ECLI:NL:TAHVD:2026:241 Hof van Discipline 's Gravenhage 240355W2
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:241 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 21-07-2026 |
| Datum publicatie: | 28-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 240355W2 |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Wraking |
| Beslissingen: | Wraking |
| Inhoudsindicatie: | Wrakingsverzoek deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond. Voor zover verzoeker dezelfde gronden aanvoert waarop op grond van artikel 3.1 Wrakingsprotocol al is beslist bij beslissing van 4 juni 2026 is het herhaalde verzoek kennelijk niet-ontvankelijk. Nu dit het tweede wrakingsverzoek betreft dat direct verband houdt met de hoofdprocedure en verzoeker tevens een derde voorwaardelijk wrakingverzoek heeft ingediend bij het hof en er dus sprake is van een patroon van wrakingen en bovendien een herhaling van wrakingsgronden waarop reeds is beslist, kan de conclusie niet anders zijn dat er sprake is van misbruik van recht. Het hof zal bepalen dat een volgend wrakingsverzoek in de hoofdzaak wegens misbruik van recht niet meer in behandeling wordt genomen (artikelen 7.2 en 7.3 Wrakingsprotocol). |
Beslissing van 21 juli 2026
in de zaak 240355W2
naar aanleiding van het wrakingsverzoek van:
verzoeker
tegen:
mr. J. Blokland
lid van het hof van discipline
de rechter van wie de wraking is verzocht (hierna: betrokkene)
1 DE PROCEDURE BIJ DE RAAD EN HET HOF
1.1 Het hof heeft verwijst naar de beslissing van de raad van discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden van 18 november 2024 (zaaknummer: 24-264/AL/GLD). In deze beslissing is de klacht van verzoeker over mr. B (verwerend advocaat in de hoofdzaak) op alle onderdelen ongegrond verklaard.
1.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2024:276 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
1.3 Het beroepschrift met bijlagen van verzoeker van 22 december 2024 is door het hof in behandeling genomen onder zaaknummer 240355.
1.4 Het beroep is mondeling behandeld op 8 juni 2026. Aan het eind van de zitting is door betrokkene, als voorzitter van de behandelend kamer, aan partijen medegedeeld dat de beslissing op 3 augustus 2026 wordt gegeven.
1.5 Op 15 juni 2026 heeft verzoeker een wrakingsverzoek ingediend tegen betrokkene.
1.6 Betrokkene heeft niet berust in het wrakingsverzoek.
1.7 Het wrakingsdossier bevat de volgende stukken:
- wrakingsverzoek van verzoeker, gedateerd 14 juni 2026 en ingediend op 15 juni
2026;
- de schriftelijke reactie van betrokkene van 30 juni 2026;
- proces-verbaal van de zitting van 8 juni 2026.
1.8 Het hof heeft op grond van artikel 7.2 wrakingsprotocol van het hof het wrakingsverzoek in raadkamer behandeld op basis van de onder randnummer 1.7 genoemde stukken.
2 BEOORDELING
Wrakingsgronden
2.1 Verzoeker stelt – onder verwijzing naar jurisprudentie van onder andere de
Hoge Raad – dat hij zijn wrakingsverzoek tijdig heeft gedaan. Verzoeker had na de
zitting tijd nodig om zijn wrakingsverzoek te ordenen en verzoeker wijst op zijn medische
situatie. Het wrakingsverzoek is geen evident misbruik van recht en dient door een
externe wrakingskamer behandeld te worden.
2.2 Verder heeft verzoeker – samengevat – het navolgende aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd:
1) betrokkene heeft voor en tijdens de mondelinge behandeling desgevraagd aan verzoeker geen of niet voldoende duidelijkheid kunnen of willen verschaffen of het dossier in onderhavige zaak (naar het hof begrijpt: de hoofdprocedure) al dan niet volledig is. Het ter zitting door verzoeker gedane aanhoudingsverzoek is door betrokkene afgewimpeld. Voor verzoeker is niet voldoende transparant welke stukken wel of niet onderdeel zijn van het dossier in de hoofdzaak;
2) betrokkene heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat verzoeker geen compensatie krijgt wegens de onzekerheid over het einde van de hoger beroepstermijn omdat betrokkene in de hoofdzaak al verweer heeft gevoerd tegen de memorie van grieven van 22 december 2024;
3) betrokkene heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd – als bezwaar tegen het indienen van aanvullende stukken door verzoeker – dat er bijna drieduizend bladzijden in het dossier zitten;
4) tijdens de mondelinge behandeling heeft betrokkene – in reactie op de opmerking van verzoeker dat hij kapot is – gezegd dat verzoeker niet de enige is. Met deze uitspraak geeft betrokkene aan dat hij niet geïnteresseerd is in de door artikel 46 Advocatenwet beschermde belangen van verzoeker;
5) betrokkene heeft het gelijkheidsbeginsel geschonden omdat hij tijdens de mondelinge behandeling heeft gezegd dat verzoeker zijn aanvullende producties via een link aangeboden heeft. Volgens verzoeker heeft ook betrokkene in de hoofdzaak zijn producties aangeboden via een link;
6) betrokkene heeft aan verzoeker niet voldoende gelegenheid geboden om zich voor te bereiden op de zitting van 8 juni 2026 waarmee het beginsel van effectieve toegang tot de rechtbank en het beginsel van hoor en wederhoor zijn geschonden;
7) betrokkene heeft niet of onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verzoeker;
8) betrokkene heeft de tijdens en na de mondelinge behandeling genomen beslissingen niet of niet juist gemotiveerd;
9) de persoonlijke instelling en overtuiging van betrokkene zijn zodanig dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden wat een zogenaamde subjectieve wrakingsgrond is.
Schriftelijke reactie betrokkene
2.3 Primair voert betrokkene aan dat het wrakingsverzoek van verzoeker te laat
is gedaan. Op grond van de wet (artikel 56 lid 6 Advocatenwet, waarin de artikelen
512 tot en met 519 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing
zijn verklaard) dient een verzoek tot wraking te worden gedaan zodra de feiten of
omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden. Volgens betrokkene waren de wrakingsgronden
verzoeker in ieder geval op de zitting bekend. Door een week te wachten met het indienen
van het wrakingsverzoek is verzoeker volgens betrokkene te laat. Het betreft bovendien
een grotendeels herhaald wrakingsverzoek omdat verzoeker op 31 mei 2026 op grotendeels
dezelfde gronden een verzoek tot wraking van betrokkene heeft ingediend, welk verzoek
buiten behandeling is gesteld door de plaatsvervangend voorzitter bij beslissing van
4 juni 2026.
2.4 Indien het wrakingsverzoek ontvankelijk is, voert betrokkene subsidiair aan dat de beoordeling van wrakingsgronden in het kader van artikel 6 lid 1 EVRM is beperkt tot het vereiste van onpartijdigheid van de rechter en dat behelst de afwezigheid van bevooroordeeldheid en vooringenomenheid.
2.5 De nieuwe wrakingsgronden die verzoeker aanvoert leveren volgens betrokkene
geen grond voor wraking op. De aangevoerde omstandigheden leveren geen zwaarwegende
aanwijzing op dat betrokkene jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert. Betrokkene
stelt ter zitting de goede procesorde als maatstaf te hebben gehanteerd en rekening
te hebben gehouden met de gerechtvaardigde belangen van verzoeker en betrokkene in
de hoofdzaak. Voor het overige is het wrakingsverzoek gericht tegen ter zitting door
betrokkene genomen procedurele beslissingen.
Als verzoeker die als onwelgevallig heeft ervaren, levert dat geen grond voor wraking
op.
De door verzoeker herhaalde wrakingsgronden behoeven volgens betrokkene geen bespreking
omdat daarop is beslist op 4 juni 2026. Daarom verzoekt betrokkene subsidiair het
wrakingsverzoek kennelijk ongegrond te verklaren.
Toetsingskader
2.6 Bij de beoordeling van het wrakingsverzoek stelt het hof voorop dat een lid
van het hof kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de
rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Dit volgt uit het bepaalde
in artikel 56 lid 6 Advocatenwet in verbinding met de artikelen 512 tot en met 519
Wetboek van Strafvordering (Sv), die van overeenkomstige toepassing zijn verklaard.
Het hof moet dus onderzoeken of dergelijke feiten of omstandigheden door verzoeker
zijn gesteld en aannemelijk zijn geworden. Uitgangspunt daarbij is dat een lid van
het hof moet worden vermoed uit hoofde van zijn benoeming/verkiezing onpartijdig te
zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing
opleveren voor het oordeel dat het lid ten opzichte van verzoeker vooringenomenheid
koestert, althans dat de bij verzoeker bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd
is. (HvD 23 september 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:164).
2.7 Bij de beantwoording van de vraag of in een bepaald geval een gerechtvaardigde grond voor vrees voor partijdigheid van een lid van het hof bestaat, is het standpunt van verzoeker belangrijk, maar niet doorslaggevend. Beslissend is of de twijfel van verzoeker aan de onpartijdigheid van het lid van het hof, door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.
2.8 Daarnaast geldt dat het niet aan de wrakingskamer is een door een lid van het hof gegeven (processuele) beslissing inhoudelijk te toetsen. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of onjuiste beslissingen.
Beoordeling
2.9 Het hof constateert dat het onderzoek ter zitting plaatsvond op 8 juni 2026
en het verzoek tot wraking is gedaan op 15 juni 2026.
2.10 Naar het hof begrijpt, en verzoeker heeft dit niet weersproken, zijn meerdere wrakingsgronden van het onderhavige wrakingsverzoek ook door verzoeker aangevoerd in zijn wrakingsverzoek van 31 mei 2026. Dat wrakingsverzoek is bij beslissing van 4 juni 2026 van mr. J.D. Streefkerk, plaatsvervangend voorzitter van het hof, buiten behandeling gesteld. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open (artikel 3.3 Wrakingsprotocol). Voor zover verzoeker dezelfde gronden aanvoert waarop al is beslist bij voormelde beslissing van 4 juni 2026 is het herhaalde verzoek kennelijk niet-ontvankelijk.
2.11 Voor zover verzoeker nieuwe gronden voor wraking aanvoert heeft hij dit gedaan op 15 juni 2026. De feiten en omstandigheden, die verzoeker aanleiding hebben gegeven betrokkene te wraken, hebben zich voorgedaan voor en tijdens de zitting van het hof van 8 juni 2026. Verzoeker was daarmee dus tijdens, en deels al voorafgaande aan, de zitting al bekend. Gelet op artikel 2.1 Wrakingsprotocol dient een wrakingsverzoek gedaan te worden, zodra de verzoeker met die feiten of omstandigheden bekend is. Dat betekent in dit geval meteen ter zitting (in die mogelijkheid voorziet het Wrakingsprotocol ook) óf zo spoedig mogelijk na afloop van die zitting. Dat het op schrift stellen en onderbouwen van de wrakingsgronden enkele dagen kan vergen, valt te billijken (HvD 1 augustus 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:143). Anders dan betrokkene stelt acht het hof in dit geval, mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van verzoeker, het indienen van het verzoek van wraking een week na de zitting te billijken. In zoverre is het verzoek om wraking ontvankelijk.
2.12 De gronden die verzoeker aanvoert betreffen in essentie allemaal processuele beslissingen. Het is vaste jurisprudentie van de wrakingskamer van het hof dat genomen processuele beslissingen die een procespartij onwelgevallig zijn geen grond voor wraking vormen (HvD 1 maart 2022, ECLI:NL:TAHVD:2022:51). De wrakingskamer buigt zich niet over de juistheid van dergelijke processuele beslissingen. Wraking kan immers niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of onjuiste beslissingen.
2.13 In hetgeen verzoeker voor het overige aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd, ziet het hof geen aanwijzingen dat de twijfel van verzoeker aan de onpartijdigheid van betrokkene door objectieve factoren wordt gerechtvaardigd.
Slotsom
2.14 Het voorgaande betekent dat het hof het wrakingsverzoek van verzoeker deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond zal verklaren. Nu dit het tweede wrakingsverzoek betreft dat direct verband houdt met de hoofdprocedure en verzoeker tevens een derde voorwaardelijk wrakingverzoek heeft ingediend bij het hof en er dus sprake is van een patroon van wrakingen en bovendien een herhaling van wrakingsgronden waarop reeds is beslist, kan de conclusie niet anders zijn dat er sprake is van misbruik van recht. Het hof zal bepalen dat een volgend wrakingsverzoek in de hoofdzaak wegens misbruik van recht niet meer in behandeling wordt genomen (artikelen 7.2 en 7.3 Wrakingsprotocol).
3 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
3.1 verklaart het wrakingsverzoek van 15 juni 2026 van verzoeker deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond zoals boven omschreven;
3.2 bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking in de zaak 240355 van verzoeker wegens misbruik van recht niet in behandeling zal worden genomen; en
3.3 bepaalt dat de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is genomen door mr. drs. P. Fortuin, plaatsvervangend voorzitter, mrs. B.J.R. van Tongeren en H.H. Tan, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.P.D. van Grondelle, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 21 juli 2026.