We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TAHVD:2026:238 Hof van Discipline 's Gravenhage 260010

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:238
Datum uitspraak: 27-07-2026
Datum publicatie: 27-07-2026
Zaaknummer(s): 260010
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht tegen eigen advocaat. Bij de raad is de klacht gedeeltelijk gegrond verklaard, verweerder is in beroep gekomen. Het beroep slaagt niet. Het aanwenden van de derdengelden ter voldoening van zijn eigen declaraties niet is geschied conform het bepaalde in de Voda. Verweerder heeft verklaard dat hij de afspraken schriftelijk aan klaagster had moeten bevestigen.Behoudens bijzondere omstandigheden, die zich naar het oordeel van het hof hier niet voordoen, staat het een advocaat niet vrij om een rechtsmiddel aan te wenden zonder dat daarvoor door de cliënt voorafgaande toestemming is gegeven. Uit de stukken valt geen toestemming van klaagster af te leiden voor het instellen van beroep in de PGB-kwestie.

Beslissing van 27 juli 2026

in de zaak 260010

naar aanleiding van het hoger beroep van:

verweerder

tegen:

klaagster

gemachtigde: mr. H. Sytema, advocaat te Den Haag

1 INLEIDING

1.1 Het betreft een klacht over de eigen advocaat over de kwaliteit van de dienstverlening. De Raad van Discipline in het ressort Amsterdam (hierna: de raad) heeft geoordeeld dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door zonder de schriftelijk vastgelegde expliciete instemming van klaagster zijn facturen te verrekenen met het aan klaagster uitgekeerde schikkingsbedrag dat op de derdengeldenrekening van verweerder is gestort. Ook heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door afspraken met klaagster over het wel of niet hoger beroep instellen niet schriftelijk vast te leggen, waardoor achteraf discussie is ontstaan over de vraag of klaagster met het instellen van hoger beroep heeft ingestemd. De klacht is gedeeltelijk gegrond. De raad heeft aan verweerder een waarschuwing opgelegd en veroordeeld in de proceskosten. Verweerder is in beroep gekomen.

1.2 Het Hof van Discipline (hierna: het hof) zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom verweerder in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2 DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline

2.1 De raad heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 25-281/A/A) een beslissing gewezen op 15 december 2025. In deze beslissing is de klacht van klaagster gedeeltelijk  gegrond (klachtonderdelen b en d) en gedeeltelijk ongegrond (klachtonderdelen a en c) verklaard.  Aan verweerder is de maatregel van waarschuwing opgelegd. Verder is verweerder veroordeeld tot betaling van het griffierecht en de proceskosten.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:228 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3 Het beroepschrift van verweerder tegen de beslissing is op 14 januari 2026 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:

  • de stukken van de raad;
  • het verweerschrift van klaagster.

  2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 1 juni 2026. Daar zijn verweerder en klaagster, bijgestaan door haar gemachtigde, verschenen. Partijen hebben hun standpunt toegelicht.  

3 FEITEN

3.1 Het hof stelt de volgende feiten vast.

3.2 In november 2021 heeft klaagster verweerder gevraagd haar bij te staan in een tucht- en aansprakelijkheidszaak tegen haar voormalige advocaat mr. R. Verweerder heeft deze zaak overgenomen van mr. M.

Ook heeft verweerder in november 2021 een zaak van klaagster tegen mr. M. in behandeling genomen. In deze zaak ging het om een openstaande declaratie van mr. M. terzake de buitengerechtelijke kosten gemoeid met de aansprakelijkstelling van mr. R.

3.3 Op 26 november 2021 heeft mr. M. verweerder gemaild:

‘Ter zake van de Buitengerechtelijke kosten zend ik u bijgaand mijn factuur tot een gelimiteerd bedrag van € 6.094,37 inclusief BTW met urenstaat. Inderdaad werd een toevoeging afgegeven. Deze sluit ik tevens bij. (…) Mocht uw client bij haar standpunt blijven dan zal ik mij moeten richten tot de Geschillencommissie Advocatuur.’

3.4 Op 29 november 2021 heeft verweerder mr. M. gemaild:

‘Cliënte geeft aan dat is afgesproken dat de onderhandelingen op basis van de verleende toevoeging zouden plaatsvinden. Zij betwist dan ook dat zij met u heeft afgesproken dat de onderhandelingen op betalende basis zouden worden voortgezet. (…) Volledigheidshalve bericht ik u dat ik opgemelde zaak op betalende basis zal voortzetten.’

3.5 De Geschillencommissie Advocatuur heeft het factuurgeschil tussen mr. M. en klaagster uiteindelijk in het voordeel van klaagster beslist.

3.6 Op 29 november 2021 heeft verweerder klaagster een factuur gestuurd voor juridische bijstand inzake de aansprakelijkstelling van mr. R. Onderaan de factuur is vermeld ‘Betaald via derdengeldenrekening.’

3.7 Op 18 januari 2022 heeft verweerder de gemachtigde van mr. R. gemaild:

‘Cliënte gaat akkoord met het voorstel van uw cliënt, (…). Na ontvangst van de eerste betaling van in totaal € 8.750,--, zal de deken worden bericht dat de procedure kan worden ingetrokken.’

3.8 Op 24 januari 2022 heeft verweerder de Orde van Advocaten in Noord-Holland laten weten dat klaagster en mr. R. tot een definitief akkoord zijn gekomen en dat hij de klacht over mr. R. namens klaagster intrekt.

3.9 Op 8 februari 2022 heeft de Raad voor Rechtsbijstand (RvR) aan verweerder een toevoeging verleend voor het voeren van verweer tegen een vordering van mr. M.

3.10 Op 12 mei 2022 heeft verweerder namens klaagster bezwaar gemaakt tegen de weigering van een PGB-aanvraag voor haar moeder die kort daarvoor was overleden.

3.11 In mei 2022 heeft verweerder klaagster een factuur gestuurd voor het opstellen van een bezwaarschrift in de PGB-zaak en het bijwonen van een hoorzitting. Onderaan de factuur is vermeld ‘Betaald via derdengeldenrekening.’

3.12  Op 14 mei 2022 heeft klaagster verweerder ge-sms’t:

‘… je hoeft geen bezwaarschrift in te dienen, ik zie er vanaf.’

3.13 Op 16 mei 2022 heeft verweerder klaagster ge-sms’t:

‘(…) ik bel je vandaag om 16.00 uur.’

3.14 Op 24 mei 2022 om 15.04 uur heeft verweerder klaagster ge-sms’t dat hij een ontvangstbevestiging van het Zorgkantoor heeft ontvangen en dat hij voor 7 juni 2022 een verklaring van erfrecht en een door de erven ondertekende machtiging moet terugsturen. Dezelfde dag om 15.09 uur heeft klaagster verweerder per sms gevraagd of hij morgen om 15.00 uur kan.

3.15  Op 30 mei 2022 heeft verweerder klaagster ge-sms’t dat hij zojuist opdracht heeft gegeven om € 2.000,- naar haar rekening over te maken en dat hij haar later belt over de brief van het Zorgkantoor. Daarop heeft klaagster gereageerd dat zij telefonisch liever geen zaken doorneemt.

3.16 Op 1 juni 2022 heeft klaagster verweerder ge-sms’t:

… hierbij verzoek ik je om factuur/nota betalingsbewijs en transactie bewijs van 1250 euro inclu B.T.W. naar mij te versturen, van mijn geld naar jou rekening gestort. Je zegt dat je transparant te werk gaat, maar ik heb tot nu toe nooit stukken ontvangen.’

3.17 Op 8 juni 2022 heeft verweerder klaagster een brief gestuurd. Daarin bericht hij haar als volgt:

‘Naar aanleiding van jouw verzoek van vrijdag 27 mei jl., ten kantore, zend ik je hierbij, zoals afgesproken, mijn facturen en kopieën van de met de wederpartij gewisselde correspondentie in bovengenoemde dossiers. De facturen zijn reeds betaald via de derdengeldrekening.’

3.18 Op 9 juni 2022 heeft verweerder klaagster ge-sms’t:

‘Zoals afgesproken heb ik uitstel aangevraagd bij het Zorgkantoor. Het uitstel is gehonoreerd en verleend tot 20 juni aanstaande. Ik heb ook kopieën gemaakt van de stukken(dossier). Ik kan die per post sturen of we kunnen een afspraak maken om de stukken op te halen.’

3.19 Op 18 juni 2022 heeft klaagster verweerder gevraagd haar een kopie te sturen van haar volledige dossier inclusief alle financiële transacties.

3.20 Op 15 augustus 2022 is het bezwaar tegen de afwijzing van de PGB niet-ontvankelijk verklaard, omdat klaagster geen belanghebbende is bij de beschikking waartegen zij bezwaar heeft ingediend.

3.21 Op 16 en 19 september 2022 heeft verweerder klaagster via sms gevraagd contact met hem op te nemen.

3.22 Op 19 september 2022 heeft verweerder bij het huis van klaagster aangebeld.

3.23 Op 20 september 2022 om 12.41 uur heeft klaagster verweerder ge-sms’t:

‘(…) uw gedrag is onacceptabel. U hebt mij vanaf 17 sept belaagt met bellen en sms’en. Gister 19e hebt u mij van 17.45 tot 19.35 gebelt u STOND ZELFS LETTERLIJK 20 min BIJ MIJ VOOR DE DEUR aan te bellen en bellen tegelijk.

Vandaag 20e stond u weer bij mij op de stoep en belaagt u mij tegelijkertijd met telefoontjes. Je stalkings gedrag is intimiderend, bedreigend en grensoverschrijdend (…)’

Daarop heeft verweerder om 12.44 uur gereageerd:

‘Dank voor je bericht. Ik ben langsgegaan omdat ik je niet kon bereiken en niet reageerde op mijn telefoontjes. Ik heb aangegeven dat we het beroep van de pgb moeten bespreken. Mijn collega ziet die mogelijkheden.’

en om 12:48 uur: ‘De beroepstermijn verstrijkt maandag 26 september aanstaande!’

en om 12:49 uur: ‘Kan hij contact met je opnemen hierover? Belangrijk is dan wel dat je de telefoon opneemt! Ik hoor graag van je.’

3.24  Op 20 september 2022 om 12:53 uur heeft klaagster aan verweerder ge-sms’t:

‘Ik ondervind veel last van jou gedrag en heb hierdoor gezondheidsklachten. Ik heb je vaker           aangesproken op u gedrag. IK VERZOEK U MET KLEM NIET MEER BIJ MIJ VOOR DE DEUR TE STAAN en te stoppen mij te stalken, Ik ben ziek. Mij niet meer bellen/smsen. Ik neem zelf      contact op. DANK.’

3.25  Op 20 september 2022 om 13:03 uur heeft verweerder aan klaagster ge-sms’t:

‘Indien ik uiterlijk vandaag geen uitsluitsel van jou heb ontvangen of mijn collega beroep voor je kan instellen tegen het besluit van het Zorgkantoor en hierover met jou in contact kan treden, dan ga ik ervan uit dat je hiervan afziet.

En om 13:07 uur: ‘Ik verneem graag UITERLIJK vandaag.’

3.26  Op 17 oktober 2022 om 19.47 uur heeft verweerder klaagster ge-sms’t:

‘Ik hoop dat het beter met je gaat. Aanstaande vrijdag is de zitting van de geschillencommissie. Laat even weten of je gaat. Mijn collega heeft voor de zekerheid pro forma beroep ingediend             tegen het besluit van het zorgkantoor (pgb). Hij heeft tot 25 oktober de tijd om de gronden van    het beroep in te dienen. Laat me zsm weten of je hiermee door wilt gaan of niet.’

3.27  Op 19 oktober 2022 heeft verweerder klaagster ge-sms’t:

‘Graag nog reageren op mijn vraag of je het hoger beroep nog wilt laten doorgaan. Beroep   PGB.’

3.28 Op 21 oktober 2022 heeft verweerder klaagster ge-sms’t:

‘(…) weet je al of het beroep inzake de PGB wilt voortzetten? Ik hoor graag even van je.’

3.29  Op 24 oktober 2022 heeft verweerder klaagster ge-sms’t: ‘(…) Graag reactie svp!’

3.30  Op 31 oktober 2022 heeft klaagster de RvR bericht:

‘Naar aanleiding van ons telefonisch contact d.d. vrijdag 28 oktober jl. wil ik u laten weten dat  de advocaat die namens mij een toevoeging gevraagd heeft op 07-10-2022 mij niet bekend is. Ik heb deze advocaat niet gevraagd een toevoeging te regelen. De zaak loopt als bij de heer B., advocaat, die mij meermaals aangeboden heeft de zaak in behandeling te nemen en wie ik hiervoor al betaald heb.’

3.31  In november 2022 heeft verweerder diverse keren geprobeerd om (telefonisch) contact met klaagster te krijgen.

3.32  Op 29 november 2022 heeft verweerder klaagster bericht:

‘Nu de door mr. M. gestelde vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten bij arbitraal vonnis van de Geschillencommissie Advocatuur, is afgewezen, brengt hij thans alsnog de door jou verschuldigde eigen bijdrage ad € 152,- voor de toevoeging middels bijgevoegde nota in rekening. Deze nota heeft betrekking op de door mr. M. verrichte werkzaamheden, bestaande uit de onderhandelingen over schadevergoeding met Allianz vanwege begane            beroepsfouten van jouw voormalig advocaat. (…) Kun je mij nog laten weten of je mijn brief van gisteren met als bijlage het arbitraal vonnis van de Geschillencommissie Advocatuur al hebt  ontvangen?’

3.33  Op 1 december 2022 om 12.52 uur heeft verweerder klaagster ge-sms’t:

(…) helaas ben je nog steeds niet telefonisch bereikbaar. Ik ga ervan uit dat je mijn brief inclusief het arbitrale vonnis en de factuur van [mr. M.] inmiddels heb ontvangen. Gelukkig ontvang je wel deze sms-berichten aangezien je eerder hierop hebt gereageerd. Vergeet je niet de factuur van [mr. M.] uiterlijk 11 december 2022 te betalen? Dit ter voorkoming van bijkomende kosten.’

Dezelfde dag om 15:04 uur heeft klaagster verweerder ge-sms’t:

‘Ik ben helemaal klaar met jou en je vieze streken. HEB GEEN POST ONTVANGEN!!! JE HOUDT JE NOG STEEDS NIET AAN DE GEMAAKTE AFSPRAKEN. OP EEN GERAFFINEERDE MANIER DRAAI JIJ MENSEN EEN LOER. IK WENS op geen enkele manier contact met jou.’

Om 17.25 uur heeft verweerder klaagster ge-sms’t:

‘Dank voor je bericht. Ik heb de brief gisteren per post verstuurd.

Kun je mij uiterlijk morgen laten weten of je mijn brief inclusief bijlagen hebt ontvangen. Ook verneem ik graag wanneer je de betaling aan [mr. M.] heb verricht.

Mocht je de brief niet uiterlijk morgen hebben ontvangen dan adviseer ik je om een kopie daarvan na voorafgaande afspraak op kantoor te komen ophalen.’

3.34  Op 4 december 2022 heeft verweerder klaagster via sms gevraagd hem te bevestigen dat zij zijn brief inclusief bijlagen heeft ontvangen en dat zij de factuur van mr. M. tijdig zal voldoen.

3.35  Op 5, 6 en 7 december 2022 heeft verweerder zijn verzoek aan klaagster via sms herhaald.

3.36  Op 9 december 2022 heeft klaagster verweerder ge-sms’t:

‘(…)’ ik heb nog steeds GEEN stukken ontvangen. Wie denk je wel niet dat je bent, mij steeds te schofferen, je probeert me met list en bedrog een loer te draaien zonder ik geen poot heb om op te staan. Maar nogmaals ik heb je EXPLICIET duidelijk gemaakt, dat mocht [mr. M.] in het gelijk worden gesteld dat het factuur voor jou rekening is. Gezien het feit dat jij op eigen initiatief achter de zaak bent gegaan en het hebt opgeëist zonder overleg met mij. Ik heb jou niet om juridisch hulp gevraagd. Want ik zou het zelf doen.

Ook heb jij me samen met jou op kantoor formulieren laten invullen en versturen terwijl ik ditniet wilde. Ik moest van jou toelichting bij doen over onveilig gevoel en dat de zaak bij jou liep. Je droeg me dit op.’

‘Zoals je altijd geweigert/verzuimt hebt gevraagde stukken naar mij te versturen heb je nu ook            geweigert/verzuimt stukken geschillencommissie, factuur/nota [mr. M.] te sturen. Ik tast nu in het duister en weet niet wat er speelt. Ik ondervind hier last van en wordt nu ook behoorlijk benadeeld. Je word bedankt (…)!’

Dezelfde dag heeft verweerder klaagster ge-sms’t dat hij in het bezit is van het verzendbewijs en adviseert verweerder klaagster om de stukken die hij aan haar heeft gezonden spoedig op kantoor te komen ophalen. Verder heeft verweerder in deze sms vermeld dat hij nimmer met klaagster heeft afgesproken dat hij de factuur van mr. M. zou betalen.

3.37  Op 11 december 2022 heeft verweerder klaagster ge-sms’t dat hij mr. M. zal laten weten dat hij klaagster niet meer bijstaat in het factuurgeschil met mr. M.

3.38  Op 12 december 2022 heeft verweerder klaagster via sms bericht dat het arbitraal vonnis is gedeponeerd bij de griffie van de rechtbank.

3.39  In 2023 heeft verweerder klaagster diverse keren benaderd via sms en heeft hij geprobeerd telefonisch contact met klaagster te krijgen over het door zijn kantoorgenoot mr. E. namens klaagster ingestelde beroep in de PGB-zaak.

3.40  Op 16 augustus 2024 heeft mr. E., kantoorgenoot van verweerder, klaagster bericht:

‘In bovengenoemde kwestie heeft de Rechtbank bepaald dat er op dinsdag 3 september om 15.00 een zitting zal plaatsvinden. Mocht u nog contact wensen voor de zitting dan verneem ik dit graag, ik ben bereikbaar op (…) Het is niet verplicht om bij de zitting aanwezig te zijn.’

4 KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven en voor zover van toepassing, voor zover van belang, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet doordat:

a)   (..)  

b)    verweerder heeft ruim € 600,- en € 1.250,- van de derdengeldenrekening van zijn kantoor overgemaakt naar zijn kantoorrekening zonder dit (vooraf) aan klaagster te bevestigen en zonder haar facturen voor deze bedragen te sturen. Van verrekening van facturen is geen sprake. Door de verzekeringsmaatschappij was een schikkingsbedrag van € 15.000,- uitgekeerd en op de derdengeldenrekening van het kantoor van verweerder gestort. Verweerder kan niet klakkeloos aan het geld van klaagster zitten;

c)  (..)

d)    verweerder heeft, zonder overleg en/of toestemming van klaagster, de persoonsgegevens van klaagster aan een collega-advocaat gegeven voor de aanvraag van een toevoeging voor klaagster in de PGB-zaak. Klaagster heeft verweerder geen akkoord gegeven om de PGB-zaak voor haar in behandeling te nemen, ook niet in mei 2022. Klaagster heeft ook de kantoorgenoot van verweerder geen akkoord gegeven om op haar naam een toevoeging aan te vragen.

5 BEOORDELING RAAD

Klachtonderdeel b)

5.1 De raad heeft vooropgesteld dat advocaten met betrekking tot de kantoororganisatie gehouden zijn tot naleving van de regels zoals bepaald in de Verordening op de Advocatuur (hierna: Voda). Artikel 6.19 lid 4 Voda bepaalt dat een advocaat met de rechthebbende schriftelijk kan overeenkomen dat derdengelden worden aangewend ter voldoening van een eigen declaratie. Indien derdengelden zijn aangewend ter voldoening van een eigen declaratie, bevestigt de advocaat dit schriftelijk aan de rechthebbende. Uit de toelichting bij artikel 6.19 lid 4 Voda volgt dat voor verrekening van derdengelden met een eigen declaratie is vereist dat de cliënt hier expliciet mee instemt en dat de instemming schriftelijk is vastgelegd.

5.2 De raad heeft op grond van de stukken en de ter zitting afgelegde verklaringen vastgesteld dat er geen correspondentie is waaruit blijkt dat verweerder met klaagster heeft afgesproken dat zijn facturen zouden worden verrekend met (een gedeelte van) het schikkingsbedrag dat de verzekeraar op zijn derdengeldenrekening had gestort. Klaagster heeft ook betwist dat zij met deze gang van zaken heeft ingestemd en zou hebben ingestemd. Door zijn facturen zonder de schriftelijk vastgelegde instemming van klaagster te verrekenen met het aan klaagster uitgekeerde schikkingsgeld dat op zijn derdengeldenrekening is gestort, heeft verweerder in strijd gehandeld met artikel 6.19 Voda. Dat valt hem tuchtrechtelijk te verwijten. Klachtonderdeel b) is dan ook gegrond.

Klachtonderdeel d)

5.3 De raad heeft vooropgesteld dat het tot de taak van de advocaat behoort om belangrijke informatie en afspraken schriftelijk te bevestigen. Als zich na de opdrachtbevestiging en met de cliënt besproken strategie ontwikkelingen voordoen die tot andere inzichten leiden, dient de advocaat dat met zijn cliënt te bespreken en zorgvuldig te adviseren. Daarbij moet de advocaat zich ervan vergewissen of de cliënt alles goed heeft begrepen en of de cliënt de gevolgen en mogelijke risico’s van de gekozen strategie voldoende overziet.

5.4 De raad heeft niet kunnen vaststellen of klaagster akkoord was met het instellen van het hoger beroep tegen de PGB-beslissing ten behoeve waarvan verweerder gegevens van klaagster aan mr. E. heeft doorgegeven. Klaagster heeft dit uitdrukkelijk betwist. Uit de feiten blijkt dat klaagster op 14 mei 2022 aan verweerder heeft ge-sms’t: ‘… je hoeft geen bezwaarschrift in te dienen, ik zie er vanaf.’, maar ook dat verweerder op 16 mei 2022 heeft ge-sms’t‘(…) ik bel je vandaag om 16.00 uur.’ Verweerder heeft volhard in zijn standpunt dat hij alles met betrekking tot het instellen van het hoger beroep in de PGB-zaak in goed overleg met klaagster heeft gedaan. De raad heeft echter geen stukken aangetroffen waaruit blijkt dat verweerder de mogelijkheid van het hoger beroep met klaagster heeft besproken en dat verweerder klaagster heeft gewezen op de mogelijke risico’s van het hoger beroep. De raad kan daarom ook niet vaststellen dat verweerder, zoals hij ter zitting heeft aangevoerd, de PGB-zaak uitvoerig met klaagster heeft besproken en dat klaagster uiteindelijk akkoord is gegaan met het instellen van hoger beroep door zijn kantoorgenoot mr. E. Ter zitting heeft verweerder erkend dat hij hierover geen opdrachtbevestiging aan klaagster heeft gestuurd. Nu verweerder heeft nagelaten de afspraken over het instellen van hoger beroep in de PGB-zaak schriftelijk vast te leggen komt dat voor zijn risico. Klachtonderdeel d) is door het gebrek aan schriftelijke vastlegging dan ook gegrond.

5.5 De raad is tot de conclusie gekomen dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door zonder de schriftelijk vastgelegde expliciete instemming van klaagster zijn facturen te verrekenen met het aan klaagster uitgekeerde schikkingsbedrag dat op de derdengeldenrekening van verweerder is gestort. Ook heeft verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door afspraken met klaagster over het wel of niet hoger beroep instellen in de PGB-zaak niet schriftelijk vast te leggen, waardoor achteraf discussie is ontstaan over de vraag of klaagster met het instellen van hoger beroep heeft ingestemd. De aard en ernst van deze tuchtrechtelijke verwijten rechtvaardigen volgens de raad de oplegging van een maatregel, te weten een waarschuwing.

6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden verweerder

Klachtonderdeel b)    

6.1 Verweerder heeft aangevoerd dat de Raad ten onrechte geen betekenis heeft toegekend aan de concrete omstandigheden van het geval en de wijze waarop partijen feitelijk uitvoering hebben gegeven aan hun afspraken. Volgens verweerder vond de verrekening van de op zijn derdenrekening gestorte bedragen plaats na afstemming met klaagster.

Klachtonderdeel d)

6.2 Verweerder heeft ten aanzien van dit klachtonderdeel aangevoerd dat de raad ten onrechte het indienen van bezwaar en het laten instellen van (pro forma) beroep als één verwijt heeft beoordeeld, terwijl het juridisch en feitelijk onderscheiden gedragingen betreft. Verweerder heeft erop gewezen dat hij zelf geen beroep heeft ingesteld. Het beroep is ingesteld door een kantoorgenoot van verweerder. Nadat het bezwaar tegen het besluit inzake de PGB bij besluit van 15 augustus 2022 was afgewezen, heeft verweerder deze afwijzing telefonisch met klaagster besproken. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat hij zijn kantoorgenoot zal vragen om de kans van slagen van een eventueel in te stellen beroep te beoordelen. Nadat de kantoorgenoot van verweerder had laten weten dat hij het instellen van beroep zinvol achtte, heeft verweerder een aantal vergeefse pogingen ondernomen om met klaagster in contact te komen. Toen dit niet heeft verweerder aan klaagster laten weten dat zijn kantoorgenoot mogelijkheden zag voor instellen van beroep. Verweerder heeft uiteengezet dat er geen financiële risico’s voor klaagster waren verbonden aan het beroep. Gelet hierop is het volgens verweerder hem niet tuchtrechtelijk te verwijten dat zonder instructie van klaagster beroep is ingediend.

Maatregel

6.3 Ten slotte heeft verweerder opgemerkt dat hij de aan hem opgelegde waarschuwing disproportioneel acht. Hij heeft erop gewezen dat hem in de bijna 8 jaar dat hij werkzaam is als advocaat nimmer een tuchtrechtelijke maatregel is opgelegd. Verweerder erkent dat hij de gemaakte afspraken schriftelijk had moeten vastleggen. Dit is dan ook een belangrijke les voor verweerder.

Verweer klaagster

6.4 Klaagster betwist toestemming te hebben gegeven voor verrekening van de nota met de derdengelden. Zij heeft erop gewezen dat het juist om dit soort situaties te voorkomen vereist is dat een advocaat een en ander schriftelijk vastlegt zoals art. 6.19 van de Voda voorschrijft.

6.5 Klaagster stelt zich verder op het standpunt dat zij door aan verweerder aan te geven dat zij niet wilde dat er contact met haar werd opgenomen, genoegzaam bekend heeft gemaakt dat zij  geen opdrachten meer aan verweerder wilde verstrekken. De stelling van verweerder dat er geen contact met klaagster mogelijk was, is onjuist. Dat contact was er, en dat is door klaagster nadrukkelijk stopgezet. Het had op de weg van verweerder gelegen de fatale termijn te benoemen en klaagster op de gevolgen te wijzen, maar niet om uit eigen beweging dan toch beroep in te stellen. Van belang is dat klaagster eerder ook al had laten weten niet in bezwaar te willen gaan. Volgens klaagster kan ook niet worden gezegd dat er in het geheel geen financiële gevolgen of risico’s waren.

BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

7.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.

7.3 Zowel uit vaste jurisprudentie van het hof als uit Regel 16 van de Gedragsregels advocatuur 2018 (verder: gedragsregel 16) volgt dat het tot de taak van de advocaat behoort om belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Indien zich na de opdrachtbevestiging en met de cliënt besproken strategie ontwikkelingen voordoen die tot andere inzichten leiden, dient de advocaat dat met zijn cliënt te bespreken en hem zorgvuldig te adviseren. Daarbij moet de advocaat zich ervan vergewissen of de cliënt alles goed heeft begrepen en of hij de gevolgen van de gekozen strategie voldoende overziet. Zo nodig moet hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt bevestigen.

Overwegingen hof

Klachtonderdeel b)

7.4 Ter zitting bij het hof op 1 juni 2026 heeft verweerder erkend dat het aanwenden van de derdengelden ter voldoening van zijn eigen declaraties niet is geschied conform het bepaalde in de Voda. Verweerder heeft verklaard dat hij de afspraken schriftelijk aan klaagster had moeten bevestigen. Verweerder erkent dat hij het niet goed heeft gedaan. Nu verweerder zelf ook van mening is dat het verrekenen van de declaraties  met de derdengeldrekening niet op juiste wijze is geschied, slaagt het  beroep van verweerder tegen het oordeel van de raad op klachtonderdeel b niet. Klachtonderdeel b) blijft dan ook gegrond.

Klachtonderdeel d)

7.5 Behoudens bijzondere omstandigheden, die zich naar het oordeel van het hof hier niet voordoen, staat het een advocaat niet vrij om een rechtsmiddel aan te wenden zonder dat daarvoor door de cliënt voorafgaande toestemming is gegeven. Uit de stukken valt geen toestemming van klaagster af te leiden voor het instellen van beroep in de PGB-kwestie. Verweerder heeft in dit kader nog aangevoerd dat hij niet degene is geweest die dat beroep instelde, maar uit de sms-berichten die verweerder aan klaagster heeft gezonden op 20 september 2022 en op 17, 19, 21 en 24 oktober 2022 blijkt dat hij wel degelijk een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij het instellen van het beroep door de zijn kantoorgenoot. Voor het hof staat voldoende vast dat zonder de bemoeienis van verweerder het beroep niet zou zijn ingesteld; verweerder vormde voor wat betreft het instellen van het beroep immers de schakel tussen klaagster en zijn kantoorgenoot. Het hof is dan ook van oordeel dat ook klachtonderdeel d) gegrond is. Het argument van verweerder dat er voor klaagster geen financiële risico’s verbonden waren aan het instellen van het beroep maakt dit niet anders. Het beroep van verweerder tegen de beslissing van de raad op onderdeel d) slaagt evenmin.

7.6 Verweerder heeft tijdens de procedure bij het hof inzicht getoond in zijn handelen met betrekking tot het verrekenen van de declaraties . Hij heeft erkend dat hij gemaakte afspraken altijd schriftelijk moet vastleggen. Het hof waardeert de reflectie van verweerder op klachtonderdeel b), maar dit maakt het handelen van verweerder niet minder verwijtbaar. Nu het beroep van verweerder tegen de klachtonderdelen b) en d) niet slaagt, volgt het hof het oordeel van de raad dat de oplegging van de maatregel van een waarschuwing passend is.

8 PROCESKOSTEN

8.1 Omdat het hof een beslissing bekrachtigt waarin een maatregel is opgelegd, zal het hof verweerder op grond van artikel 48ac, eerste lid, Advocatenwet veroordelen in de kosten voor de procedure bij het hof conform de Richtlijn kostenveroordeling Hof van Discipline 2021:                                                                                                                                

a) € 50,- kosten  van klaagster (forfaitair);

b) € 1.050,- [€ 525,- per punt]  kosten voor rechtsbijstand van klaagster;

c) € 1.000,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten;

d) € 1.000,- kosten van de Staat.

8.2 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 1.100,- aan kosten van klaagster binnen vier weken na deze beslissing betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

8.3 Verweerder moet op grond van artikel 48ac lid 4 Advocatenwet het bedrag van € 2.000,- binnen vier weken na deze uitspraak overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling hof van discipline" en het zaaknummer.

9 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

9.1    bekrachtigt de beslissing van 15 december 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam, gewezen onder nummer 25-281/A/A;

9.2   veroordeelt verweerder tot betaling van de kosten in de procedure bij het hof van € 1.100,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;

9.3    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten in de procedure bij het hof van € 2.000,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. K. van Dijk en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2026.

Griffier                                                                                     voorzitter             

De beslissing is verzonden op 27 juli 2026 .