ECLI:NL:TAHVD:2026:242 Hof van Discipline 's Gravenhage 260259 260260 260261

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:242
Datum uitspraak: 30-07-2026
Datum publicatie: 31-07-2026
Zaaknummer(s):
  • 260259
  • 260260
  • 260261
Onderwerp: Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Verwijzing
Beslissingen:
  • Voorzittersbeslissing
  • Verwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht over deken niet verwezen. De vijf klachten van klaagster over verweerster hebben betrekking op het dekenaal onderzoek dat verweerster heeft uitgevoerd naar aanleiding van de tuchtklachten die klaagster over mr. V heeft ingediend. Een klacht over een deken is geen middel om de inhoud van een dekenvisie op een tuchtklacht over een andere advocaat ter discussie te stellen.

Beslissing van de voorzitter van
het Hof van Discipline

    
van  30 juli 2026
in de zaken 260259, 260260 en 260261

    
naar aanleiding van de klachten van:
    
     
    
klaagster 
    
tegen:

mr. I. Aardoom-Fuchs 
advocaat en deken te Den Haag 
    
verweerster

1    HET VERZOEK

260259 

1.1    De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht van 29 mei 2026 van een medewerker van het Bureau van de Haagse Orde van Advocaten. Hierin is een klacht van klaagster over verweerster van 18 mei 2026 onder de aandacht gebracht van het hof. Verzocht is de klacht te verwijzen naar een andere deken voor behandeling van de klacht. Ook is erop gewezen dat klaagster reeds eerder twee klachten heeft ingediend. De eerste klacht is ingetrokken, de tweede klacht is afgedaan door het hof  onder nummer 260068 op 4 maart 2026. Het daartegen ingestelde verzet is op 13 juli 2026 ongegrond verklaard.

1.2     In de (derde) klacht van 18 mei 2026 heeft klaagster -kort gezegd- aangevoerd dat verweerster bij de behandeling van de tweede door hem tegen mr. V ingediende tuchtklacht, die advocaat “openlijk heeft gesteund in het misbruiken van het geschil met de minister van Justitie en Veiligheid als dekmantel voor diens onrechtmatig handelen”.

260260

1.3    De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht van 11 juni 2026 van een medewerker van het Bureau Haagse Orde van Advocaten. Hierin is een klacht van klaagster over verweerster van 30 mei 2026 onder de aandacht gebracht van het hof. Verzocht is de klacht te verwijzen naar een andere deken voor behandeling van de klacht.
 
1.4    Deze (vierde) klacht van 30 mei 2026 heeft klaagster -kort gezegd- ingediend “om verweersters ondermijnen van de waarheidsvinding en het ondermijnen van klaagsters rechtspositie een halt toe te roepen”.

260261

1.5    De voorzitter van het hof verwijst naar het e-mailbericht van 26 juni 2026 van een medewerker van het Bureau Haagse Orde van Advocaten. Hierin is een klacht van klaagster over verweerster van 26 juni 2026 onder de aandacht gebracht van het hof. Verzocht is de klacht te verwijzen naar een andere deken voor behandeling van de klacht.

1.6    Deze (vijfde) klacht van 26 juni 2026 heeft klaagster -kort gezegd- ingediend “om het continueren van verweerster trainerend handelen in het verantwoordelijk stellen van mr. V voor zijn handelen aan de orde te stellen”.


2    DE BEOORDELING

2.1  Op grond van het bepaalde in artikel 46c lid 5 Advocatenwet dient een klacht tegen een deken in beginsel te worden verwezen naar een deken van een andere orde. De voorzitter zal hiertoe echter niet beslissen en licht dit als volgt toe.

2.2    De vijf klachten van klaagster over verweerster hebben betrekking op het dekenaal onderzoek dat verweerster heeft uitgevoerd naar aanleiding van de tuchtklachten die klaagster over mr. V heeft ingediend. Een klacht over een deken is geen middel om de inhoud van een dekenvisie op een tuchtklacht over een andere advocaat ter discussie te stellen. Klaagster kan de klacht over mr. V, na betaling van het griffierecht, voorleggen aan de Raad van Discipline en laten beoordelen door de tuchtrechter. Binnen de kaders van die procedure kan klaagster naar voren brengen op welke punten de visie van verweerster (in haar hoedanigheid van deken) volgens klaagster niet deugt en dat de tuchtrechter tot een andere conclusie zou moeten komen dan verweerster. Uit de stukken kan worden opgemaakt dat klaagster dit ook heeft gedaan en  procedures heeft gevoerd bij de raad Den Haag. Daarom zal de voorzitter in rubriek 1. genoemde klachten over verweerster niet verwijzen.


3    BESLISSING

De voorzitter van het Hof van Discipline:

- wijst de verzoeken tot verwijzing af.


Deze beslissing is genomen op 30 juli 2026 door mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter.

Plaatsvervangend voorzitter

De beslissing is verzonden op 30 juli 2026.