ECLI:NL:TAHVD:2026:237 Hof van Discipline 's Gravenhage 250388
| ECLI: | ECLI:NL:TAHVD:2026:237 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-07-2026 |
| Datum publicatie: | 27-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 250388 |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Het betreft een klacht over de bijstand van de eigen advocaat in een arbeidsrechtelijk geschil. De Raad van Discipline heeft de klacht ongegrond verklaard. Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad. |
Beslissing van 27 juli 2027
in de zaak 250388
naar aanleiding van het hoger beroep van:
klaagster
tegen:
verweerster
1 INLEIDING
1.1 Het betreft een klacht over de bijstand van de eigen advocaat in een arbeidsrechtelijk geschil. De Raad van Discipline (hierna: de raad) heeft niet kunnen vaststellen dat verweerster klaagster niet naar behoren heeft bijgestaan. Klaagster spreekt verweerster pas jaren na het sluiten van het dossier aan op de gekozen strategie. Die strategie is echter steeds met klaagster besproken en voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding door klaagster goedgekeurd. De klacht is in alle onderdelen ongegrond. Klaagster is in beroep gekomen.
1.2 Het Hof van Discipline (hierna: het hof) zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.
2 DE PROCEDURE
Bij de raad van discipline
2.1 De raad in het ressort Den Haag heeft in de zaak tussen klaagster en verweerster (zaaknummer: 25-013/DH/RO) een beslissing gewezen op 13 oktober 2025. In deze beslissing is de klacht van klaagster ongegrond verklaard.
2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRSGR:2025:196 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.
Bij het hof van discipline
2.3 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing is op 11 november 2025 ontvangen door de griffie van het hof.
2.4 Verder bevat het dossier van het hof:
- de stukken van de raad.
2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 1 juni 2026. Daar is klaagster - met bericht - niet verschenen. Verweerster is verschenen.
3 FEITEN
In de beslissing van de raad zijn de feiten vastgesteld. Er is in hoger beroep geen aanleiding deze feitenvaststelling te wijzigen. De door de raad vastgestelde feiten vormen dus ook in hoger beroep het uitgangspunt bij de beoordeling van de klacht.
4 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:
a) Misbruik van positie en functie.
b) Ondermijning van de rechten van klaagster.
c) Misleiding, intimidatie en afpersing.
d) Uitlokking tot valsheid in geschrifte.
e) Het plegen van valsheid geschrifte.
f) Handelen in het belang van de wederpartijen DHL en UWV.
g) Ondermijning van de rechtsgang door het achterhouden van fundamenteel vastgelegde feiten en beslissingen.
h) Het beïnvloeden van de rechter door dwaling, list en bedrog.
5 BEOORDELING RAAD
5.1 De raad heeft de klachtonderdelen gezamenlijk besproken. Op basis van de stukken en de stellingen van partijen heeft de raad niet kunnen vaststellen dat verweerster klaagster niet naar behoren heeft bijgestaan. Verweerster heeft onweersproken gesteld dat ze een juridische inschatting heeft gemaakt van de wijze waarop de zaak behandeld zou moeten worden, dat zij deze strategie met klaagster heeft besproken en aan klaagster haar concepten ter goedkeuring heeft voorgelegd. Gelet hierop is de raad tot het oordeel gekomen dat verweerster zorgvuldig heeft gehandeld.
5.2 De raad heeft overwogen dat klaagster verweerster pas jaren na sluiting van het dossier met een klacht heeft aangesproken op de – in haar ogen achteraf onjuiste – strategie in de procedure. Uit de communicatie tussen klaagster en verweerster valt af te leiden dat er discussie bestond over de door verweerster gekozen strategie, maar ook dat deze strategie steeds met klaagster is besproken en voorafgaand aan het uitbrengen van de dagvaarding door klaagster is goedgekeurd. Hierbij heeft de raad gewezen op de e-mail van klaagster van 16 april 2021 (zie overweging 3.11). Bovendien heeft verweerster onweersproken gesteld dat klaagster nogal wisselde in haar emoties en is het verweersters taak om als dominus litis op te treden. Op welke grond verweerster een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt over de door haar gekozen processtrategie is naar het oordeel van de raad onvoldoende naar voren gebracht. Omdat klaagster de in dit verband door haar ingenomen stellingen niet nader heeft onderbouwd, is de raad daaraan voorbijgegaan.
5.3 De raad heeft verder geoordeeld dat van misbruik van positie en functie, ondermijning, misleiding, intimidatie, afpersing, (uitlokking tot) valsheid in geschrifte, fusering met wederpartijen, ondermijning van de rechtsgang, het beïnvloeden van de rechter door dwaling, list en bedrog, afpersing, bedreiging, intimidatie, foltering, slavernij en dwangarbeid, discriminatie dan wel enig ander door klaagster genoemd en door verweerster betwist misdrijf niet is gebleken. Daarom heeft de raad de klacht ongegrond verklaard.
6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER
Beroepsgronden klaagster
6.1 Klaagster heeft in het beroepschrift uiteengezet dat zij het niet eens is met de beslissing van de raad.
Verweer verweerster
6.2 Verweerster heeft ter zitting opgemerkt dat zij klaagster naar eer en geweten heeft bijgestaan.
7 BEOORDELING HOF
Maatstaf
7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
7.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 van de Advocatenwet hanteert het hof als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Bij deze beoordeling geldt dat de tuchtrechter rekening houdt met de vrijheid die de advocaat heeft met betrekking tot de wijze waarop hij een zaak behandelt en met keuzes waar de advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door de eisen die aan de advocaat als opdrachtnemer in de uitvoering van die opdracht mogen worden gesteld en die met zich brengen dat zijn werk dient te voldoen aan datgene wat binnen de beroepsgroep als professionele standaard geldt. Het hof toetst of verweerder heeft gehandeld met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwame en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mag worden verwacht. Deze toets geldt omdat er binnen de beroepsgroep wat betreft de vaktechnische kwaliteit geen sprake is van breed gedragen, schriftelijk vastgelegde professionele standaarden.
Overwegingen hof
7.3 Het hof ziet op basis van het onderzoek in hoger beroep geen aanleiding om tot een andere beoordeling van de klacht te komen dan de raad. Het hof sluit zich aan bij de beslissing van de raad en neemt die over.
Slotsom
7.4 Het hof verwerpt het hoger beroep van klaagster en zal de beslissing van de raad bekrachtigen.
8 BESLISSING
Het Hof van Discipline:
- bekrachtigt de beslissing van 13 oktober 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, gewezen onder nummer 25-013/DH/RO.
Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. K. van Dijk en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2026.
griffier voorzitter
De beslissing is verzonden op 27 juli 2026 .