ECLI:NL:TAHVD:2026:24 Hof van Discipline 's Gravenhage 240370

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:24
Datum uitspraak: 26-01-2026
Datum publicatie: 28-01-2026
Zaaknummer(s): 240370
Onderwerp: Aanwijzing, subonderwerp: Artikel 13 Advocatenwet: aanwijzing van een advocaat
Beslissingen: Beklag
Inhoudsindicatie: Beklag artikel 13 Advocatenwet ongegrond. De mogelijkheid de deken te verzoeken een advocaat aan te wijzen, is een aanvullende voorziening voor het geval de rechtzoekende niet op eigen initiatief een advocaat weet te vinden die bereid is hem of haar bijstand te verlenen. Deze aanvulling op de in beginsel vrije advocaatkeuze maakt dat de deken een ruime beleidsvrijheid toekomt bij het aanwijzen van een advocaat en daarom in het algemeen niet gehouden is een advocaat aan te wijzen. Die ruime beleidsvrijheid brengt ook mee dat de deken niet gehouden is de advocaat te verplichten iedere door een klager gewenste procedure te voeren. De aan te wijzen advocaat heeft hierin een eigen afweging te maken. Daarnaast is het uitgangspunt dat in beginsel slechts één keer een advocaat wordt aangewezen. De omstandigheid dat klager het niet eens is met het procesadvies van de hem toegewezen advocaat brengt niet zonder meer mee dat een andere advocaat moet worden aangewezen. Van bijzondere omstandigheden die daartoe is deze zaak wel aanleiding zouden moeten geven, is naar het oordeel van het hof geen sprake. 

Beslissing van 26 januari 2025
in de zaak 240370

    
naar aanleiding van het beklag op grond van artikel 13 Advocatenwet van:

klager
    
tegen:
    
de waarnemend deken

1    DE PROCEDURE 

Bij de deken
1.1    Klager heeft op 10 december 2024 bij de deken een verzoek ingediend tot aanwijzing van een advocaat als bedoeld in artikel 13 lid 1 Advocatenwet. Klager heeft dit verzoek gedaan omdat hij een cassatieprocedure wil starten naar aanleiding van een beschikking van het gerechtshof Den Haag. 

1.2    De waarnemend deken heeft het verzoek afgewezen met de beslissing van 14 december 2024. Daarbij heeft de waarnemend deken erop gewezen dat de deken bij beslissing van 14 november 2024 al een advocaat, mr. K, heeft aangewezen om klager te adviseren over cassatie tegen de genoemde beschikking en, in het geval van een positief advies, beroep in cassatie in te stellen. Mr. K heeft echter geadviseerd dat beroep in cassatie geen kans van slagen heeft. De waarnemend deken heeft zich op het standpunt gesteld dat wat klager tegen het advies van mr. K naar voren heeft gebracht, onvoldoende is om aan te nemen dat mr. K in redelijkheid niet tot zijn advies kon komen en de deken heeft zich bij het advies van mr. K aangesloten, op grond waarvan het verzoek van klager is afgewezen. 

Bij het hof
1.3    Klager heeft op 18 december 2024 een beklag tegen de beslissing van de deken ingediend bij het hof van discipline (hierna: het hof). 

1.4    Verder bevat het dossier:
-    het verweer van de deken, met bijlagen, van 13 januari 2025;
-    de repliek van klager, met bijlagen, van 28 januari 2025;
-    de dupliek van de deken, met bijlage, van 19 februari 2025;
-    een e-mail van klager van 15 januari 2025.

1.5    Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 28 november 2025. Daar zijn klager en de waarnemend deken verschenen.

1.6 Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft de waarnemend deken per e-mail van 27 november 2025 de vraag gesteld - zakelijk weergegeven - of het hof aanleiding zag deze zaak buiten behandeling te stellen, gelet op wat het hof in de uitspraak van 31 oktober 2025 in de zaak van klager met nummer 250355 onder het kopje “Misbruik van klachtrecht” in de rechtsoverwegingen 4.9 en 4.10 heeft overwogen. Daarbij heeft de waarnemend deken de vraag gesteld of zijn aanwezigheid ter zitting gewenst was. Daarop is door de griffie namens de voorzitter aan de waarnemend deken doorgegeven dat de zitting zou doorgaan en dat de waarnemend deken op de zitting werd verwacht. Bij aanvang van de mondelinge behandeling is de e-mail van de waarnemend deken door klager aan de orde gesteld. De voorzitter heeft daarop meegedeeld dat het hof de beslissing in de zaak 250355 bij de behandeling van deze zaak buiten beschouwing laat. 


2    FEITEN

Het hof stelt de volgende feiten vast.

2.1    Op 10 december 2024 heeft klager aan de deken het verzoek gedaan om hem een advocaat toe te wijzen voor het uitbrengen van cassatieadvies en het instellen van cassatie tegen een beschikking van het gerechtshof Den Haag van 17 september 2024.

2.2    De deken heeft dit verzoek met de beslissing van 14 december 2024 afgewezen. De waarnemend deken heeft de afwijzing - voor zover in deze procedure van belang - als volgt toegelicht:

“De deken heeft bij beslissing van 14 november 2024 [mr. K] aangewezen om u te adviseren over cassatie tegen de hiervoor genoemde beschikking en om – in het geval van een positief advies – beroep in cassatie in te stellen. [Mr. K] heeft op 5 december 2024 zijn cassatieadvies gegeven. Het cassatieadvies beslaat 12 pagina’s en gaat in op de pijnpunten die u van voren hebt aangegeven aan [mr. K], alsmede op een aantal andere kwesties. [Mr. K] concludeert dat beroep in cassatie geen kans van slagen heeft. U bent het niet eens met dat advies. U heeft de correspondentie met [mr. K] over uw bezwaren tegen zijn advies aan ons toegestuurd. In uw e-mail van 6 december heeft u de argumenten aangegeven op grond waarvan naar uw mening cassatie wel kans van slagen zou hebben. Deze punten waren ook al behandeld in het cassatieadvies. [Mr. K] heeft bij e-mail van 9 december gereageerd op uw e-mail van 6 december. Hij heeft in die e-mail op alle vrijwel alle punten opnieuw gereageerd. De twee punten waarop niet is gereageerd zijn uitdrukkelijk in het cassatieadvies besproken. Vervolgens heeft u in uw e-mail van 10 december 2024 nog een nadere toelichting gegeven op de door u ingebrachte punten. Hierop heeft [mr. K] nog kort gereageerd. Die punten betreffen alle kwesties die in het advies aan de orde komen. Tenminste één van de punten die u aanhaalt berust op een onjuiste lezing van hetgeen [mr. K] schrijft. U schrijft dat [mr. K] zou schrijven dat u niet heeft gegriefd tegen het gespreksverslag en wijst u vervolgens op een punt in het beroepschrift waarin wordt ingegaan op het gespreksverslag. [mr. K] schrijft echter niet dat u niet heeft gegriefd tegen het gespreksverslag. Hij schrijft dat er niet is gegriefd over de beperkte bewijswaarde van het gespreksverslag nu dit niet is ondertekend.

Hetgeen u schrijft in uw e-mails aan [mr. K] is naar mijn mening onvoldoende om aan te nemen dat [mr. K] niet in redelijkheid tot zijn advies heeft kunnen komen.

U schrijft dat [mr. K] niet zorgvuldig zou hebben gehandeld nu hij geen grondig dossieronderzoek
heeft verricht en nu er geen actieve zoektocht naar juridische fouten heeft plaatsgevonden. In dit
verband merk ik op dat een cassatie slechts plaatsvindt op basis van het procesdossier, dit is beperkter dan het gehele dossier van een advocaat in feitelijke aanleg. [Mr. K] schrijft in zijn advies dat hij het dossier heeft bestudeerd; ik heb geen reden om aan te nemen dat dat niet het geval is. In het advies gaat [mr. K] bovendien in op een tweetal aspecten die niet uit uw e-mail met pijnpunten volgen, maar uit de processtukken. Ook daaruit blijkt naar mijn mening dat [mr. K] het procesdossier in zijn geheel heeft bestudeerd en bij zijn analyse heeft betrokken. Dat [mr. K] niet zelf een “actieve zoektocht naar juridische fouten” heeft ondernomen, blijkt dan ook niet.

U schrijft voorts dat [mr. K] de zaak niet onafhankelijk de zaak zou hebben beoordeeld, omdat in de aanwijsbrief is vermeld dat hij dominus litis is. Advocaten zijn standaard (ook in zaken waarin zij niet zijn aangewezen) dominus litis. Dit betekent dat zij – naast de kernwaarde partijdigheid – ook de kernwaarde onafhankelijkheid in acht nemen en dat zij de regie hebben bij de behandeling van een zaak. De vermelding dat de aangewezen advocaat dominus litis is, is standaard opgenomen in een aanwijsbrief. Het gegeven dat [mr. K] dominus litis is, brengt dus juist mee dat hij het dossier
onafhankelijk heeft bestudeerd. Uit de stukken die u heeft toegestuurd kan naar mijn mening niet
blijken dat [mr. K] geen onafhankelijke beoordeling van het dossier heeft gemaakt en evenmin dat hij louter op basis van uw pijnpunten naar het dossier heeft gekeken en niet een eigen analyse heeft gemaakt. [mr. K] heeft zijn advies naar mijn mening deugdelijk onderbouwd en hij heeft inhoudelijk gereageerd op uw op- en aanmerkingen over zijn advies. Ik ben dan ook niet met u eens dat er sprake is van een onvoldoende juridische onderbouwing van het advies. Dat u het niet eens bent met de uitkomst van het advies is mij duidelijk. Dat betekent echter niet dat het advies onjuist is of dat het niet is onderbouwd. Dat [mr. K] op enig moment – nadat hij had gereageerd op uw opmerkingen – de discussie over zijn advies heeft gesloten maakt dit niet anders. De punten die u naar voren bracht waren immers besproken in het advies. [Mr. K] heeft echter een ander oordeel over de haalbaarheid van de door u opgeworpen punten.

U schrijft voorts dat [mr. K] u had moeten uitnodigen voor een gesprek. Bij cassatie is het echter zeer gebruikelijk dat er géén gesprek met de cliënt plaatsvindt, juist omdat het cassatieadvies een analyse van het procesdossier behelst. In veel cassatiezaken heeft de cassatieadvocaat überhaupt geen rechtstreeks contact met de cliënt, maar slechts mijn zijn advocaat in feitelijke aanleg. U heeft bovendien uitgebreid schriftelijk naar voren kunnen brengen wat uw bezwaren waren tegen de beschikking van het hof, alsmede tegen het advies van [mr. K]. Dat er geen gesprek heeft
plaatsgevonden maakt dan ook niet dat het advies niet zorgvuldig tot stand zou zijn gekomen.

U schrijft tot slot dat ik een advocaat moet aanwijzen omdat [mr. K] heeft aangegeven dat er sprake is van een vertrouwensbreuk. De vertrouwensbreuk is echter pas ontstaan nadat [mr. K] zijn cassatieadvies heeft uitgebracht en nadat hij heeft gereageerd op uw bezwaren tegen het advies. De dienstverlening was op dat moment dus al afgerond.

Gelet op de inhoud van het negatieve advies ben ik van mening dat een cassatieprocedure geen
redelijke kans van slagen heeft. Op uw bezwaren tegen het advies ben ik hiervoor ingegaan. Naar mijn mening zijn er dan ook goede gronden om uw verzoek af te wijzen.”

2.3     De cassatietermijn is inmiddels verstreken. 

3    BEKLAG EN VERWEER

Gronden van het beklag
3.1    Klager stelt dat de waarnemend deken het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Klager is van mening dat de waarnemend deken in strijd heeft gehandeld met de normen van zorgvuldigheid en onpartijdigheid die van een deken verwacht mogen worden en legt in dat verband de volgende drie punten aan zijn beklag ten grondslag:

1)    gebrek aan objectiviteit en partijdigheid: uit de beslissing blijkt dat de waarnemend deken zich volledig heeft gebaseerd op het negatieve advies van mr. K, zonder de door klager aangevoerde bezwaren kritisch te toetsen. Dit wekt de indruk van een bevooroordeelde beoordeling, wat niet strookt met de rol van deken als onafhankelijk toezichthouder. 

2)    onvoldoende weging van de argumenten van klager: de schriftelijke bezwaren van klager tegen het cassatieadvies van mr. K zijn in de beslissing van de waarnemend deken nauwelijks inhoudelijk beoordeeld. Daarnaast is onvoldoende rekening gehouden met andere vormen van communicatie die aantonen dat mr. K onjuiste informatie heeft verstrekt. De vertrouwensbreuk met mr. K is door de deken ten onrechte afgedaan als irrelevant, terwijl die breuk direct voortvloeit uit de wijze waarop mr. K het verzoek van klager heeft behandeld.

3)    onjuiste interpretatie van feiten: niet alle juridische pijnpunten uit het procesdossier zijn door mr. K grondig geanalyseerd. Er is geen sprake geweest van een actieve zoektocht naar juridische fouten, wat essentieel is in een cassatieprocedure. Anders dan klager verwachtte heeft hij bovendien niet de gelegenheid gekregen met mr. K in gesprek te gaan, wat het vertrouwen van klager in een zorgvuldige behandeling verder heeft aangetast.

Daarnaast wijst klager erop dat door de afwijzende beslissing van de waarnemend deken de termijn voor het instellen van cassatie inmiddels is verstreken, waardoor de mogelijkheid voor klager om in cassatie te gaan tegen de hiervoor genoemde beschikking van het gerechtshof Den Haag definitief is geblokkeerd, wat ernstige gevolgen voor klager zijn rechtspositie heeft. Klager heeft daarom ook verzocht of er voorzieningen getroffen kunnen worden voor het uitstellen van de termijn of het bij voorbaat indienen van het cassatieberoep.

Verweer
3.2    De deken heeft zich primair op het standpunt gesteld dat klager geen belang meer heeft bij het beklag, omdat de termijn voor het instellen van cassatie inmiddels is verstreken, en dat het beklag reeds om die reden ongegrond verklaard moet worden. Subsidiair heeft de deken zich op het standpunt gesteld dat het aanwijzingsverzoek van klager op terechte gronden is afgewezen. De deken heeft daarvoor verwezen naar de motivering in het besluit van de waarnemend deken van 14 december 2024 en is daar in het verweerschrift nader op ingegaan. Daarbij heeft de deken er uitdrukkelijk op gewezen dat niet duidelijk is waar klager op doelt met andere vormen van communicatie waaruit volgens klager zou blijken dat mr. K onjuiste informatie heeft verstrekt. De deken benadrukt dat mr. K in deze kwestie niet zelf informatie bij de (waarnemend) deken heeft aangeleverd, maar dat klager op verzoek van de stafjurist van de deken de communicatie met mr. K heeft aangeleverd en dat die communicatie door de waarnemend deken is bestudeerd en bij de afwijzende beslissing is betrokken. Verder heeft de deken opgemerkt dat zowel in het kader van het verzoek tot aanwijzing als van deze beklagzaak niet is gebleken dat mr. K. niet zorgvuldig zou hebben gehandeld en/of geen grondige analyse van het procesdossier zou hebben gemaakt. 
Het verweer van de deken zal hierna, voor zover van belang, verder worden besproken.


4    BEOORDELING

Toetsingskader

4.1    Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig) een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden, zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans van slagen heeft.

Beoordeling

4.2     Het hof zal de drie onderdelen van klagers beklag gezamenlijk beoordelen, gelet op de onderlinge samenhang.

4.3     In het kader van de beoordeling overweegt het hof allereerst dat de mogelijkheid de deken te verzoeken een advocaat aan te wijzen, een aanvullende voorziening is voor het geval de rechtzoekende niet op eigen initiatief een advocaat weet te vinden die bereid is hem of haar bijstand te verlenen. Deze aanvulling op de in beginsel vrije advocaatkeuze maakt dat de deken een ruime beleidsvrijheid toekomt bij het aanwijzen van een advocaat en daarom in het algemeen niet gehouden is een advocaat aan te wijzen (vb. HvD 14 mei 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:87). Die ruime beleidsvrijheid brengt ook mee dat de deken niet gehouden is de advocaat te verplichten iedere door een klager gewenste procedure te voeren. De aan te wijzen advocaat heeft hierin een eigen afweging te maken. Van een aangewezen advocaat kan immers niet worden verlangd dat hij cliënten bijstaat in zaken die hij in gemoede niet rechtvaardig acht (vgl. HvD 24 september 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:185). Anders gezegd: een advocaat kan niet gedwongen worden een procedure te starten die hij niet kansrijk acht (vgl. HvD 14 mei 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:87).                            

4.4     Daarnaast is het uitgangspunt dat in beginsel slechts één keer een advocaat wordt aangewezen. Gelet op dit uitgangspunt moet er sprake zijn van bijzondere omstandigheden, wil een verzoeker een tweede maal aanspraak kunnen maken op toewijzing van een advocaat (zie ook HvD 30 oktober 2017, ECLI:NL:TAHVD:2017:202).

4.5     In deze zaak staat vast dat de deken op 14 november 2024 mr. K als advocaat voor klager heeft aangewezen, teneinde klager te adviseren over de kansen van beroep in cassatie tegen de genoemde beschikking van het gerechtshof Den Haag en om – in het geval van een positief advies – beroep in cassatie in te stellen en klager in die procedure bij te staan. Mr. K is tot de conclusie gekomen dat de door klager gewenste cassatieprocedure onvoldoende kans van slagen heeft en heeft dan ook negatief geadviseerd. Duidelijk is dat klager het met dat advies niet eens is. Klager heeft daarover per e-mail met mr. K gecorrespondeerd. Zoals blijkt uit de beslissing van de waarnemend deken van 14 december 2024, heeft klager in die correspondentie een groot aantal punten waarop hij het niet met het cassatieadvies eens was aan mr. K voorgelegd en heeft mr. K daarop een inhoudelijke reactie gegeven, behalve voor zover het een tweetal punten betrof die al in het cassatieadvies waren besproken. De reacties van mr. K hebben klager echter niet kunnen overtuigen. De omstandigheid dat klager het niet eens is met het procesadvies van de hem toegewezen advocaat brengt echter niet zonder meer mee dat een andere advocaat moet worden aangewezen. Van bijzondere omstandigheden die daartoe is deze zaak wel aanleiding zouden moeten geven, is naar het oordeel van het hof ook geen sprake, op grond van het volgende.

4.6 De (waarnemend) deken heeft in de afwijzende beslissing en in het verweerschrift uitgelegd waarom het procesadvies van mr. K naar het oordeel van de (waarnemend) deken onafhankelijk en zorgvuldig tot stand is gekomen en op juiste wijze is gemotiveerd en onderbouwd. Mr. K heeft klager daarna nog ruim de mogelijkheid geboden om uiteen te zetten waarom er volgens klager toch een positief cassatieadvies moest wordt afgegeven, en heeft daar ook op gereageerd, echter zonder voor klager positief resultaat. Van de correspondentie daarover tussen klager en mr. K heeft de waarnemend deken ook kennisgenomen. Naar het oordeel van het hof heeft de waarnemend deken gelet hierop van de inhoud van het cassatieadvies mogen uitgaan en dit ook ten grondslag mogen leggen aan de afwijzing van het tweede verzoek van klager. Het hof is, overeenkomstig het standpunt van de (waarnemend) deken, ook van oordeel dat wat klager heeft aangevoerd niet tot de conclusie kan leiden dat mr. K niet in redelijkheid tot zijn advies heeft kunnen komen. De conclusie is dan ook dat de deken niet gehouden is opnieuw een advocaat aan te wijzen.

4.7     Het beklag is ongegrond.

5     BESLISSING

Het Hof van Discipline:

verklaart het beklag van klager tegen de beslissing van 14 december 2024 van de waarnemend deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Den Haag ongegrond. 

Deze beslissing is genomen door mr. J.C.A.T. Frima, voorzitter, mrs. A.R. Creutzberg en G.C. Endedijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.N. Boogers-Keuning, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2026. 
              
griffier                                                voorzitter             

De beslissing is verzonden op 26 januari 2026.