heeft ingediend geen betrekking hebben op de procedure waarvoor zij heeft verzocht om aanwijzing van een advocaat. Klaagster wil de procedure die haar voormalig advocaat aanhangig heeft gemaakt opnieuw aanhangig maken. Zij heeft echter niet de financiële middelen om de eigen bijdrage en het griffierecht te betalen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat klaagster in andere procedures een beroep heeft gedaan op betalingsonmacht in verband met het griffierecht maar dat die beroepen zijn afgewezen. Als de financiele situatie van klaagster verandert kan zij opnieuw een verzoek indienen, aldus de deken.
4 BEOORDELING
Toetsingskader
4.1 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.
4.2 Nu duidelijk is dat klaagster het griffierecht voor een te voeren procedure en de eigen bijdrage van een toevoeging niet kan betalen, heeft de deken het verzoek op goede gronden afgewezen. Het hof onderschrijft het standpunt van de deken dat zij van een advocaat niet kan verlangen dat hij/zij voor klaagster het griffierecht betaalt en afziet van de eigen bijdrage. Het beklag kan dan ook niet slagen.
4.3 Ten overvloede wijst het hof er op dat de deken in het verweerschrift klaagster in overweging geeft om contact op te nemen met de Raad voor Rechtsbijstand om aan te geven dat de door haar gewenste procedure geen betrekking heeft op een geschil in Griekenland. Verder wijst de deken erop dat het Juridisch Loket klaagster wellicht kan helpen met het verzamelen van documenten om de betalingsonmacht te onderbouwen. Ook heeft de deken opgemerkt dat klaagster een nieuw verzoek kan indienen als haar financiële situatie wijzigt. Het hof geeft klaagster in overweging om die stappen te zetten.
5 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 30 april 2026 van de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en E.C. Gelok, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2026 .
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 3 augustus 2026.