ECLI:NL:TAHVD:2026:239 Hof van Discipline 's Gravenhage 260048
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:239 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-07-2026 |
| Datum publicatie: | 28-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 260048 |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. zijn medeadvocaten, subonderwerp: Regels die betrekking hebben op de juridische strijd |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Het hof komt tot het oordeel dat verweerder de hem in de klacht verweten gedragingen niet heeft begaan en de raad buiten de klachtomschrijving is getreden. Immers, de klacht luidt dat verweerder vanaf februari 2024 heeft opgetreden voor E. B.V., terwijl hij in de periode van 2016 tot 2019 als 'onafhankelijk advocaat' heeft opgetreden voor c.q. gesprekken heeft geleid tussen klaagster en E. B.V. om te komen tot onderlinge samenwerking, hetgeen een belangenconflict oplevert. Wat er zij van de werkzaamheden die verweerder van 2016 tot 2019 voor (een van de) partij(en) heeft verricht, deze werkzaamheden hadden niet ten doel om ‘te komen tot onderlinge samenwerking’. Vanaf 2012 was er namelijk al sprake van een samenwerking tussen klaagster en verweerder. Al hetgeen die werkzaamheden verder zouden hebben behelsd en of deze mogelijk een tegenstrijdig belang zouden kunnen opleveren, valt dan ook buiten het bereik van de klacht. |
Beslissing van 27 juli 2026
in de zaak 260048
naar aanleiding van het hoger beroep van:
verweerder
gemachtigde: mr. H. Delhaas, advocaat te Amsterdam
tegen:
klaagster
gemachtigde: mr. R.W. de Pater, advocaat te Breda
1 INLEIDING
1.1 De Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de raad) heeft geoordeeld dat verweerder heeft opgetreden tegen klaagster, terwijl hij eerder - in het kader van onderhandelingen over een samenwerking tussen klaagster en zijn cliënte - werkzaamheden voor klaagster heeft verricht. De raad heeft de klacht gegrond verklaard en geoordeeld dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Omdat niet is gebleken dat klaagster schade heeft ondervonden als gevolg van het handelen van verweerder en, gelet op de omstandigheid dat verweerder niet eerder door de tuchtrechter is veroordeeld, heeft de raad met de oplegging van een waarschuwing volstaan. Verweerder is in beroep gekomen.
1.2 Het Hof van Discipline (hierna: het hof) zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 25-440/AL/MN) een beslissing gewezen op 26 januari 2026. In deze beslissing is de klacht van klaagster gegrond verklaard. Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht, reiskosten en proceskosten.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRARL:2026:24 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 19 februari 2026 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad;
- het verweerschrift van klaagster;
- aanvullende stukken van verweerder.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 1 juni 2026. Daar zijn verweerder en klaagster, bijgestaan door hun gemachtigden, verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.
3 FEITEN
3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.
3.2 Verweerder treedt sinds 2012 op als (huis)advocaat van E. B.V.
3.3 In 2015 hebben klaagster en E. B.V. diverse gesprekken gevoerd over een (mogelijke) samenwerking. Verweerder heeft in die periode een concept voor een samenwerkingsovereenkomst tussen klaagster en E. B.V. beoordeeld en een overleg met de vertegenwoordigers van klaagster bijgewoond over de inhoud van die samenwerkingsovereenkomst. In de periode 2016-2019 heeft verweerder concepten van overeenkomsten met derden in het kader van de uitvoering van de samenwerking beoordeeld.
3.4 Er is een geschil ontstaan tussen klaagster en E. B.V. over de samenwerking tussen klaagster en E. B.V. Ook in dat geschil staat verweerder E. B.V. bij.
3.5 Van de zijde van klaagster is in de periode van 21 tot en met 27 maart 2024 aan verweerder verzocht om zich te onttrekken vanwege een tegenstrijdig belang. Verweerder heeft geweigerd om zich te onttrekken.
3.6 Op 11 juli 2024 is door verweerder op verzoek van E. B.V. ten laste van klaagster conservatoir bewijsbeslag gelegd. Vervolgens heeft verweerder een dagvaarding aan klaagster laten betekenen.
4 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door in strijd met gedragsregel 15 (belangenverstrengeling) en/of gedragsregel 2 (onafhankelijkheid), dan wel met de kernwaarden onafhankelijkheid en/of integriteit als bedoeld in artikel 10a lid 1 sub a en d van de Advocatenwet, vanaf februari 2024 op te treden voor E. B.V. en op haar verzoek op 11 juli 2024 ten laste van klaagster conservatoir bewijsbeslag te doen leggen inzake een geschil over (de gevolgen van) de onderlinge samenwerking, terwijl hij in de periode van 2016 tot 2019 als 'onafhankelijk advocaat' heeft opgetreden voor c.q. gesprekken heeft geleid tussen klaagster en E. B.V. om te komen tot onderlinge samenwerking, hetgeen een belangenconflict oplevert.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft op grond van het klachtdossier en het verhandelde ter zitting de volgende gang van zaken vastgesteld. Verweerder is sinds 2012 de advocaat van E. B.V. In de periode van 2016 tot 2019 hebben klaagster en E. B.V. diverse gesprekken gevoerd over een samenwerking onder de (handels)naam S. De lezingen van klaagster en verweerder over de aard van die (niet tot stand gekomen) samenwerking lopen uiteen. Wat uit de stukken in ieder geval blijkt, is dat verweerder in deze periode diverse concepten van overeenkomsten heeft opgesteld. Over de inhoud van die overeenkomsten heeft verweerder besprekingen gehad met de vertegenwoordigers van klaagster (ook zonder dat een vertegenwoordiger van zijn cliënte daar bij aanwezig was). Verweerder heeft ook een conceptovereenkomst op basis van door klaagster ingebrachte informatie gewijzigd en hij heeft klaagster geadviseerd om die overeenkomst op een ander punt aan te passen. Verder volgt uit de stukken dat de cliënte van verweerder aan klaagster heeft gevraagd of een factuur van verweerder die zag op zijn werkzaamheden voor S akkoord is.
5.2 Uit het bovenstaande blijkt dat verweerder hoofdzakelijk voor E. B.V. heeft opgetreden, maar dat hij in het kader van de onderhandelingen over de samenwerking tussen klaagster en E. B.V., de cliënte van verweerder, ook werkzaamheden voor klaagster heeft verricht. Zeker onder deze omstandigheden had verweerder ervoor moeten zorgen dat er geen misverstand kon bestaan over de hoedanigheid waarin hij is opgetreden. Verweerder heeft dat onvoldoende gedaan. Verweerder heeft niet expliciet aan klaagster laten weten dat hij alleen voor E. B.V. optrad en door de manier waarop hij zich in de richting van klaagster heeft opgesteld en met haar vertegenwoordigers heeft gecommuniceerd, is bij klaagster het gerechtvaardigd vertrouwen ontstaan dat er ook tussen klaagster en verweerder een cliënt-advocaat-relatie is geweest.
5.3 De raad is gelet op deze gang van zaken van oordeel dat verweerder niet tegen klaagster had mogen optreden en dat hij had zich zeker aan de zaak moeten onttrekken op het moment dat klaagster daar gemotiveerd om had verzocht. Daarbij heeft de raad van belang geacht dat verweerder voor klaagster en zijn cliënte werkzaamheden heeft verricht om tot een samenwerking te komen, en vervolgens tegen klaagster is gaan optreden in een geschil dat ziet op deze zelfde (niet tot stand gekomen) samenwerking. Verweerder heeft zich echter niet onttrokken en is tegen klaagster blijven optreden. Daarmee heeft hij tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. De klacht is daarom gegrond verklaard.
5.4 De raad heeft geoordeeld dat verweerder heeft opgetreden tegen klaagster, terwijl hij eerder - in het kader van onderhandelingen over een samenwerking tussen klaagster en zijn cliënte - werkzaamheden voor klaagster heeft verricht. Verweerder heeft daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Omdat niet is gebleken dat klaagster schade heeft ondervonden als gevolg van het handelen van verweerder en gelet op de omstandigheid dat verweerder niet eerder door de tuchtrechter is veroordeeld, heeft de raad volstaan met de oplegging van een waarschuwing.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden verweerder
6.1 Verweerder heeft aangevoerd dat hij uitsluitend namens E. B.V. heeft gehandeld. De samenwerkingsovereenkomst uit 2015 is door klaagster zelf opgesteld. Verweerder heeft deze - op verzoek van E. B.V - slechts beoordeeld en daarover geadviseerd aan E. B.V. Verweerder heeft erop gewezen dat in de periode 2016 – 2019 geen onderhandelingen over de aard van de samenwerking tussen klaagster en E. B.V. hebben plaatsgevonden, de samenwerking was al in 2015 gestart. Volgens verweerder is er nooit sprake geweest van een opdrachtverhouding tussen verweerder en klaagster. Dit blijkt uit het feit dat alle declaraties door E. B.V. zijn betaald. De bestuurders van E. B.V. hebben verklaard dat verweerder steeds duidelijk heeft gemaakt dat hij hun advocaat is.
6.2 Ter zitting bij het hof heeft verweerder erop gewezen dat de klachtomschrijving van de deken, die is opgenomen in de beslissing van de raad, ter beoordeling voorligt. Verweerder heeft in de jaren 2016 - 2019 niet als onafhankelijk advocaat opgetreden voor klaagster. Ook heeft verweerder in die periode geen gesprekken geleid tussen klaagster en E. B.V. om tot een onderlinge samenwerking te komen. Verweerder heeft E. B.V. als haar advocaat in juni-juli 2015 geadviseerd over de samenwerkingsovereenkomst met klaagster, daarna niet meer.
Verweer klaagster
6.3 Klaagster acht de beslissing van de raad juist en zorgvuldig gemotiveerd. Volgens klaagster heeft de raad terecht vastgesteld dat verweerder sinds 2012 de huisadvocaat van E. B.V. is, en dat verweerder in de periode 2016 tot 2019 diverse concepten van overeenkomsten heeft opgesteld en met vertegenwoordigers van klaagster overleg heeft gehad over de inhoud daarvan. Vervolgens heeft de raad expliciet geoordeeld dat verweerder niet alleen voor E. B.V. optrad, maar in het kader van de onderhandelingen en de vormgeving van de samenwerking ook werkzaamheden voor klaagster verrichtte, zonder voldoende duidelijk te maken in welke hoedanigheid hij optrad.
6.4 Klaagster heeft het hof verzocht om de aanvullende productie van 2 november 2016 bij de beoordeling te betrekken. Deze aanvullende productie raakt aan de kern van het hoger beroep, omdat daarmee de stelling van verweerder dat klaagster hem nooit zelf heeft benaderd en dat er hooguit één vrijblijvende NDA-vraag is geweest, wordt ontkracht. De e-mail van 2 november 2016 laat juist een vroeg, rechtstreeks en inhoudelijk verzoek om juridische begeleiding zien inzake een wezenlijk contract binnen S. Volgens klaagster is de vraag in deze procedure uitsluitend of verweerder zich, gelet op zijn eerdere rol en gedragingen, tegen klaagster had mogen keren in een geschil over dezelfde samenwerking. De Raad heeft die vraag terecht ontkennend beantwoord.
De beslissing van de Raad is juist. De Raad heeft de juiste maatstaf toegepast, de relevante feiten voldoende zorgvuldig vastgesteld en op goede gronden geoordeeld dat verweerder zich had moeten onthouden van optreden tegen klaagster, althans zich had moeten onttrekken zodra klaagster daar gemotiveerd om had verzocht.
7 BEOORDELING HOF
Overwegingen hof
7.1 Het hof moet uitgaan van de door de raad gegeven omschrijving van de klacht (vergelijk: Hof van Discipline 19 juni 2023, ECLI:NL:TAHVD:2023:90, r.o. 5.10; Hof van Discipline 30 november 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:222, r.o. 5.4 en Hof van Discipline 14 mei 2018, ECLI:NL:TAHVD:2018:77, r.o. 5.2 en 5.3). In dit geval is de raad uitgegaan van de formulering van de klacht door de deken in zijn aanbiedingsbrief. Klaagster is hiermee blijkens het proces-verbaal van de zitting bij de raad akkoord gegaan. In de aanbiedingsbrief van 3 juli 2025 geeft de deken ook een toelichting op de klacht, maar de klachtomschrijving is bij de raad niet uitgebreid met deze toelichting.
7.2 De regel dat bij de beoordeling van de klacht uitgegaan moet worden van de omschrijving ervan is tuchtrechtelijk van belang omdat verweerder dan weet waarop de klacht ziet en hij weet waartegen hij zich moet verdedigen. Het staat de raad vrij de klacht ambtshalve aan te vullen op grond van artikel 46d, lid 9 Advocatenwet, maar de raad dient daarbij het verdedigingsbeginsel in acht te nemen door een gewijzigde klachtomschrijving aan partijen voor te houden en wel op zodanige wijze dat partijen in staat worden gesteld hierop te kunnen reageren (hoor en wederhoor) (Hof van Discipline 10 juni 2025, ECLI:NL:TAHVD:2025:107, r.o. 7.2 en 7.4; Hof van Discipline 19 augustus 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:80 en Hof van Discipline 11 oktober 2019, ECLI:NL:TAHVD:2019:167, r.o. 5.3). Nu dit laatste niet is gebeurd, zal het hof zal daarom - alleen - een oordeel geven over de klacht zoals deze is weergegeven in onderdeel 4 van deze beslissing.
7.3 Het hof komt tot het oordeel dat verweerder de hem in de klacht verweten gedragingen niet heeft begaan en de raad buiten de klachtomschrijving is getreden. Immers, de klacht luidt dat verweerder vanaf februari 2024 heeft opgetreden voor E. B.V., terwijl hij in de periode van 2016 tot 2019 als 'onafhankelijk advocaat' heeft opgetreden voor c.q. gesprekken heeft geleid tussen klaagster en E. B.V. om te komen tot onderlinge samenwerking, hetgeen een belangenconflict oplevert. Wat er zij van de werkzaamheden die verweerder van 2016 tot 2019 voor (een van de) partij(en) heeft verricht, deze werkzaamheden hadden niet ten doel om ‘te komen tot onderlinge samenwerking’. Vanaf 2012 was er namelijk al sprake van een samenwerking tussen klaagster en verweerder. Al hetgeen die werkzaamheden verder zouden hebben behelsd en of deze mogelijk een tegenstrijdig belang zouden kunnen opleveren, valt dan ook buiten het bereik van de klacht.
7.4 Dit betekent dat het hoger beroep doel treft. Nu de raad buiten de klachtomvang is getreden, is hij ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de klacht gegrond is. Het hof zal de beslissing van de raad daarom vernietigen en de klacht alsnog ongegrond verklaren.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- vernietigt de beslissing van 26 januari 2026, van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden, gewezen onder nummer 25-440/AL/MN, en verklaart de klacht alsnog ongegrond.
Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. K. van Dijk en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 27 juli 2026 .