We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TAHVD:2026:236 Hof van Discipline 's Gravenhage 250244

ECLI: ECLI:NL:TAHVD:2026:236
Datum uitspraak: 27-07-2026
Datum publicatie: 27-07-2026
Zaaknummer(s): 250244
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Het hof onderschrijft het oordeel van de raad. Duidelijk is dat klaagster van mening is dat verweerder haar zaak niet goed heeft behandeld, klaagster heeft echter niet op overtuigende wijze onderbouwd dat de dienstverlening van verweerder niet voldoende was. Het hof onderschrijft het oordeel van de raad dat het aan verweerder was om te bepalen welke argumenten relevant zijn om in de gerechtelijke procedure in te brengen. Verweerder is - als dominus litis - niet verplicht uitvoering te geven aan alle verzoeken van zijn cliënte. Zo was verweerder niet verplicht om in zijn processtuk uitvoeriger dan hij heeft gedaan in te gaan op de nieuwe identiteit van klaagster en haar familieafkomst, uitsluitend omdat klaagster dit wilde.

Beslissing  van 27 juli 2026

in de zaak 250244

naar aanleiding van het hoger beroep van:

klaagster

tegen:

verweerder         

1 INLEIDING

1.1 Het betreft een klacht over de kwaliteit van dienstverlening van de eigen advocaat. De Raad van Discipline (hierna: de raad) heeft in wat klaagster heeft aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat verweerder haar zaak niet naar behoren heeft behandeld of op andere (juridisch inhoudelijke) aspecten tekortgeschoten is. Verweerder dient als dominus litis zelf te bepalen welke argumenten wel of niet relevant zijn om in de gerechtelijke procedure in te brengen en is niet verplicht uitvoering te geven aan alle verzoeken van zijn cliënte. De klacht is ongegrond. Klaagster is in beroep gekomen.

1.2 Het Hof van Discipline (hierna: het hof) zet eerst het verloop van de procedure bij de raad en het hof uiteen. Vervolgens zet het hof het volgende op een rij: de feiten, de klacht en de beoordeling van de raad. Daarna volgen de redenen waarom klaagster in beroep is gekomen en hoe het hof daarover oordeelt.  

2 DE PROCEDURE

Bij de raad van discipline

2.1 De raad in het ressort Amsterdam heeft in de zaak tussen klaagster en verweerder (zaaknummer: 25-020/A/A) een beslissing gewezen op 7 juli 2025. In deze beslissing is de klacht van klaagster ongegrond verklaard.

2.2 Deze beslissing is onder ECLI:NL:TADRAMS:2025:115 op tuchtrecht.nl gepubliceerd.

Bij het hof van discipline

2.3 Het beroepschrift van klaagster tegen de beslissing van de raad is op 13 juli 2025 ontvangen door de griffie van het hof.

2.4 Verder bevat het dossier van het hof:

  • de stukken van de raad.

2.5 Het hof heeft de zaak mondeling behandeld tijdens de openbare zitting van 1 juni 2026. Daar zijn partijen verschenen. Verweerder heeft zijn standpunt toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen, die onderdeel uitmaken van het dossier van het hof.

3 FEITEN

3.1 In de beslissing van de raad zijn de feiten vastgesteld. Er is in hoger beroep geen aanleiding deze feitenvaststelling te wijzigen. De door de raad vastgestelde feiten vormen dus ook in hoger beroep het uitgangspunt bij de beoordeling van de klacht.

4 KLACHT

De klacht houdt in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende:

a)   (..)

b)    verweerder heeft haar zaak in verband met haar ontvoering niet goed behandeld.

5 BEOORDELING RAAD

Klachtonderdeel b)

5.1 De raad heeft in wat klaagster heeft aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat verweerder haar zaak niet naar behoren heeft behandeld of op andere (juridisch inhoudelijke) aspecten tekortgeschoten is. Verweerder dient als dominus litis zelf te bepalen welke argumenten wel of niet relevant zijn om in de gerechtelijke procedure in te brengen en is niet verplicht uitvoering te geven aan alle verzoeken van zijn cliënte. Zo was verweerder niet verplicht om de nieuwe identiteit van klaagster en haar familieafkomst te benoemen in zijn processtuk uitsluitend omdat klaagster dit wilde. Verweerder heeft voldoende aangevoerd dat die informatie volgens hem niet (zo) relevant was voor de totstandkoming van de adoptie. Daarom heeft verweerder slechts kort vermeld dat klaagster genetisch gerelateerd is aan de familie J. en R. Dat stond verweerder vrij. Ook verder is het de raad niet gebleken dat verweerder in zijn memorie van grieven heeft nagelaten om voor de procedure relevante gegevens op te nemen. Voor de overige verwijten van klaagster - zoals het onbeschoft optreden op zitting en het binnensmonds praten - geldt dat de raad bij gebreke van voldoende onderbouwing daarvan, de juistheid van deze verwijten niet kan vaststellen. Klachtonderdeel b) is daarmee ongegrond.

6 BEROEPSGRONDEN EN VERWEER

Beroepsgronden klaagster

6.1 Klaagster kan zich niet vinden in de beslissing van de raad. Zij heeft aangevoerd dat een advocaat moet handelen in het belang van de cliënt, vooral wanneer er sprake is van een voorgeschiedenis van trauma of erkend misbruik. Het is onverdedigbaar om dat te negeren of weg te laten. Volgens klaagster zou verweerders nalatigheid kunnen neerkomen op een ernstige schending van de beroepsregels, en kan de tuchtcommissie dit bestraffen met een berisping, schorsing of zelfs verwijdering van het register.

6.2 Klaagster stelt dat wat verweerder deed geen simpele fout was, het raakte de kern van haar juridische identiteit en menselijke waardigheid. In het Nederlandse civiele en bestuursrecht, met name op grond van de Advocatenwet en de tuchtrechtspraak wordt van een advocaat verwacht dat hij de volledige belangen van de cliënt behartigt - met name wanneer kwetsbare kwesties zoals kindermishandeling of onrechtmatige adoptie centraal staan in de procedure. Dat verweerder geen officieel erkend fysiek en psychologisch bewijs uit 1999 heeft aangevoerd, is geen kleine fout. Dat is nalatigheid die, afhankelijk van de invloed ervan op de uitkomst van de procedure, zelfs kan oplopen tot grove nalatigheid.

6.3 Klaagster verwacht dat het hof niet zo makkelijk over deze zaken heen stapt.  Zij hoopt dan ook dat het hof meer menselijk naar deze zaak zal kijken.

Verweer verweerder

6.4 Verweerder heeft ter zitting bij het hof verweer gevoerd. De strekking van het verweer is - kort gezegd - dat de beslissing van de raad dient te worden bekrachtigd. 

7 BEOORDELING HOF

Maatstaf

7.1 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

Overwegingen hof

7.3 Het hof ziet op basis van de beroepsgronden, die een herhaling van de eerder door klaagster ingenomen standpunten inhouden, geen aanleiding om tot een andere beoordeling te komen dan de raad. Duidelijk is dat klaagster van mening is dat verweerder haar zaak niet goed heeft behandeld, klaagster heeft echter niet op overtuigende wijze onderbouwd dat de dienstverlening van verweerder niet voldoende was. Het hof onderschrijft het oordeel van de raad dat het aan verweerder was om te bepalen welke argumenten relevant zijn om in de gerechtelijke procedure in te brengen. Verweerder is - als dominus litis - niet verplicht uitvoering te geven aan alle verzoeken van zijn cliënte. Zo was verweerder niet verplicht om in zijn processtuk uitvoeriger dan hij heeft gedaan in te gaan op de nieuwe identiteit van klaagster en haar familieafkomst, uitsluitend omdat klaagster dit wilde.

Slotsom

7.4 Het hof verwerpt het hoger beroep van klaagster en zal de beslissing van de raad, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigen.

8 BESLISSING

Het Hof van Discipline:

- bekrachtigt de beslissing van 7 juli 2025 van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag, gewezen onder nummer 25-020/A/A.

Deze beslissing is genomen door mr. C.H. van Breevoort-de Bruin, voorzitter, mrs. K. van Dijk en J.A. Huijgen, leden, in tegenwoordigheid van M.H.A. Uri, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2026.

griffier                                                                                     voorzitter             

De beslissing is verzonden op 27 juli 2026 .