ECLI:NL:TAHVD:2026:244 Hof van Discipline 's Gravenhage 260152

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:244
Datum uitspraak: 31-07-2026
Datum publicatie: 31-07-2026
Zaaknummer(s): 260152
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Beklag tegen beslissing raad van toezicht houdende verzet tegen de inschrijving
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet gedeeltelijk gegrond. In tegenstelling tot de deken maakt het hof uit de stukken niet op dat klaagster de notarissen alleen aansprakelijk wil stellen. In haar verzoek om aanwijzing geeft klaagster aan ook tegen de notarissen een procedure te willen starten. Het aanwijzingsverzoek van klaagster strekt daarmee verder dan wat de deken heeft aangevoerd (alleen aansprakelijk stellen). Op dit onderdeel heeft de deken het aanwijzingsverzoek te beperkt opgevat. Daarmee ontvalt in zoverre de grondslag aan de beslissing van de deken. De deken zal dan ook opnieuw moeten beslissen op het verzoek van klaagster voor zover dit op de kwestie aangaande de notarissen ziet.

Beslissing van 31 juli 2026
in de zaak 260152

    
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:


klaagster
    

tegen:
    
mr. G.H.H. Kerkhof
Deken van de Orde van Advocaten Overijssel 

de deken

   DE PROCEDURE 

Bij de deken

1.1    Klaagster heeft bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. 

1.2    De deken heeft dit verzoek afgewezen met de beslissing van 20 april 2026. De deken heeft in haar beslissing opgemerkt dat zij uit het verzoek afleidt dat het gaat om aanwijzing van een advocaat in een drietal zaken en zij geen advocaat kan aanwijzen nu twee van de drie zaken niet zullen dienen in  het arrondissement Overijssel en in de derde zaak rechtsbijstand door een advocaat niet vereist is. 

Bij het hof

1.3    Klaagster heeft op 22 april 2026 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het Hof van Discipline (hierna: het hof). 

1.4    Verder bevat het dossier:
-    het verweer van de deken
-    de repliek.

1.5    Het hof heeft het beklag van klager behandeld op basis van de stukken in het dossier. 


   FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1    Klaagster heeft op 7 april 2026 bij de deken schriftelijk een verzoek om aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet ingediend. Dit verzoek is door de deken op 8 april 2026 ontvangen. 5 en 17 april 2026 heeft klaagster haar verzoek aangevuld. 

2.2    Het aanwijzingsverzoek van klaagster heeft betrekking op drie zaken: klaagster wil de Nederlandse Staat, het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), het UWV en twee notarissen aansprakelijk stellen. Klaagster geeft aan dat het een vordering betreft wegens onrechtmatige overheidsdaad, ambtelijke verduistering en de voortdurende schending van fundamentele mensenrechten (artt. 2, 3 4, 6 en 13 EVRM). 

2.3    Op 4 maart 2026 heeft klaagster bij de Raad van Bestuur van het UWV te Amsterdam een verzoek ingediend tot administratief herstel, inclusief netto nabetaling, wettelijke rente en immateriĆ«le schadevergoeding. Ten aanzien van de twee notarissen heeft klaagster op 7 april 2026 een klacht ingediend bij de Kamer voor het Notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden.

2.4    Nadat de deken het aanwijzingsverzoek van klaagster heeft afgewezen bij beslissing van 
20 april 2026 heeft verweerster diezelfde dag bij de deken bezwaar ingediend tegen de afwijzingsbeslissing. De deken heeft klaagster daarop laten weten dat zij beklag kon instellen bij het hof, wat klaagster op 22 april 2026 heeft gedaan. 

3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag

3.1    Klaagster stelt dat de deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen waartoe klaagster (samengevat) het navolgende aanvoert:
 
1) de deken baseert haar onbevoegdheid op een onjuiste interpretatie van de geografische grenzen van de Advocatenwet. Volgens klaagster is de deken zelfstandig bevoegd tot aanwijzing op grond van artikel 13 lid 1 Advocatenwet; 
2) de weigering van de deken om een advocaat aan te wijzen schendt het recht van klaagster op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM);
3) de deken mag de complexiteit van de zaak van klaagster niet tegen klaagster gebruiken door geen advocaat aan te wijzen;
4) de deken ziet de kwestie van de zaak over de notarissen ten onrechte als een losstaand feit; Volgens klaagster moet deze kwestie in samenhang worden gezien met de staatsaansprakelijkheid; 
5) de weigering van de deken om een advocaat aan te wijzen kwalificeert als een schending van artikel 3 EVRM (verbod op onmenselijke behandeling). 

Verweer

3.2    De deken heeft aangevoerd dat zij op grond van artikel 13 lid 1 Advocatenwet en jurisprudentie van het hof uitsluitend de bevoegdheid heeft een advocaat aan te wijzen als de zaak zal dienen in het arrondissement waarin zij deken is. Daarvan is volgens de deken geen sprake voor zover het betreft de door klaagster gewenste procedure tegen de Staat (arrondissement Den Haag) en het UWV (arrondissement Amsterdam). Nu de deken zich houdt aan de wet is een schending van het EVRM niet aan de orde. 

3.3    Voor het aansprakelijk stellen van de twee notarissen heeft klaagster volgens de deken geen rechtsbijstand nodig. De deken voert verder aan dat zij deze kwestie los van de andere twee zaken mocht toetsen. 

3.4    De deken heeft het hof verzocht het beklag ongegrond te verklaren. 


4    BEOORDELING

Toetsingskader

4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

Ten aanzien van de juridische stappen tegen de Staat en het UWV

4.2    Een eventuele procedure tegen de Staat zal klaagster aanhangig dienen te maken in het arrondissement Den Haag en een eventuele procedure tegen het UWV in het arrondissement Amsterdam. Op grond van artikel 13 lid 1 Advocatenwet dient klaagster bij de dekens van deze arrondissementen een verzoek tot aanwijzing van een advocaat in te dienen. Het hof is met de deken van oordeel dat de deken niet bevoegd is om een advocaat aan te wijzen voor een procedure in een ander arrondissement dan waar zij deken is (Hof van Discipline 26 augustus 2022, ECL:NL:TAHVD:2022:134). 

Ten aanzien van de juridische stappen tegen de notarissen

4.3    In tegenstelling tot de deken maakt het hof uit de stukken niet op dat klaagster de notarissen alleen aansprakelijk wil stellen. In haar verzoek om aanwijzing geeft klaagster aan ook tegen de notarissen een procedure te willen starten. Het aanwijzingsverzoek van klaagster strekt daarmee verder dan wat de deken heeft aangevoerd (alleen aansprakelijk stellen). De notarissen zijn (waren) gevestigd te Zwolle, derhalve in het arrondissement van de deken. Op dit onderdeel heeft de deken het aanwijzingsverzoek te beperkt opgevat. Daarmee ontvalt in zoverre de grondslag aan de beslissing van de deken. De deken zal dan ook opnieuw moeten beslissen op het verzoek van klaagster voor zover dit op de kwestie aangaande de notarissen ziet.

5    BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- verklaart het beklag van klaagster tegen de beslissing van 20 april 2026 van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel gegrond voor zover het beklag is gericht tegen de afwijzing door de deken van de verzochte aanwijzing van een advocaat in de zaak betreffende de procedure tegen de notarissen; 

- draagt de deken van de Orde van Advocaten Overijssel op om met inachtneming van deze beslissing opnieuw te beslissen op dit gedeelte van het aanwijzingsverzoek van klaagster als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet; 

- verklaart het beklag voor het overige ongegrond.


Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. A.R. Sturhoofd en A. Groenewoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026.

griffier     voorzitter

De beslissing is verzonden op 31 juli 2026.