ECLI:NL:TAHVD:2026:246 Hof van Discipline 's Gravenhage 240355
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:246 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-08-2026 |
| Datum publicatie: | 03-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 240355 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klacht over eigen advocaat. Klager is ontevreden over de wijze waarop verweerder hem heeft bijgestaan in een geschil tussen klager en zijn zus over de nalatenschap van hun moeder. De raad heeft de klachtonderdelen ongegrond verklaard. Klager heeft in hoger beroep met name bezwaren gericht tegen de klachtomschrijving door de deken en heeft verzocht om een nieuw klachtschrift te mogen indienen, dan wel om terugverwijzing naar de deken. Het hof ziet geen aanleiding om de zaak terug te verwijzen naar de deken en beslist op de klacht zoals die bij de raad is voorgelegd. Het hof oordeelt in hoger beroep dat verweerder klager zorgvuldig en deskundig heeft bijgestaan, voldoende heeft geïnformeerd en geen onnodige kosten in rekening heeft gebracht. De klacht is in alle klachtonderdelen ongegrond. Bekrachtiging raadsbeslissing. |
Beslissing van 3 augustus 2026
in de zaak 240355
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klager
tegen:
verweerder
1 INLEIDING
1.1 Verweerder heeft klager bijgestaan in een geschil tussen klager en zijn zus over de nalatenschap van hun moeder. Klager is ontevreden over de wijze waarop verweerder hem heeft bijgestaan. Voor de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) is op basis van het verweer en de overgelegde stukken niet komen vast te staan dat verweerder de opdracht van klager niet zorgvuldig heeft uitgevoerd, klager onvoldoende heeft geïnformeerd of klager juridisch onvoldoende deskundig heeft bijgestaan. Klager heeft in hoger beroep met name bezwaren gericht tegen de klachtomschrijving door de deken en heeft verzocht om een nieuw klachtschrift te mogen indienen, dan wel om terugverwijzing naar de deken. Het Hof van Discipline (hierna: het hof) ziet geen aanleiding om de zaak terug te verwijzen naar de deken en beslist op de klacht zoals die bij de raad is voorgelegd. Het hof oordeelt in hoger beroep dat verweerder klager zorgvuldig en deskundig heeft bijgestaan, voldoende heeft geïnformeerd en geen onnodige kosten in rekening heeft gebracht. Het hof sluit zich verder aan bij het oordeel van de raad. De klacht is in alle klachtonderdelen ongegrond en de beslissing van de raad wordt bekrachtigd.
1.2 Het hof zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klager in beroep is gekomen en hoe het hof tot zijn oordeel komt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klager en verweerder (zaaknummer: 24-264/AL/GLD) een beslissing gewezen op 18 november 2024. In deze beslissing is de klacht van klager op alle onderdelen ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2024:276 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof
2.3 Het eerste beroepschrift van klager tegen de beslissing is op 18 december 2024 ontvangen door de griffie van het hof. Vervolgens heeft klager zowel op 22 december 2024 als op 25 december 2024 een verbeterd beroepschrift aan het hof toegezonden. Het beroepschrift bevat 75 bijlagen. Aan partijen is medegedeeld dat het beroepschrift dat op 22 december 2024 is ontvangen door de griffie tijdig is ontvangen en dat verweerder wordt verzocht op het beroepschrift van 22 december 2024 te reageren.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof de volgende processtukken:
- de stukken van de raad;
- het verzoek van klager om uitstel van de zitting van 26 januari 2026;
- de beslissing van het hof van 16 januari 2026 om de zaak aan te houden;
- het verweerschrift van verweerder met de bijlagen A-V;
- de brief van het hof waarin is medegedeeld dat de zitting zal worden gehouden op 8 juni 2026;
- de beslissing van de plv-voorzitter van het hof waarbij het wrakingsverzoek van klager van 1 juni 2026 buiten behandeling is gesteld;
- het verzoek van klager van 7 juni 2026 aan de voorzitter van de behandelend kamer om zich te verschonen;
- de mededeling van de griffie van het hof van 8 juni 2026 aan partijen dat de zitting van 8 juni 2026 doorgaat en dat een partij een verzoek tot verschoning niet kan doen;
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 8 juni 2026. Daar zijn klager en verweerder verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht; klager mede aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
2.6 Na de mondelinge behandeling heeft klager een verzoek tot wraking ingediend tegen de voorzitter van de behandelend kamer, mr. J. Blokland. De wrakingskamer van het hof heeft het wrakingsverzoek van klager bij beslissing van 21 juli 2026 deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard en bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak wegens misbruik van recht niet in behandeling zal worden genomen en verder bepaald dat de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Klager is door zijn zuster op 25 januari 2022 gedagvaard in een erfrechtelijke kwestie over de afwikkeling van de nalatenschap van hun moeder. Verweerder heeft klager vanaf 17 februari 2022 bijgestaan in deze procedure. Klager had aangegeven dat een minnelijke regeling met zijn zuster zijn voorkeur had en dat pas in de procedure verweer gevoerd zou gaan worden als een minnelijke regeling niet mogelijk zou blijken te zijn.
3.3 Verweerder heeft op 7 april 2022 bij de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, om uitstel verzocht voor het indienen van de conclusie van antwoord. De rechtbank heeft, met instemming van de advocaat van de wederpartij, uitstel verleend tot 25 mei 2022. Daarbij was met de advocaat van de wederpartij afgesproken dat het uitstel zou worden gebruikt om een minnelijke regeling te beproeven.
3.4 Verweerder heeft in april en mei 2022 diverse e-mailberichten aan klager gestuurd met het verzoek om te reageren, zodat de wensen van klager ten aanzien van een minnelijke regeling dan wel de inhoud van de conclusie van antwoord konden worden besproken. Daarop is door klager niet gereageerd.
3.5 Verweerder heeft op 16 mei 2022 aan klager een e-mail gezonden waarin hij heeft meegedeeld dat hij contact heeft gezocht met de Orde van Advocaten Gelderland, omdat hij niet wist hoe te handelen nu klager op al zijn e-mails niet reageerde. De uitkomst van dit overleg was dat verweerder de rechtbank zou verzoeken om nader uitstel op grond van klemmende redenen, namelijk het feit dat verweerder geen contact kon krijgen met klager. Verweerder heeft klager nogmaals nadrukkelijk verzocht contact met hem op te nemen over de inhoud van de te nemen conclusie van antwoord, waarbij hij heeft aangegeven dat hij zich als zijn advocaat zou onttrekken als hij niet meer van klager verneemt.
3.6 Klager heeft hierop in zijn e-mail van 19 mei 2022 geantwoord dat de rechtbank om nader uitstel moest worden verzocht.
3.7 Verweerder heeft op 19 mei 2022 opnieuw een verzoek om uitstel voor het indienen van de conclusie van antwoord bij de rechtbank ingediend. Dit verzoek is door de rechtbank afgewezen.
3.8 Klager en verweerder hebben tussen 21 en 25 mei 2022 intensief met elkaar gecorrespondeerd over de inhoud van de conclusie van antwoord. Klager heeft in zijn e-mail van 25 mei 2022 verweerder verzocht de versie van de conclusie van antwoord die er toen lag, bij de rechtbank in te dienen, hetgeen verweerder dezelfde dag heeft gedaan.
3.9 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 november 2022, waarbij klager werd bijgestaan door verweerder.
3.10 Op 1 februari 2023 heeft de rechtbank vonnis gewezen. Daarbij heeft de rechtbank onder meer de verdeling van de nalatenschap vastgesteld. Klager heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
3.11 Naar aanleiding van e-mailberichten van klager van 19 en 20 februari 2023 heeft verweerder op 21 februari 2023 aan klager laten weten niet meer als zijn advocaat op te treden. Hij gaf aan dat hij niet kan leveren wat klager van hem verlangt. Als gevolg daarvan constateerde verweerder een vertrouwensbreuk en heeft hij zijn werkzaamheden voor klager neergelegd. Daarbij heeft hij klager verzocht de openstaande declaraties uiterlijk dezelfde week te voldoen.
3.12 Bij brief van 11 februari 2023 heeft klager een klacht over verweerder ingediend bij de klachtenfunctionaris van het kantoor van verweerder. De klachtenfunctionaris heeft in zijn brief van 7 juli 2023 gemotiveerd aangegeven dat hij de klacht ongegrond acht. Verder heeft hij erop gewezen dat verweerder overweegt een geschil aanhangig te maken bij de Geschillencommissie Advocatuur ter incassering van de openstaande facturen.
3.13 Op 19 juli 2023 heeft verweerder aan klager een akte van compromis voorgelegd, zodat de Geschillencommissie bevoegd kan zijn om te oordelen over het declaratiegeschil tussen klager en verweerder. Klager heeft hier niet op gereageerd.
3.14 Op 23 augustus 2023 heeft verweerder een civielrechtelijke procedure gestart tegen klager, omdat de betaling van zijn declaraties is uitgebleven.
3.15 Op 28 augustus 2023 heeft klager een klacht tegen verweerder bij de deken ingediend.
3.16 Bij vonnis van 1 augustus 2025, nadat klager de kantonrechter twee keer tevergeefs had gewraakt, is klager veroordeeld om aan verweerder te betalen een bedrag van € 11.192,53 te vermeerderen met de wettelijke rente. Klager heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De procedure in hoger beroep loopt nog ten tijde van deze beslissing.
4 KLACHT
4.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) de opdracht van klager niet zorgvuldig uit te voeren.
Toelichting: Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met de gezondheid en persoonlijke omstandigheden van klager. Zo heeft hij een kansloos uitstelverzoek bij de rechtbank ingediend, zonder goede gronden advies ingewonnen bij de deken en zonder goede reden gedreigd zich te onttrekken aan de zaak, hetgeen hij later ook heeft gedaan.
b) klager onvoldoende te informeren.
Toelichting: Verweerder heeft klager onvoldoende geïnformeerd over de wijze waarop gecommuniceerd
zou worden. Klager was altijd telefonisch goed bereikbaar. Verder heeft verweerder
nagelaten klager erover te informeren dat tegen de afwijzing van een uitstelverzoek
beroep kon worden ingesteld.
c) juridisch ondermaats te presteren.
Toelichting: Verweerder heeft een ondermaatse conclusie van antwoord ingediend bij de rechtbank.
Een aantal verweren ontbrak, de conclusie was onvoldoende gemotiveerd en er stond
een aantal fouten in. Tijdens de zitting is verweerder eveneens op meerdere punten
tekortgeschoten.
d) onterecht kosten bij klager in rekening te brengen, bijvoorbeeld voor e-mails
en brieven.
e) in strijd met zijn eigen algemene voorwaarden te handelen.
Toelichting: Verweerder heeft in strijd met zijn algemene voorwaarden gehandeld door een civielrechtelijke procedure bij de rechtbank tegen klager aan te spannen. In de algemene voorwaarden staat namelijk dat alle geschillen over de dienstverlening, inclusief alle declaratiegeschillen, worden voorgelegd aan de Geschillencommissie Advocatuur.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft voorafgaand aan de inhoudelijke beoordeling op het verzoek van klager om de zaak terug te verwijzen naar de deken geoordeeld dat er – gelet op de overgelegde stukken en de afgelegde verklaringen – onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor een nader onderzoek door de deken. De raad is overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling van de klacht, zoals omschreven in de aanbiedingsbrief van de deken.
5.2 De raad heeft vervolgens – na uiteenzetting van het toetsingskader – het volgende geoordeeld over de klachtonderdelen a) tot en met e).
Klachtonderdeel a)
5.3 De raad heeft met betrekking tot klachtonderdeel a) geoordeeld dat verweerder gemotiveerd (met stukken) verweer heeft gevoerd en dat niet gebleken is van enig klachtwaardig handelen of nalaten. Verweerder heeft aangevoerd dat hij geen rekening heeft kunnen houden met de gezondheidsproblemen en persoonlijke omstandigheden van klager, omdat klager hem daarover niet heeft geïnformeerd. Nadat er op verzoek van klager een eerste uitstel was verkregen met als doel om een minnelijke regeling te beproeven, heeft klager niet meer gereageerd op de berichten van verweerder over de inhoud van een dergelijke regeling. Pas zes dagen voor de roldatum heeft klager gereageerd en verweerder verzocht wederom om (zes weken) uitstel te verzoeken. Verweerder heeft dit gedaan, maar hij heeft klager duidelijk gemaakt dat hij het bijzonder weinig kansrijk achtte dat het verzoek door de rechtbank zou worden ingewilligd. Verweerder heeft zich tot de deken gewend voor advies omdat de roldatum van 25 mei 2022 aanstaande was en hij nog steeds geen reactie had gekregen op zijn talrijke berichten. In zijn brief aan klager van 16 mei 2022 heeft verweerder geen dreigement geuit, maar geschreven dat hij zich zal onttrekken als advocaat als hij geen contact meer kon krijgen met klager. Pas veel later, op 21 februari 2023 heeft verweerder zich onttrokken als advocaat naar aanleiding van de inhoud van een e-mail van klager. Op dat moment waren er geen roldata aanstaande, waardoor hij zijn werkzaamheden zonder (procedurele) consequenties kon beëindigen. De raad heeft dit klachtonderdeel ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel b)
5.4 Met betrekking tot klachtonderdeel b) heeft de raad geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat verweerder klager onvoldoende heeft geïnformeerd. Ook hier heeft verweerder naar het oordeel van de raad de klacht voldoende gemotiveerd betwist. Verweerder heeft aangevoerd dat hij uitgebreide telefoongesprekken met klager heeft gevoerd en verschillende e-mails aan klager heeft gestuurd met zijn conclusies en adviezen. Hij heeft tevergeefs meerdere rappels aan klager gestuurd, die ook door klager zijn ontvangen. Volgens verweerder heeft hij een voorkeur voor communicatie per e-mail om misverstanden zoveel mogelijk te voorkomen, maar reageerde klager ook niet op telefonische berichten van verweerder. Verweerder heeft volgens de raad verder gemotiveerd betwist dat hij klager er niet op zou hebben gewezen dat beroep mogelijk is tegen de afwijzing van het uitstelverzoek en daar aan toegevoegd dat een dergelijk beroep naar zijn mening kansloos was. Ook dit klachtonderdeel heeft de raad ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel c)
5.5 De raad heeft met betrekking tot klachtonderdeel c) geoordeeld dat verweerder heeft aangevoerd dat hij in de beperkte tijd die beschikbaar was zes concepten aan klager heeft voorgelegd met het verzoek om commentaar, dat klager daarop heeft kunnen reageren en dat diens reacties – zo nodig – zijn verwerkt, waarna klager in zijn e-mail van 25 mei 2022 onder dankzegging akkoord is gegaan met de zevende versie van de conclusie van antwoord. Daarnaast heeft verweerder klager in de gelegenheid gesteld om te reageren op de concept-pleitaantekeningen, maar heeft klager daarvan geen gebruik gemaakt. De raad heeft geoordeeld dat op basis van het verweer en de overgelegde stukken niet gebleken is dat verweerder klager juridisch onvoldoende deskundig heeft bijgestaan en dat niet valt in te zien welk verwijt verweerder in dezen kan worden gemaakt. De raad heeft ook klachtonderdeel c) ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel d)
5.6 Met betrekking tot klachtonderdeel d) heeft de raad geconstateerd dat verweerder in zijn e-mails aan klager diverse malen aandacht heeft gevraagd voor de oplopende kosten door de wijze waarop en de mate waarin door klager met verweerder werd gecommuniceerd. Klager heeft desondanks de intensiteit van de communicatie niet verminderd en veelvuldig de aandacht van verweerder gevraagd voor uiteenlopende onderwerpen, waarbij hij blijkens de inhoud van deze e-mails ook een reactie van verweerder verwachtte. Gelet hierop, valt volgens de raad niet in te zien om welke reden verweerder de door hem aan deze communicatie bestede uren niet bij klager zou mogen declareren. De raad heeft klachtonderdeel d) eveneens ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel e)
5.7 De raad heeft met betrekking tot klachtonderdeel e) geoordeeld dat verweerder de klacht afdoende heeft weerlegd en dat de handelwijze van verweerder in dezen niet ongebruikelijk en niet klachtwaardig is. Verweerder heeft betwist dat hij in strijd met zijn algemene voorwaarden heeft gehandeld door klager te dagvaarden in plaats van het declaratiegeschil voor te leggen aan de Geschillencommissie Advocatuur. Verweerder heeft erop gewezen dat uit verschillende recente uitspraken van de Geschillencommissie is gebleken dat in een consumentenzaak tot onbevoegdheid van de Geschillencommissie kan worden besloten, ondanks dat een dergelijk beding is opgenomen in de overeengekomen algemene voorwaarden. Dat was voor verweerder de reden om aan klager op 19 juli 2023 een akte van compromis voor te leggen, opdat de Geschillencommissie bevoegd kon zijn om te oordelen. Aangezien klager daarop niet is ingegaan, heeft verweerder een dagvaarding uitgebracht. De raad heeft ook dit klachtonderdeel ongegrond verklaard.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klager
6.1 Klager heeft in zijn beroepschrift van 22 december 2024 21 beroepsgronden tegen het oordeel van de raad gericht. Het hof begrijpt dat de beroepsgronden zich grotendeels richten tegen de klachtbehandeling op het kantoor van verweerder, bij de deken en bij de raad (waaronder de wrakingskamer van de raad), alsmede tegen de omvang en de omschrijving van de klacht (beroepsgronden 1 tot en met 16). Klager heeft in dit kader primair verzocht om een nieuw klachtschrift te mogen indienen. Subsidiair heeft hij verzocht het klachtdossier terug te verwijzen naar de deken voor heropening van het onderzoek, dan wel voor nader onderzoek van de klacht. Meer subsidiair heeft klager verzocht het hof alsnog alle negentien klachten uit zijn klachtbrief van 9 augustus 2023 te beoordelen. De overige beroepsgronden (beroepsgrond 17 tot en met 21) richten zich tegen de inhoudelijke beoordeling van de raad van klachtonderdelen a) tot en met e). Klager stelt zich (nog meer subsidiair) op het standpunt dat deze klachtonderdelen alsnog gegrond dienen te worden verklaard.
- Klachtbehandeling op het kantoor van verweerder (beroepsgrond 2 en 3)
6.2 Volgens klager heeft hij nooit een klacht over verweerder ingediend bij de klachtenfunctionaris van het kantoor van verweerder. Wel heeft hij in een brief van 12 mei 2023 om bemiddeling verzocht. Verweerder en de klachtenfunctionaris hebben ten onrechte zijn brief van 11 mei 2023 opgevat als aansprakelijkstelling en klacht. Klager heeft naar zijn zeggen de aansprakelijkstelling slechts opgenomen om de vervaltermijn uit de algemene voorwaarden veilig te stellen. Hij wilde echter geen officiële klacht indienen, maar met verweerder in gesprek. Ten onrechte is vervolgens door de klachtfunctionaris op 7 juli 2023 een oordeel conform de klachtenregeling opgesteld. Dit oordeel bevat volgens klager een aaneenschakeling van misleidingen en doelbewust geponeerde onwaarheden. Verweerder had ook geen akte van compromis Geschillencommissie Advocatuur aan klager mogen voorleggen omdat hierin ten onrechte staat dat partijen in onderling overleg getracht hebben het geschil op te lossen. Dit is volgens klager niet gebeurd. Uiteindelijk is de klachtbrief van verweerder van 9 augustus 2023, die wel een officiële klacht inhield, ten onrechte niet meer in behandeling genomen door de klachtenfunctionaris.
- Totstandkoming en omschrijving van de klacht door de deken (beroepsgronden 1, 5, en 6)
6.3 Klager handhaaft zijn standpunt dat de procedure bij de deken niet naar behoren is verlopen. Volgens klager heeft hij weliswaar het online klachtformulier ingevuld, maar is de door hem bij dit klachtformulier gevoegde brief van 9 augustus 2023 aan het kantoor van verweerder ten onrechte aangemerkt als officiële klacht. Klager heeft ter zitting bij het hof nader toegelicht dat hij wel een klacht had over verweerder, maar dat hij op dat moment geen klachtprocedure tegen verweerder wilde voeren. Klager wilde slechts dat de deken tot bemiddeling zou overgaan. Kennelijk heeft de stafjurist van de deken hem niet goed begrepen en is er toch een klachtprocedure gestart. De door klager gewenste bemiddeling heeft nooit plaatsgevonden. De deken heeft zonder uitleg laten weten bemiddeling tussen klager en verweerder niet opportuun te achten. De stafjurist heeft verweerder gevraagd verweer te voeren en heeft klager niet meer in de gelegenheid gesteld zijn klacht nauwkeuriger te formuleren en uit te breiden. Volgens klager is vervolgens de aanbiedingsbrief van de deken van 15 april 2024 opgesteld zonder dat daaraan de juiste klachtomschrijving en het juiste dossier ten grondslag lag. Het verzoek om klager te helpen met het op schrift stellen en verduidelijken van zijn klachten is ten onrechte afgewezen en opvolgende klachtschriften zijn ten onrechte door de deken niet in behandeling genomen, aldus klager. Daarnaast heeft de stafjurist de klachten uit de klachtbrief van klager van 9 augustus 2023 ten onrechte samengevat tot slechts vier klachten. Omdat de aanbiedingsbrief van 15 april 2024 gebrekkig tot stand is gekomen en de klacht van klager niet juist of volledig weergeeft, had volgens klager het onderzoek bij de deken opnieuw moeten worden gedaan en hadden de raad en het hof (nog) niet over de klacht zoals die nu is omschreven mogen oordelen.
- Klachtprocedure bij de raad en de procedure bij de wrakingskamer van de raad (beroepsgrond 4, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15 en 16 )
6.4 Volgens klager is ook de klachtprocedure bij de raad niet naar behoren verlopen. Klager verwijt de raad onder meer ten onrechte te zijn uitgegaan van de klachtomschrijving in de aanbiedingsbrief van de deken van 15 april 2024. Zoals hiervoor reeds is weergegeven is de klachtomschrijving volgens klager na een onzorgvuldige behandeling door de deken tot stand gekomen en de raad had dan ook niet mogen oordelen dat de samenvatting in de aanbiedingsbrief een juiste weergave is van de klacht van klager. Verweerder heeft relevante documenten achtergehouden en bewust een verkeerde voorstelling van de werkelijkheid gegeven, waarmee hij de tuchtrechters op het verkeerde been heeft gezet. Verweerder en de raad hebben bovendien onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van klager. Hierdoor is klager in zijn belangen geschaad, heeft hij geen eerlijke behandeling gekregen en zijn er fundamentele rechtsbeginselen geschonden. Zo had klager in het kader van “equality of arms” meer tijd moeten krijgen voor het opstellen van zijn klachtschrift en had de raad moeten zorgen dat alle klachten van klager daadwerkelijk in behandeling werden genomen, aldus klager. De raad had tegen die achtergrond niet kunnen komen tot een einduitspraak, maar de zaak moeten terugverwijzen naar de deken voor een nader onderzoek. Ook als de raad geen reden zag voor een nader onderzoek, had de raad in ieder geval moeten oordelen over alle onderdelen van de klacht. Volgens klager had de raad moeten oordelen over alle 19 klachten in zijn klachtbrief van 9 augustus 2023 en niet slechts over de samengevatte klachtomschrijving in de aanbiedingsbrief van de deken van 15 april 2024.
6.5 Klager heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de leden van de raad zijn zaak niet behoorlijk hebben behandeld, waardoor hij zich genoodzaakt heeft gezien een wrakingsverzoek in te dienen. Vervolgens is zijn wrakingsverzoek ten onrechte niet behandeld door een kamer van vijf leden, is het verzoek afgedaan zonder een mondelinge behandeling en is het verzoek ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Volgens klager zou het hof het wrakingsverzoek alsnog moeten beoordelen en afdoen.
- Klachtonderdeel a) en b) (beroepsgrond 17 en 18): onzorgvuldig uitoefenen van de opdracht en onvoldoende informeren
6.6 Klager handhaaft zijn standpunt dat verweerder zijn opdracht niet zorgvuldig heeft uitgevoerd en dat verweerder hem onvoldoende heeft geïnformeerd. Volgens klager heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met zijn gezondheid en zijn persoonlijke omstandigheden. Verweerder had moeten weten dat klager niet teveel tegelijk aan kon en had hem telefonisch moeten benaderen in plaats van zich te beroepen op het feit dat klager niet (tijdig) op zijn e-mails reageerde. Klager was altijd telefonisch goed bereikbaar. Verweerder had klager beter moeten uitleggen dat een (tweede) aanhoudingsverzoek weinig kansrijk was en dat tegen de afwijzing van een uitstelverzoek beroep kon worden ingesteld. Verweerder had ook niet zonder goede reden mogen dreigen zich te onttrekken aan de zaak, hetgeen hij later ook heeft gedaan, aldus klager.
- Klachtonderdeel c) (beroepsgrond 19): juridisch ondermaats presteren
6.7 Klager handhaaft eveneens zijn standpunt dat verweerder ondermaats heeft gepresteerd. Volgens klager was de tijd om de conclusie van antwoord op te stellen beperkt omdat verweerder te laat is gaan werken aan het processtuk. Klager heeft vervolgens in hele korte tijd de zes concepten die verweerder heeft verzonden moeten beoordelen en heeft geconstateerd dat verweerder veel informatie uit zijn eigen conceptconclusie niet heeft verwerkt. Daarnaast heeft hij verweerder moeten wijzen op onjuistheden. Volgens klager heeft hij in zijn e-mail van 25 mei 2025 laten weten aan verweerder dat de conclusie van antwoord ernstig tekortschiet. Uiteindelijk heeft klager zich gedwongen gevoeld akkoord te gaan met de zevende conclusie van antwoord, om te voorkomen dat de conclusie te laat zou worden ingediend en de rechtbank bij het ontbreken van verweer de vorderingen van de wederpartij zou toewijzen.
- Klachtonderdeel d) (beroepsgrond 20): onterecht kosten bij klager in rekening brengen
6.8 Klager verwijt verweerder ook in hoger beroep dat hij nodeloos kosten voor e-mails en brieven in rekening heeft gebracht. Volgens klager heeft verweerder excessief gedeclareerd door betaling van hem te verlangen van € 11.617,85. Omdat de deskundigheid en vaardigheden van verweerder ernstig tekort schieten, is zijn hoge tarief van € 223,85 niet gerechtvaardigd.
- Klachtonderdeel e) (beroepsgrond 21): handelen in strijd met zijn eigen algemene voorwaarden
6.9 Klager handhaaft tot slot zijn standpunt dat verweerder in strijd met zijn algemene voorwaarden heeft gehandeld door een civielrechtelijke procedure bij de rechtbank tegen klager aan te spannen, terwijl in de algemene voorwaarden staat dat alle geschillen over de dienstverlening zullen worden voorgelegd aan de Geschillencommissie Advocatuur. Uit het gegeven dat klager niet de akte van compromis heeft ondertekend volgt nog niet dat verweerder een civiele procedure mocht beginnen, aldus klager.
Verweer in beroep van verweerder
6.10 Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd in beroep. Waar dat relevant is, bespreekt het hof dit bij de beoordeling van het beroep.
7 BEOORDELING HOF
Omvang van het hoger beroep
- Beroepschrift van 22 december 2024
7.1 De uitspraak van de raad is op 22 november 2024 aan klager verzonden. Daarmee is het beroepschrift van 22 december 2024 met 75 bijlagen tijdig ingediend en gaat het hof van dit beroepschrift uit. Dit beroepschrift bevat een aanvulling op het beroepschrift van 18 december 2024 en komt verder vrijwel overeen. Verweerder heeft ook op dit beroepschrift van 22 december 2024 gereageerd. Het beroepschrift van 25 december 2024 is te laat ingediend en zal buiten beschouwing worden gelaten.
- Indiening nadere stukken
7.2 Klager heeft op de dag van de mondelinge behandeling op 8 juni 2025 bij brief van die datum nog aanvullende producties willen indienen. Het betreft voor een deel eerder ingediende producties waar volgens klager enkele fouten in zijn geslopen. Daarnaast betreft het aanvullende producties 76 tot en met 83. Verweerder heeft aangegeven bezwaar te hebben tegen het indienen van de stukken. Verweerder heeft de stukken pas anderhalf uur voor de zitting ontvangen en heeft geen kennis kunnen nemen van de stukken, mede omdat ze door middel van een link zijn ingediend. Het hof beslist dat geen acht op de producties zal worden geslagen, omdat deze omvangrijk en niet eenvoudig te doorgronden zijn, en zonder noodzaak vlak voor de zitting zijn ingediend. Verweerder heeft in redelijkheid niet voldoende kunnen kennisnemen van de bijlagen en zich onvoldoende kunnen voorbereiden op een verweer daartegen. Wegens strijd met de goede procesorde wordt de brief van 8 juni 2026 met de bijlagen 76 -83 daarom buiten beschouwing gelaten.
- Omvang van de (klacht)omschrijving en het verzoek om terugverwijzing naar de deken
7.3 Klager wil primair dat hij in staat wordt gesteld om een nieuw klachtschrift in te dienen. Subsidiair wil hij dat de zaak wordt terugverwezen naar de deken en meer subsidiair wil hij dat zijn 19 klachten uit zijn klachtbrief van klager van 9 augustus 2023 alsnog worden behandeld.
7.4 Uit het klachtdossier volgt dat klager via het webformulier van 28 augustus 2023 zijn klacht heeft ingediend. Hij heeft hierin onder het kopje “wilt u uw klacht onderbouwen” verwezen naar zijn klachtbrief die hij als bijlage heeft meegezonden (hof: de brief van 9 augustus 2023) en aangegeven dat hij zich het recht voorbehoud zijn klacht verder aan te vullen en te verbeteren. Dat de deken dit formulier en de bijgevoegde brief heeft opgevat als klacht en niet als bemiddelingsverzoek ligt gelet de wijze waarop klager het formulier zelf heeft ingevuld meer voor de hand dan de zienswijze van klager. Dat klager vervolgens in een telefoongesprek met de stafjurist van de deken zou hebben aangegeven dat hij slechts bemiddeling wilde, acht het hof evenmin aannemelijk, aangezien klager wel het griffierecht heeft betaald om de klacht te laten beoordelen door de raad. De deken heeft vervolgens de 19 klachten in de brief van klager van 9 augustus 2023 samengevat en geparafraseerd. Niet gebleken is dat de deken daarbij bepaalde klachten niet heeft meegenomen. Verweerder heeft zich tegen de in de aanbiedingsbrief van de deken samengevatte klacht verweerd en er belang bij dat er binnen een redelijke termijn op de tegen hem ingediende klacht wordt beslist. Het door klager laten indienen van een nieuw klachtschrift is tegen deze achtergrond een gepasseerd station en in strijd met de goede procesorde. Klager heeft voldoende ruimte gehad om zijn klacht te formuleren en te onderbouwen.
7.5 De raad heeft vervolgens beslist op de overeenkomstig de omschrijving van de deken vastgestelde klacht. Het is overigens de tuchtrechter die klachtomschrijving vaststelt (HvD, 5 februari 2028, ECLI:NL:TAHVD:2018:36). Niet gebleken is dat de raad daarbij op een onbegrijpelijke wijze de klacht heeft vastgesteld en heeft verzuimd om te beslissen op een onderdeel van deze klacht. Het hof zal in hoger beroep dan ook uitgaan van de klacht zoals die door de raad is vastgesteld.
7.6 Het hof ziet – gelet op het voorgaande – evenmin aanleiding om de zaak terug te verwijzen naar de deken of de raad voor nader onderzoek. Partijen hebben een beroepschrift en een verweerschrift ingediend bij het hof beide met uitgebreide bijlagen en de zaak is vervolgens behandeld op de mondelinge behandeling van 8 juni 2026. Partijen hebben daarmee hun standpunten voldoende naar voren kunnen brengen en kunnen onderbouwen.
Klachtbehandeling op het kantoor van verweerder, procedure bij de raad en de procedure bij de wrakingskamer van de raad.
7.7 Het hof stelt voorop dat de wijze van de klachtbehandeling op het kantoor van verweerder niet valt onder de klachtomschrijving die bij het hof voorligt. In zoverre is het een nieuw verwijt tegen verweerder en laat het hof dit buiten beschouwing. Ten overvloede merkt het hof op dat het oordeel van 7 juli 2023 van de klachtfunctionaris van het kantoor van verweerder niet door verweerder is opgesteld, zodat – zonder nadere toelichting – niet valt in te zien in hoeverre verweerder hiervan een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Dat de klacht van 9 augustus 2023 niet nogmaals door de klachtfunctionaris in behandeling is genomen, is niet onlogisch omdat de klacht – voor zover daar niet reeds op 7 juli 2023 was beslist – kort daarna bij de deken is ingediend.
7.8 Voorzover klager zich op het standpunt stelt dat de raad ten onrechte heeft geoordeeld dat de samenvatting in de aanbiedingsbrief een juiste weergave is van de klacht van klager, verwijst het hof naar hetgeen hiervoor onder 7.3 – 7.6 is overwogen.
7.9 Dat de procedure bij de raad anderszins niet eerlijk is verlopen omdat verweerder de leden van de raad op het verkeerde been heeft gezet, de leden van de raad onvoldoende rekening hebben gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden of omdat de leden van de raad niet onpartijdig waren, is niet gebleken. Daarbij heeft klager hoger beroep ingesteld en kunnen aanvoeren waarom de beslissing van de raad zou moeten worden vernietigd. Eventuele omissies kunnen in dit hoger beroep worden hersteld. Daarmee is een fair trial geborgd.
7.10 Wat de procedure bij de wrakingskamer betreft wijst het hof erop dat daartegen geen hoger beroep open en niet ter beoordeling bij het hof voorligt.
Inhoudelijke beoordeling
- Maatstaf
7.11 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een klacht over een advocaat het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
7.12 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijke bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.
7.13 Zowel uit vaste jurisprudentie van het hof als uit Regel 16 van de Gedragsregels advocatuur 2018 (verder: gedragsregel 16) volgt dat het tot de taak van de advocaat behoort om belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Indien zich na de opdrachtbevestiging en met de cliënt besproken strategie ontwikkelingen voordoen die tot andere inzichten leiden, dient de advocaat dat met zijn cliënt te bespreken en hem zorgvuldig te adviseren. Daarbij moet de advocaat zich ervan vergewissen of de cliënt alles goed heeft begrepen en of hij de gevolgen van de gekozen strategie voldoende overziet. Zo nodig moet hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt bevestigen. De cliënt kan de advocaat niet verantwoordelijk houden voor een negatieve afloop, maar er moet wel als het ware een ‘informed consent’ zijn; de cliënt moet zich bewust zijn van de risico’s die aan bepaalde keuzes kleven.
- Klachtonderdeel a): onzorgvuldig uitoefenen van de opdracht
7.14 Het hof is anders dan klager van oordeel dat verweerder zijn opdracht zorgvuldig heeft uitgevoerd. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de raad dat verweerder geen rekening heeft kunnen houden met de gezondheidsproblemen en persoonlijke omstandigheden van klager, omdat klager hem daarover niet, dan wel onvoldoende, heeft geïnformeerd. Ook met betrekking tot het uitstelverzoek voor de conclusie van antwoord heeft verweerder zorgvuldig gehandeld. Nadat aanvankelijk op verzoek van klager een eerste uitstel was verkregen met als doel een minnelijke regeling te beproeven, heeft klager geruime tijd niet gereageerd op (e-mail)berichten van verweerder over de inhoud van een dergelijke regeling. Verweerder heeft niet alleen per e-mail bericht maar heeft ook nog een brief van 12 mei 2022 bij klager persoonlijk in zijn brievenbus gestopt. Dat verweerder vervolgens contact heeft opgenomen met de deken voor advies omdat hij geen contact met klager kreeg en roldatum voor het nemen van de conclusie van antwoord op 25 mei 2022 naderde, acht het hof eveneens zorgvuldig. Verweerder heeft klager bij brief van 16 mei 2022 ook geïnformeerd over dit contact met de deken. Hij heeft daarin uitgelegd dat hij om uitstel zal verzoeken bij de rechtbank, maar de wederpartij zich waarschijnlijk daartegen zal verzetten. Het hof is met de raad van oordeel dat de mededeling van verweerder in die brief dat hij zich zal onttrekken als hij geen contact meer kan krijgen met klager, geen dreigement inhoudt en ook niet onzorgvuldig is. Klager heeft vervolgens pas zes dagen voor de roldatum bij e-mail van 19 mei 2022 aan verweerder gevraagd om de rechtbank te verzoeken om (een tweede) uitstel van zes weken te verlenen voor het indienen van de conclusie van antwoord. Verweerder heeft vervolgens de rechtbank om dit uitstel verzocht, maar heeft wel meermaals (in zijn e-mails van 21 mei 2022) aangegeven dat hij het bijzonder weinig kansrijk achtte dat het verzoek door de rechtbank zou worden ingewilligd. Ook hierin heeft verweerder zorgvuldig gehandeld. Hij heeft alle belangrijke communicatie schriftelijk gevoerd en vastgelegd. Verweerder heeft zich vervolgens pas veel later op 21 februari 2023 onttrokken naar aanleiding van een e-mail van klager van 20 februari 2023. Dat verweerder op basis van deze brief oordeelt dat sprake is van een vertrouwensbreuk, acht het hof niet onbegrijpelijk. Omdat er op dat moment geen spoedeisende handelingen verricht moesten worden, kon verweerder zijn werkzaamheden ook (zonder) processuele consequenties beëindigen, zodat ook hier geen sprake is van onzorgvuldig handelen door verweerder.
7.15 Het hof is van oordeel dat verweerder zijn opdracht zorgvuldig heeft uitgevoerd en dat hij op dit punt niet klachtwaardig heeft gehandeld of nalatig is geweest. Klachtonderdeel a) is ongegrond.
- Klachtonderdeel b): onvoldoende informeren
7.16 Voorzover klager zijn standpunt heeft gehandhaafd dat verweerder hem onvoldoende heeft geïnformeerd en in het bijzonder over de wijze waarop gecommuniceerd zou worden, volgt het hof klager niet in zijn standpunt. Uit de overgelegde stukken volgt dat verweerder klager voldoende heeft geïnformeerd. Verweerder heeft meerdere telefoongesprekken met klager gevoerd en uitgebreide e-mails aan klager gestuurd met zijn conclusies en adviezen. Ook heeft hij tevergeefs meerdere rappellen aan klager gestuurd, die door klager wel zijn ontvangen. Klager geeft zelf in zijn e-mail van 19 mei 2022 aan dat hij wegens andere bezigheden en zijn beperkte capaciteiten niet kon reageren.
Dat verweerder er voor heeft gekozen om met name via e-mail met klager te communiceren, is gelet op gedragsregel 16 niet onzorgvuldig en is gelet op onderlinge verhouding tussen klager en verweerder ook niet onbegrijpelijk. Verweerder heeft in zijn e-mails (waaronder die van 21 mei 2022, 31 augustus 2022 en 1 september 2022) meermaals aangegeven dat hij bepaalde vragen van klager schriftelijk heeft beantwoord omdat aan hem is gebleken dat klager ook na telefonisch overleg dezelfde vragen wederom stelt, dan wel in zijn standpunten blijft volharden. Dat klager niet altijd (tijdig) op e-mails reageerde en wel telefonisch bereikbaar was, kan onder die omstandigheden niet aan verweerder worden toegerekend.
7.17 Ook voor het overige ziet het hof op basis van de beroepsgrond die is gericht op klachtonderdeel b) en het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van klachtonderdeel b) te komen dan de raad. Het hof sluit voor het overige aan bij de beslissing van de raad en neemt die over.
- Klachtonderdeel c): juridisch ondermaats presteren
7.18 Naar het oordeel van het hof heeft verweerder klager juridisch voldoende deskundig bijgestaan. Voorzover de conclusie van antwoord onder tijdsdruk is ontstaan en verstuurd, is deze tijdsdruk door klager zelf veroorzaakt. Reeds op 8 april 2022 heeft verweerder aan klager voorgesteld om te beginnen met een aanzet tot de conclusie van antwoord omdat het opstellen van een conclusie “intensiever is dan het beproeven van een minnelijke regeling”. Klager was het daarmee niet eens en wilde dat verweerder inzette op een beproeven van een minnelijke regeling. Op 11 april 2022 heeft verweerder dan ook aan klager medegedeeld dat hij het opstellen van een conclusie van antwoord staakt en inzet op een uitstelverzoek. Dat uitstel is verleend tot 25 mei 2022. Vervolgens heeft verweerder op 9 mei 2022 om input binnen een week gevraagd voor het weer een aanvang nemen met het opstellen van de conclusie. Vervolgens heeft klager niet gereageerd op herinneringen op input. Zoals hiervoor onder 7.16 reeds is overwogen heeft klager, kennelijk wegens andere bezigheden er kennelijk voor gekozen om niet te reageren op de rappellen van verweerder. Dat komt voor klagers eigen rekening. In de korte tijd die vervolgens resteerde om de conclusie van antwoord op te stellen is tussen klager en verweerder veelvuldig gecorrespondeerd en zijn er door verweerder zes concepten aan klager voorgelegd met het verzoek om commentaar. Klager heeft daarop ook kunnen reageren, waarna verweerder diens reacties – zo nodig – heeft verwerkt. Bij e-mail van 24 mei 2022 (22.09 uur) heeft verweerder de conclusie van antwoord gezonden die verweerder met klager telefonisch had besproken. Klager heeft daarop in zijn e-mail van 25 mei 2022 (05.25 uur) aan verweerder verzocht de conclusie van antwoord in te dienen die hij de avond te voren van verweerder had ontvangen.
7.19 Het verwijt van klager dat verweerder de door hem zelf opgestelde conclusies niet (volledig) heeft overgenomen en dat verweerder standpunten/vorderingen van klager niet in de conclusie van antwoord heeft opgenomen, gaat niet op. Verweerder heeft als advocaat volledige verantwoordelijkheid voor de behandeling van een zaak. Weliswaar dient een advocaat de belangen van zijn cliënt te behartigen, maar hij is daarbij wel ‘dominus litis’. Dat houdt in dat de advocaat de vrijheid heeft een zaak te behandelen op een wijze die hem goeddunkt en hij niet verplicht is gevolg te geven aan verzoeken van zijn cliënt die hij kansloos acht of waarvan de advocaat meent dat deze de zaak niet ten goede komen. Verweerder heeft in zijn e-mailcorrespondentie aan klager uitgebreid toegelicht welke keuzes hij bij de behandeling van de zaak van klager heeft gemaakt. Klager is met die keuzes die in de conclusie van antwoord zijn gemaakt ook uiteindelijk akkoord gegaan. Het is het hof niet gebleken dat verweerder daarin ondeskundig heeft gehandeld. Dit geldt te meer nu verweerder onbetwist heeft aangevoerd dat de door (de nieuwe advocaat van) klager in de nalatenschapsprocedure in hoger beroep ingediende memorie van grieven volledig is geënt op hetgeen verweerder in de conclusie van antwoord naar voren heeft gebracht en dat behoudens een kleine bijtelling in het saldo van de nalatenschap, het vonnis van de rechtbank in hoger beroep is bekrachtigd.
7.20 Ook voor het overige is het hof niet gebleken dat verweerder klager juridisch onvoldoende deskundig heeft bijgestaan. Klachtonderdeel c) is eveneens ongegrond.
- Klachtonderdeel d): onterecht kosten bij klager in rekening brengen
7.21 Klager handhaaft zijn standpunt dat verweerder nodeloos kosten in rekening heeft gebracht voor e-mails en brieven en dat hij ten onrechte een excessief bedrag van € 11.617,85 heeft gedeclareerd. Het hof volgt dit standpunt niet. Verweerder heeft in zijn e-mails aan klager diverse malen aandacht gevraagd voor de oplopende kosten door de door klager gekozen strategie en de wijze waarop en de mate waarin door klager met verweerder is gecommuniceerd. Verweerder heeft ter onderbouwing onder meer zijn e-mails van 7 april 2022, 8 april 2022, 28 juli 2022, 10 augustus 2022, 31 augustus 2022, 28 december 2022, 8 februari 2023 en 19 februari 2023 overgelegd. Naar het oordeel van het hof volgt hieruit dat verweerder klager veelvuldig heeft gewaarschuwd voor de oplopende kosten. Klager heeft desondanks de intensiteit van de communicatie niet verminderd en veelvuldig de aandacht van verweerder gevraagd voor uiteenlopende onderwerpen. Tegen die achtergrond is het hof met de raad van oordeel dat het niet valt in te zien waarom verweerder de door hem aan deze communicatie bestede uren niet bij klager zou mogen declareren. Ook anderszins is niet gebleken dat de door verweerder in rekening gebrachte facturen excessief zouden zijn. Klachtonderdeel d) is ongegrond.
- Klachtonderdeel e): handelen in strijd met zijn eigen algemene voorwaarden
7.22 Met betrekking tot het handelen van verweerder in strijd met zijn eigen algemene voorwaarden ziet het hof op basis van de beroepsgronden van klager, die louter een herhaling inhouden van eerder door klager ingenomen standpunten, en het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling te komen dan de raad. Het hof sluit zich aan bij de beslissing van de raad en neemt die over. Klachtonderdeel e) is ongegrond.
Slotsom
7.23 De conclusie is dat het hof, evenals de raad, de klacht van klager in alle klachtonderdelen ongegrond acht. Het hof verwerpt het beroep van klager en zal de beslissing van de raad bekrachtigen.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
8.1 bekrachtigt de beslissing van 18 november 2024 van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 24-264/AL/GLD.
Deze beslissing is genomen door mr. J. Blokland, voorzitter, mrs. D. Wachter en F.C. van der Jagt-Vink, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. Baan, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 3 augustus 2026 .